Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Vastgoed, Overheid & Notariaat

Gerechtshof staat alsnog huurkoppeling toe

Jan-Willem Kolenbrander

21 januari 2013 - 2 minuten leestijd

Een gedeelte van de kracht van een franchiseformule is het aantal verkooppunten op a-locaties dat de franchisegever tot haar beschikking heeft om aan (kandidaat) franchisenemers te verstrekken. Dit gebeurt vaak via een onderhuurconstructie waarbij de franchisegever optreedt als de (onder)verhuurder van het vestigingspunt aan de franchisenemer.

Laatstgenoemde treedt dan op als (onder)huurder. Partijen sluiten in dat geval zowel een franchiseovereenkomst als een huurovereenkomst met elkaar.

Aangezien de franchisegever het vestigingspunt uiteraard alleen aan de franchisenemer wil verhuren gedurende de looptijd van de franchiseovereenkomst – daarna zal een nieuwe franchisenemer het vestigingspunt immers moeten kunnen huren –  zal er doorgaans een zogenaamde huurkoppeling gemaakt worden door partijen tussen de huurovereenkomst en de franchiseovereenkomst. Dat houdt in dat als de franchiseovereenkomst komt te beëindigen de huurovereenkomst ook van rechtswege (= automatisch) komt te beëindigen zonder dat een aparte opzeggingsformaliteit benodigd is.

Een huurkoppeling is echter niet zonder meer toegestaan door de wet. In het burgerlijk wetboek is namelijk semi-dwingendrechtelijke bepaald op welke wijze een huurovereenkomst van een bedrijfsruimte kan worden opgezegd. Partijen kunnen daarvan niet ten nadele van de franchisenemer afwijken. Zou een huurovereenkomst automatisch komen te beëindigen bij het einde van de franchiseovereenkomst dan is dat een afwijking van de wettelijke bepalingen. Een franchisenemer zou dan de koppeling kunnen vernietigen. Dat kan uiteraard tot ongewenste resultaten leiden, te weten dat de (ex)franchisenemer – ondanks het einde van de franchiseovereenkomst – toch in het bedrijfspand blijft. De franchisegever kan het bedrijfspand dan niet verhuren aan een nieuwe franchisenemer. Om een dergelijke huurkoppeling toch mogelijk te maken, zullen partijen deze koppeling op voorhand aan de kantonrechter kunnen voorleggen en hem verzoeken om de koppeling bij gerechtelijke beschikking toch goed te keuren.

Uit de rechtspraak blijkt echter dat de diverse kantonrechters in Nederland anders oordelen over soortgelijke bepalingen in franchisesituaties. Onlangs vernietigde het Gerechtshof te Den Haag bijvoorbeeld een afwijzende beschikking van de kantonrechter te Rotterdam en keurde de koppeling alsnog toe. Bij de belangenafweging kende het Gerechtshof, onder meer, gewicht toe aan het feit dat een huurkoppeling ook voordelen kende voor de betreffende franchisenemer/huurder. Zoals doorgaans het geval bij een franchisesamenwerking was er ook in dit geval sprake van een postcontractueel non-concurrentiebeding. Dit beding belemmerde de (ex)franchisenemer om, gedurende een periode van één jaar na het einde van de franchiseovereenkomst, concurrerende activiteiten te ontplooien vanuit het gehuurde vestigingspunt. Zou de huurovereenkomst derhalve niet komen te beëindigen door het einde  van de franchiseovereenkomst, dan zou er een situatie kunnen ontstaan dat de (ex)franchisenemer gebonden was aan een huurovereenkomst, hoewel hij er – door het non-concurrentiebeding – het eerste jaar niets mee zou mogen doen.

Om ongewenste gevolgen te voorkomen doen partijen er derhalve goed aan om – waar mogelijk –   goedkeuring aan de burgerlijke rechter te vragen terzake een huurkoppeling. Ook moeten de contracten goed op elkaar afgestemd zijn.

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchise- en ondernemingsrecht

Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?