Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Franchiserecht

Tien jaar durend exclusief afnamebeding niet in strijd met de mededinging

Jan-Willem Kolenbrander

1 mei 2013 - 2 minuten leestijd

Eind 2012 heeft het gerechtshof te Arnhem arrest gewezen (LJN: BY6508) in een rechtszaak tussen de exploitant van een Ierse pub en de bierbrouwerij Grolsch. De inhoud van dit arrest is echter ook relevant voor de franchisepraktijk waarbij een exclusief afnamebeding aan de orde is.

De juridische vraag die beantwoord diende te worden in voornoemde kwestie, was in hoeverre het in de bierafnameovereenkomst opgenomen exclusieve afnamebeding (duur: tien jaar) een schending was van de mededinging. Volgens de exploitant was hij jarenlang ten onrechte aan het afnamebeding gehouden door Grolsch, hoewel het beding op grond van Europese Verordening  1984/83 helemaal niet toelaatbaar was, omdat het langer dan vijf jaar duurde. Zou Grolsch de exploitant niet aan het afnamebeding hebben gehouden, dan had de exploitant na vijf jaar bij een andere bierbrouwerij, onder gunstigere voorwaarden, bier kunnen inkopen.

Het gerechtshof merkt inderdaad op dat het afnamebeding in de bierafnameovereenkomst niet kan profiteren van de vrijstelling zoals die is geformuleerd in Verordening 1984/83. Daarmee staat volgens het gerechtshof echter alleen vast dat Grolsch geen beroep kan doen op de vrijstelling in Verordening 1984/83. Er staat daarmee dus niet automatisch vast dat er ook sprake zou zijn van een schending van de mededinging waarvoor een vrijstelling nodig zou zijn. Deze schending moet echter wel door de exploitant worden gesteld en bewezen, mede omdat een rechter volgens de Hoge Raad niet ambtshalve hoeft te toetsen of een beding in strijd is met de mededinging. Nu de exploitant heeft nagelaten voldoende te stellen, kan het gerechtshof weinig anders doen dan de vordering van de exploitant afwijzen.

In veel franchiseovereenkomsten komt een exclusief afnamebeding voor. Hetgeen hiervoor is opgemerkt, is dan ook relevant voor de franchisepraktijk, te weten dat een beroep van een franchisenemer op een schending van de mededinging gefundeerd gesteld en deugdelijk onderbouwd moet worden. De juiste afbakening van de relevante markten, zowel de productmarkt als de geografische markt, alsmede het vaststellen van het marktaandeel van de franchisegever zijn daarbij belangrijke elementen. Gebeurt dat niet, dan zal de rechter een vordering die op een dergelijk beroep is gebaseerd moeten afwijzen.

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchiserecht

Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?