Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Franchiserecht

Ingebrekestelling vereist bij het ontbreken van ondersteuning en bijstand

Jan-Willem Kolenbrander

30 december 2013 - 2 minuten leestijd

Onlangs heeft de rechtbank te Amsterdam zich uitgelaten over een geschil tussen een franchisegever en een franchisenemer (zie het betreffende vonnis). Aldus het vonnis betrof deze kwestie een geschil waarbij de franchisegever aanspraak maakte op betaling van onbetaalde franchise fee. De franchisenemer was niet bereid om deze te voldoen onder meer omdat er in zijn visie geen sprake zou zijn (geweest) van deugdelijke ondersteuning en bijstand door de franchisegever. De franchisegever ontbond vervolgens de franchiseovereenkomst en vorderde betaling van de openstaande posten via een gerechtelijke procedure.

Zoals bekend, is de verplichting van de franchisegever tot het verstrekken van deugdelijke ondersteuning en bijstand een belangrijke pijler van elke franchise samenwerking. Niet voor niets is de Europese Commissie van mening dat het verstrekken daarvan als wezenlijk onderdeel van franchise moet worden beschouwd. Een franchisenemer dient dan ook te allen tijde aanspraak te kunnen maken op deugdelijke ondersteuning en bijstand.

In onderhavige kwestie is er door de franchisenemer een beroep gedaan op het ontbreken van deugdelijke bijstand en ondersteuning. Kennelijk was de franchisenemer zelfs van mening dat er “op geen enkele wijze” bijstand zou zijn verleend door de franchisegever. Dit is te kwalificeren als wanprestatie. In de visie van de franchisenemer zou de franchisegever daardoor in (schuldeisers)verzuim zijn komen te verkeren waardoor de ontbinding van de franchiseovereenkomst geen stand zou kunnen houden. De rechter te Amsterdam was echter van mening dat dit verweer niet opging, met name omdat de franchisenemer de franchisegever nimmer rechtsgeldig in gebreke had gesteld door een schriftelijke sommatie te sturen. De rechter kwam daardoor niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de (al dan niet) door de franchisegever verstrekte ondersteuning en bijstand.

Door onder meer een schriftelijke ingebrekestelling als vereiste te stellen voor het vestigen van (schuldeisers)verzuim, volgt de rechtbank te Amsterdam dus niet een eerder vonnis van de rechtbank te Utrecht (zie onder andere dit artikel). In dat vonnis werd immers juist geoordeeld dat het verschaffen van deugdelijke ondersteuning en bijstand een zogenaamde ‘voortdurende’ verplichting van de franchisegever betreft. Wordt die verplichting niet deugdelijk nagekomen dan komt de franchisegever van rechtswege in verzuim te verkeren en is het niet nodig om nog een afzonderlijke schriftelijke sommatie te sturen aan de franchisegever.

Zou de rechtbank te Amsterdam aansluiting hebben gezocht bij voornoemd vonnis van de rechtbank te Utrecht, dan zou er wellicht een andersluidend vonnis zijn gewezen. Vooralsnog is de praktijk dan ook dat een franchisenemer er zeer verstandig aan doet om schriftelijk te klagen op het moment dat hij van mening is dat hij onvoldoende ondersteuning en bijstand verkrijgt van de zijde van de franchisegever. De meeste rechters vinden een dergelijke sommatie immers noodzakelijk.

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchiserecht

Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?