Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Vastgoed, Overheid & Notariaat

Grenzen formele rechtskracht en betalingsverplichting in bevoegdhedenovereenkomst

Vastgoed, Overheid & Notariaat

Arjen van Rijn

24 oktober 2013 - 3 minuten leestijd

In de overheidsaansprakelijkheidszaak van 14 juni 2013 (ECLI:NL:HR:BZ0520) stond de bevoegdhedenovereenkomst die de gemeente Horst aan de Maas had gesloten met een burger in het kader van de Ruimte-voor-Ruimte-regeling centraal. Deze regeling is afkomstig van een aantal provincies en is er om de ammoniakuitstoot van de agrarische sector terug te dringen.

In ruil voor de sloop van 1.000 m2 agrarische bedrijfsbebouwing, de intrekking van de milieuvergunning en het inleveren van mestrechten kan men een extra woningcontingent dan wel de sloop gesubsidieerd krijgen. De rechtvaardiging voor dit extra woningcontingent, dat zelfs in het buitengebied gerealiseerd mag worden, is dus dat er milieuwinst behaald is. Wanneer er geen directe verbinding bestaat tussen de sloop en de bouw van een woning, moet men deze milieuwinst aan kunnen tonen en de sloop(subsidiepot) financieren.

Onder de oude Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) kon de provincie door middel van de ‘verklaring van geen bezwaar’ de vinger aan de pols houden voor wat betreft planologische afwijkingen in het kader van de RvR-regeling, nu gemeenten primair gaan over bestemmingsplannen en de afwijkingen daarvan. De provincie Limburg had in casu met de gemeente Horst aan de Maas een bestuursovereenkomst gesloten in kader van de RvR-regeling. In ruil voor planologische medewerking van de provincie zou de gemeente een bijdrage betalen aan de subsidiepot, om vervolgens dit bedrag weer door te berekenen aan degene die een extra woning mag bouwen.

Zo geschiedde ook in de onderhavige zaak. De gemeente sloot op haar beurt weer een bevoegdhedenovereenkomst met de bouwer: in ruil voor medewerking aan het vrijstellingsbesluit diende hij € 89.957,12 te betalen. Toen alles vergunning-technisch in kannen en kruiken zat, weigerde de bouwer echter om het overeengekomen bedrag te betalen.

De gemeente krijgt voor de burgerlijke rechter uiteindelijk in drie instanties nul op het rekest. Zij is voor twee ankers gaan liggen. Ten eerste betoogt zij dat de betalingsverplichting onder de zogenaamde formele rechtskracht valt. Dit houdt in dat wanneer er een bestuursrechtelijke procedure gevolgd had kunnen worden en dit niet of niet succesvol is gedaan, de burgerlijke rechter het besluit voor rechtmatig dient te houden. De Hoge Raad oordeelde echter dat nu het vrijstellingsbesluit enkel in de ruimtelijke onderbouwing verwijst naar de betalingsverplichting, deze betalingsverplichting niet onder de reikwijdte van de formele rechtskracht te scharen is. Gelet op het rechtszekerheidsbeginsel dient namelijk uit het besluit zelf duidelijk te zijn welke voorwaarden daaraan verbonden zijn.
Deze vlieger gaat dus niet op.

De gemeente had echter ook nakoming van de overeenkomst gevorderd. De bouwer brengt daar tegen in dat deze bepaling in strijd zou zijn met de openbare orde (art. 3:40, lid 1, BW), omdat deze verplichting een onaanvaardbare doorkruising van de WRO inhoudt. De WRO zou slechts beperkt voorzien in het verhalen van exploitatiekosten op particulieren. Nu deze publiekrechtelijke regeling beperkingen stelt en gelet op de te beschermen belangen van de burger, was een financieel beding zoals opgenomen in de bevoegdhedenovereenkomst dus onaanvaardbaar, aldus ook het Hof. Er valt mijns inziens evenwel veel te zeggen voor het tegendeel.

De Hoge Raad vermijdt helaas een principieel oordeel te vellen over zulke financiële bedingen. Hij verwerpt namelijk uiteindelijk het beroep omdat er onvoldoende verband zou bestaan tussen het slopen van de agrarische bebouwing en uitgifte van woningcontingenten in de gemeente Horst aan de Maas. Binnen de gemeente zijn namelijk 39 woningen gerealiseerd, terwijl er maar 21.700 m2 aan agrarische bebouwing is gesloopt. De Hoge Raad wilde niet meer mee met het argument dat dit op provinciaal verband beoordeeld dient te worden. Dit zou namelijk een ander feitelijk onderzoek vergen waarvoor in cassatie geen ruimte is. De betalingsverplichting hield al met al daarmee geen rechtstreeks verband met het doel van de gemeentelijke vrijstellingsbevoegdheid.

Simon Olierook, advocaat bestuursrecht

Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?