Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Franchiserecht

Een klassieke prognose-kwestie…Maar dan net even iets anders!

Ondernemingsrecht

Jan-Willem Kolenbrander

20 augustus 2013 - 2 minuten leestijd

Indien een kandidaat-franchisenemer tijdens de precontractuele fase wezenlijke informatie terzake de te verwachten omzet en winst ontvangt van de franchisegever en achteraf blijkt dat deze informatie onjuist is, dan kan de franchisegever in bepaalde gevallen daarvoor aansprakelijk worden gesteld. De franchisenemer zal zich dan primair op de franchisegever richten. Dat het echter soms ook anders kan, blijkt uit een recent arrest van het Gerechtshof Arnhem – Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2013:5655) waarbij een franchisenemer nu eens niet ‘the usual suspect’ op de spreekwoordelijke korrel neemt.

Wat was er precies aan de hand? Werknemer A. raakte op een bepaald moment betrokken bij een verkeersongeval, als gevolg waarvan hij arbeidsongeschikt raakte. Hij wendde zich tot zijn rechtsbijstandsverzekeraar, die hem een juriste (B.) toewees om de juridische bijstand te verstrekken in het kader van de letselschaderegeling. Een re-integratie traject volgde, waarin A. werd bijgestaan door adviseur C. Deze laatste was ingeschakeld door de aansprakelijkheidsverzekeraar (D.) van diegene die het verkeersongeval had veroorzaakt.

Kennelijk was een re-integratie van A. via het reguliere kanaal niet mogelijk, zodat adviseur C. op een gegeven moment voorstelde aan A. dat hij eens zou moeten overwegen om franchisenemer te worden. A. werd in contact gebracht met een franchisegever die via C. cijfers verschafte over de te verwachten omzetten en winsten. Op grond van de gunstige inhoud van deze cijfers sloten A. en de franchisegever vervolgens een franchiseovereenkomst. Ook bij dit traject werd A. bijgestaan door rechtsbijstandsjuriste B.

De nieuwe onderneming van A. was “geen succes”, aldus het Gerechtshof. Achteraf bleek eveneens dat de door de franchisegever verstrekte cijfers onjuist waren. Hoewel het voor de hand zou liggen dat A. primair de franchisegever voor die onjuiste cijfers zou aanspreken, betrok A. echter eerst verzekeraar D. en adviseur C. in rechte, kennelijk op grond van onjuiste advisering.  Adviseur C. riep op zijn beurt de rechtsbijstandsjuriste B. en de franchisegever in vrijwaring op. A. en D./C. sloten vervolgens een vaststellingsovereenkomst op grond waarvan adviseur C. een bedrag ad € 25.000 aan A. betaalde. Eventuele vorderingsrechten van A. op de franchisegever en/of rechtsbijstandsjuriste werden gecedeerd aan verzekeraar D. en adviseur C.

In de vrijwaringsprocedure probeerde adviseur C. vervolgens het door hem betaalde bedrag ad € 25.000 te verhalen op de rechtsbijstandsjuriste. Kennelijk was de franchisegever op dat moment niet meer in beeld. Aldus C. was deze juriste toerekenbaar tekortgeschoten door A. niet deugdelijk juridisch te begeleiden en kon C. vanwege de cessie bij haar verhaal halen. Het Gerechtshof ging hier echter niet in mee en was van mening dat de rechtsbijstandsjuriste geen noemenswaardig verwijt te maken viel. Pech voor de adviseur dus.

Wat opvalt aan deze kwestie is dat de franchisegever, hoewel kennelijk vaststaat dat de door haar verstrekte cijfers onjuist waren, niet (verder) is aangesproken door adviseur C. Was de franchisegever misschien ondertussen al failliet gegaan? Had de franchisegever wellicht eerder een uitermate geloofwaardig verweer gevoerd? Zo niet, dan is het eigenlijk onbegrijpelijk waarom adviseur C. er enkel voor heeft gekozen om de juriste aan te spreken en niet (ook) de franchisegever. Hierdoor heeft C. het zichzelf immers onnodig moeilijk gemaakt. Maar dat zal franchisenemer A. uiteraard een worst zijn: hij heeft zijn schade immers vergoed gekregen.

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchiserecht

Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?