Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Franchiserecht

Franchisenemer wint huurkwestie tegen franchisegever…En haalt toch bakzeil!

Ondernemingsrecht

Jan-Willem Kolenbrander

18 juli 2013 - 2 minuten leestijd

Binnen franchising is het gangbaar dat de franchisegever bedrijfsruimte huurt van de hoofdverhuurder/eigenaar en deze bedrijfsruimte (onder)verhuurt aan een franchisenemer. Contractueel hebben de hoofdverhuurder/eigenaar en de franchisenemer geen directe band. Immers, de franchisenemer heeft gecontracteerd met de franchisegever en de hoofdverhuurder/eigenaar heeft gecontracteerd met de franchisegever.

Ondanks het ontbreken van een directe contractuele band kunnen de drie voornoemde partijen elkaar wel degelijk beïnvloeden, hetgeen onlangs duidelijk naar voren kwam in een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI: 2013:5159). In onderhavige kwestie was er sprake van de klassieke situatie waarbij een hoofdverhuurder/eigenaar, franchisegever en franchisenemer betrokken waren bij de (ver)verhuur van bedrijfsruimte (supermarkt).

Zoals in een eerder artikel reeds opgemerkt, hadden de franchisegever en de franchisenemer hoogoplopende onenigheid gekregen. Dat resulteerde erin dat de franchisegever de franchiseovereenkomst per de eerst mogelijke datum had opgezegd en bij de rechter om ontruiming vroeg van de door de (ex)franchisenemer gehuurde bedrijfsruimte. Het ontbrak in de (onder)huurovereenkomst met de franchisenemer echter aan een duidelijke huurkoppeling. Verder hechtte de rechter veel waarde aan het feit dat de franchiseovereenkomst in zijn visie op onjuiste gronden was beëindigd, zodat het de (ex)franchisenemer niet kon worden tegengeworpen dat hij aldaar onder eigen naam een supermarkt dreef. De vorderingen van de franchisegever werden afgewezen en de (ex)franchisenemer kon ‘blijven zitten’.

Een klinkende overwinning dus voor de (ex)franchisenemer, doch dat bleek helaas van korte duur. De hoofdverhuurder/eigenaar had in haar hoofdhuurovereenkomst met de franchisegever namelijk opgenomen dat de franchisegever niet mocht onderverhuren aan derden, tenzij het een franchisenemer betrof. Omdat daar geen sprake (meer) van was, vanwege de eerdere opzegging van de franchiseovereenkomst, kon de hoofdverhuurder/eigenaar rechtsgeldig de hoofdhuurovereenkomst met de franchisegever beëindigen. Dat deed de hoofdverhuurder/eigenaar ook. Omdat je als rechtspersoon niet meer rechten kan overdragen dan je zelf hebt, werkte de beëindiging van de hoofdhuurovereenkomst door tot de onderhuurovereenkomst: omdat de franchisegever geen rechten meer kon uitoefenen op de bedrijfsruimte, moest de (ex)franchisenemer alsnog ontruimen. Het feit dat de franchiseovereenkomst op onjuiste gronden was beëindigd, speelde jegens de hoofdverhuurder/eigenaar geen rol.

Nu het spreekwoordelijke balletje, dat tot de ontruiming heeft geleid, is gaan rollen, omdat de franchisegever op onjuiste gronden de franchiseovereenkomst heeft beëindigd, is zeker niet uit te sluiten dat de franchisegever een vordering tot schadevergoeding van de (ex)franchisenemer voor haar kiezen zal krijgen. De wet biedt daar aanknopingspunten voor. Maar ja, ondertussen moet de (ex)franchisenemer wel de exploitatie ter plaatse staken en ziet hij zijn opgebouwde goodwill en gedane investeringen verdampen. En dat moet zonder meer een hard gelag zijn om te betalen!

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchiserecht

Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?