Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Ondernemingsrecht

Bedrijven moeten sneller betalen: wens en regelgeving

5 augustus 2013 - 4 minuten leestijd

“2.500 MKB-bedrijven zijn vorig jaar failliet gegaan door wanbetaling van hun klanten” meldde de Financiële Telegraaf in het najaar van 2012. Dat zou een kwart van alle faillissementen in het midden- en kleinbedrijf zijn, waarbij de betalingstermijn is opgelopen tot 43 dagen, met uitschieters van zelfs 60 of 90 dagen.

In het voorjaar van 2012 had MKB-Nederland in een brief aan de Tweede Kamer de politiek opgeroepen om de Europese Richtlijn betreffende de Bestrijding van Betalingsachterstand bij handelstransacties snel te behandelen. Deze richtlijn is inmiddels in nationale wetgeving omgezet; in het voorjaar is de “Wet ter bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties” van kracht geworden.

Achtergrond van de Europese Richtlijn is de slechte betaalmoraal van overheden met name in Zuid-Europa, waar betaaltermijnen van meer dan een jaar geen uitzondering vormen. Met de richtlijn en de implementatie daarvan door de nationale wetgevers beoogt de Europese wetgever te voorkomen dat bedrijven ervan worden weerhouden aan grensoverschrijdende aanbestedingen deel te nemen en dat bedrijven door betalingsachterstanden in hun financiële beheer worden bemoeilijkt.

Nieuwe wetgeving ter bestrijding van betalingsachterstanden
Betalingstermijnen
Ten gevolge van de nieuwe wetgeving zijn de artikelen 6:119a BW en 6:96 BW ten aanzien van de betalingstermijnen en wettelijke rente die tussen ondernemingen (B2B) worden gehanteerd gewijzigd respectievelijk aangevuld. Daarnaast treedt een nieuw artikel 6:119b BW in werking, dat ziet op betalingstermijnen en wettelijke rente tussen de overheid en ondernemingen.

Terwijl contractpartners voorheen volledige vrijheid hadden ten aanzien van de betalingstermijnen, geldt nu in principe een maximale termijn van 60 dagen. Een langere betalingstermijn tussen bedrijven is slechts mogelijk indien dit uitdrukkelijk in de overeenkomst is opgenomen en indien dit niet “kennelijk onbillijk” is jegens de schuldeisers. Voor overheden geldt een betalingstermijn van 30 dagen. Een langere betalingstermijn is slechts mogelijk indien partijen dit expliciet in de overeenkomst opnemen en de bijzondere aard of eigenschappen van de overeenkomst dit objectief rechtvaardigen. Dit betekent, dat overheidsinstanties slechts in uitzonderlijke gevallen een langere betalingstermijn kunnen overeenkomen (en dus niet ten aanzien van overeenkomsten die overheidsinstanties dagelijks of regelmatig sluiten).
Als partijen niets zijn overeengekomen, geldt een betalingstermijn van 30 dagen. Na verloop van die termijn gaat de wettelijke handelsrente lopen.

Incassokosten
Volgens de oude wettekst gold, dat indien een schuldenaar niet tijdig betaalde, hij “redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte” aan de crediteur diende te vergoeden. De hoogte van deze redelijke vergoeding kon contractueel worden vastgelegd. In de nieuwe wetstekst zijn die “redelijke kosten” voor handelsovereenkomsten op een minimumbedrag van € 40 gesteld. Daarnaast is de handelsrente met 1 procentpunt verhoogd ten opzichte van de oude handelsrente. Een belangrijke wijziging is daarbij dat de leverancier  direct na het verstrijken van de betalingstermijn het minimumbedrag van € 40 is verschuldigd. Daartoe hoeven dus niet eerst aanmaningen of ingebrekestellingen te worden verzonden. De afspraak dat de crediteur wel verplicht is eerst aanmaningen te verzenden om aanspraak te kunnen maken op incassokosten is nietig.

Verificatieperiode
In de huidige regelgeving was de termijn waarbinnen een schuldenaar een ontvangen prestatie kan aanvaarden of beoordelen – de zgn. verificatieperiode – niet gemaximeerd en gold contractsvrijheid. De nieuwe wettelijke bepalingen bevatten (in artikel 6:119a lid 4 BW) een maximum verificatieperiode van 30 dagen, tenzij partijen uitdrukkelijk een langere periode in de overeenkomst opnemen. Het opnemen van een langere termijn is slechts mogelijk indien deze termijn niet “kennelijk onbillijk” is jegens de schuldeiser.

De boven omschreven wetswijziging gaat in Nederland voor wat betreft de incassokosten gepaard met een eerdere wetswijziging die op 1 juli 2012 in werking is getreden. Achtergrond van deze wetgeving is het tegengaan van onredelijk hoge incassokosten. Uit een rapport “Incassokosten, een bron van ergernis” van de Landelijke Organisatie Sociaal Raadslieden dat in november 2008 werd gepresenteerd bleek dat in rekening gebrachte incassokosten structureel te hoog zijn. Dit heeft geresulteerd in de Wet maximering incassokosten waarbij de artikelen 6:96 BW en de artikelen 241 en 242 van het Wetboek van Rechtsvordering zijn aangepast. In deze wet wordt geregeld wat onder ‘redelijke kosten’ moet worden verstaan. Anders dan voorheen, is de hoogte van de incassokosten daarbij niet langer gekoppeld aan bepaalde werkzaamheden, maar aan een percentage van het verschuldigde bedrag. De vergoeding voor incassokosten wordt berekend als percentage van het verschuldigde bedrag, waarbij het percentage trapsgewijs lager wordt naarmate de vordering hoger wordt. Daarbij geldt het eerder genoemde minimum bedrag van € 40 en een maximum van € 6.775.

Business to Business
Handelt de schuldenaar in de uitoefening van een beroep of bedrijf, dan mag bij overeenkomst van de incassowetgeving worden afgeweken. Ook in die gevallen geldt nog wel – net als in de ‘oude’ situatie – dat de overeengekomen inkomsten redelijk moeten zijn en in redelijkheid moeten zijn gemaakt (de zogenaamde dubbele redelijkheidstoets); anders dan in de “oude” situatie kan de rechter de hoogte van deze incassokosten in een procedure niet meer matigen. De incassokosten mogen in rekening worden gebracht zodra de betalingstermijn is verstreken en zonder dat eerst nog een aanmaning is verzonden.

Consumenten
Is de schuldenaar een consument, dan mogen incassokosten pas in rekening worden gebracht nadat een aanmaning is verzonden waarbij aan de consument een termijn (minimaal) twee weken wordt toegekend om alsnog te betalen.
Deze regeling is ten aanzien van consumenten van dwingend recht; er mag niet in het nadeel van de consument vanaf worden geweken. Dit betekent, dat het in rekening brengen van additionele kosten, zoals administratiekosten, herinneringskosten enz. niet meer is toegestaan.

Conclusie

Er zal ongetwijfeld enige tijd overheen gaan totdat de in het bedrijfsleven gehanteerde betaalvoorwaarden op grote schaal zijn aangepast aan gewijzigde wetgeving. Of met deze nieuwe wetgeving de betalingsmoraal in Nederland structureel zal verbeteren, of dat daartoe verdergaande wetgeving nodig zal zijn, dient de toekomst uit te wijzen. Het is in ieder geval zinvol de algemene voorwaarden, danwel betaalvoorwaarden ‘onder het licht te houden’ om te bezien of voldoende op deze nieuwe wetgeving is ingespeeld. Voor B2B, is het (deels) mogelijk van de bovengenoemde wetgeving af te wijken; dit moet dan wel nadrukkelijk worden gedaan; gebeurt dit niet, dan gelden de wettelijke bepalingen. Voor bedrijven die consumenten als schuldenaar hebben, is het van belang ervoor zorg te dragen dat de gehanteerde voorwaarden conform deze wet- en regelgeving zijn.

Voor verdere vragen kunt u contact opnemen met Donata Lex.

Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?