Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Franchiserecht

Kritiek uiten over een franchisegever mag, maar ongefundeerd ‘schoppen’ kan afgestraft worden

Ondernemingsrecht

Jan-Willem Kolenbrander

5 december 2013 - 2 minuten leestijd

Het lijkt ondertussen een nationale sport te worden: franchisenemers die via de media kritiek leveren op het functioneren van een franchisegever en diens franchiseformule. Hoewel het benaderen van de media voor franchisenemers een laagdrempelige manier is om een bepaald onbehagen te kunnen ventileren, wordt soms vergeten dat het ‘buiten hangen van de vuile was’ vaak niet in hun belang is. (Lees in dat opzicht ook dit artikel).

Er is verder een duidelijk verschil tussen gefundeerd kritiek uiten over het functioneren van een franchisegever, teneinde een open debat te kunnen voeren daarover, en ongefundeerd ‘schoppen’ in de media. In het tweede geval kan een rechter oordelen dat er sprake is van onrechtmatig handelen en kan hij de franchisenemer een spreekverbod met de media opleggen. In het eerste geval zal een rechter echter terughoudend (moeten) zijn met het opleggen van beperkingen, omdat anders het grondrecht van vrijheid van meningsuiting van de franchisenemer in het gedrang kan komen. En dat specifieke grondrecht wordt nu juist in Nederland een groot goed geacht.

In een recente kwestie diende het gerechtshof te Den Bosch (ECLI:NL:GHSHE:2013:5660) te beoordelen of een franchisenemer simpelweg gebruik had gemaakt van zijn recht van vrijheid van  meningsuiting, dan wel dat er sprake was van onrechtmatig handelen jegens de franchisegever. Deze rechtszaak heeft haar oorsprong in een geschil over enkele niet-betaalde facturen met als gevolg een voortijdige beëindiging van de samenwerking. De franchisenemer liet zich vervolgens in de media in weinig vleiende bewoordingen uit over de franchisegever. Zo zou er binnen de betreffende  franchiseformule, aldus de franchisenemer, sprake zijn van “uitbuiting”, “wurgcontracten” en “moderne slavernij”. De rechter vond deze bewoordingen ongenuanceerd en onnodig grievend jegens de franchisegever. Dit onder meer omdat uit de door partijen overgelegde bewijsstukken juist bleek dat de franchisenemer tot het jaar 2012 bevredigende resultaten had behaald. Op grond hiervan vond de rechter het gepast om een spreekverbod met de media op te leggen.

Hoewel dit oordeel –  juridisch gezien – weinig nieuws onder de zon betreft, is het natuurlijk wel een goede aanleiding voor alle betrokkenen binnen franchising om zich eens goed achter de oren te krabben. Het doen van ongenuanceerde en grievende uitlatingen in de media zet immers weinig zoden aan de dijk en leidt vaak ook niet tot echte oplossingen voor de ervaren problemen. Ook de media dienen zich echter te beraden over hun rol in deze materie. In tegenstelling tot de rechters in deze kwestie, hebben de betrokken media kennelijk geen enkel onderzoek uitgevoerd, maar de woorden van de franchisenemer simpelweg ‘voor zoete koek’ geslikt. Door deze weinig kritische houding werken de media dus moedwillig mee aan de polarisatie binnen franchising.

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchiserecht

Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?