Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Franchiserecht

Franchise en de vennootschapsovereenkomst versie 2.0

Ondernemingsrecht

Jan-Willem Kolenbrander

9 mei 2013 - 2 minuten leestijd

Een enkele maal wordt je als buitenstaander getrakteerd op de achterkant van een rechtszaak. Oftewel de feiten die juridisch wellicht niet interessant zijn voor een rechter, maar die een zaak wel nader ‘inkleuren’ en de betrokken partijen meer ‘smoel’ geven dan de vaak droge opsomming van feiten in een vonnis. Zo ook in een recent vonnis van de rechtbank te Breda (LJN: BZ9546).

Kort geleden was een franchisenemer door de rechtbank te Bergen op Zoom al veroordeeld om het bij zijn franchisegever gehuurde bedrijfspand binnen drie dagen te ontruimen en de voordeursleutel weer bij de franchisegever in te leveren. Ook moest de franchisenemer van de rechter zijn concurrerende activiteiten per omgaande staken. Aanleiding was een betalingsachterstand op grond waarvan de franchisegever de franchise- en onderhuurovereenkomst had ontbonden met de franchisenemer.

Voornoemde franchisenemer was echter geen natuurlijk persoon, maar een vennootschap onder firma, waarbij de twee vennoten een echtpaar waren. Uit het vonnis van de rechtbank te Bergen op Zoom bleek al dat deze echtelieden kennelijk in onmin leefden met elkaar en dat de vrouw het “niet in haar macht” meer had om invloed uit te oefenen op de vennootschap of de activiteiten die de man in het winkelpand uitvoerde. Reden voor de rechtbank te Bergen op Zoom om de vorderingen van de franchisegever tegen de vrouw af te wijzen, waarschijnlijk uit het oogpunt dat de rechter niemand kan veroordelen iets te doen of na te laten waartoe die persoon niet in staat is.

De vrouw was klaarblijkelijk geschrokken van het feit dat zij als vennoot nog wel juridisch aansprakelijk was jegens de franchisegever voor een vennootschap waar zij feitelijk dus geen macht (meer) over had en die reeds buitengerechtelijk was ontbonden. Zij verzocht haar echtgenoot c.q. medevennoot om ook akkoord te gaan met een aangeboden regeling van de franchisegever, maar daar wilde de man zijn medewerking niet aan verlenen. De vennootschapsovereenkomst voorzag kennelijk niet in een situatie dat beide vennoten een wezenlijk verschil van mening hadden, zodat een patstelling ontstond.

Teneinde haar schade te kunnen beperken, startte de vrouw zelf een procedure tegen haar echtgenoot om hem te verplichten mee te werken aan de regeling met de franchisegever. Bij de rechtbank te Breda vond de vrouw een gewillig oor: nu de man geen beter alternatief had dan de regeling die de franchisegever aan de vennootschap had aangeboden, was het “onaanvaardbaar” dat de man zijn medewerking onthield aan de vrouw. De man diende, volgens de rechtbank, dan ook zijn medewerking te verlenen.

Uit het voorgaande kan een tweetal waardevolle lessen geleerd worden.

Ten eerste is het – ook buiten franchise –belangrijk dat er tussen vennoten onderling een zodanige vennootschapsovereenkomst wordt gesloten dat patstellingen, zoals hiervoor geschetst, zoveel mogelijk kunnen worden voorkomen.

Is het verder duidelijk vanaf aanvang dat de vennootschap onder firma als franchisenemer gaat acteren, dan is het zeer verstandig om specifieke bepalingen in de vennootschapsovereenkomst op te laten nemen die toezien op franchise-specifieke situaties. Denk, bijvoorbeeld, aan de situatie dat de franchiseovereenkomst met de vennootschap wordt beëindigd en de vennoten niet op één lijn zitten. In het gunstigste geval kan een onnodige gerechtelijke procedure worden voorkomen. Standaard vennootschapsovereenkomsten onderkennen deze materie vaak niet voldoende. Een vennootschapsovereenkomst versie 2.0 biedt dan de uitkomst.

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchiserecht

Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?