Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Franchiserecht

Steun de Europese Erecode inzake Franchising!

Jan-Willem Kolenbrander

1 maart 2013 - 2 minuten leestijd

Eerder werd in deze column al aandacht besteed aan de mededingingsrechtelijke perikelen waarover het gerechtshof te Den Bosch zich onlangs had gebogen terzake een rechtzaak tussen een franchisenemer en de franchisegever van de franchiseformule ‘Setpoint’ (zie hier het betreffende artikel).

Omdat het feitencomplex op bepaalde punten schimmig bleef en bepaalde (juridische) elementen in hoger beroep helaas niet (meer) werden besproken, heeft ondergetekende aan de rechtbank te Breda gevraagd om het vonnis in eerste aanleg eveneens te publiceren op www.rechtspraak.nl. Dat is onlangs ook gebeurd (LJN: BZ2618). Bepaalde ‘witte vlekken’ in het tussenarrest kunnen thans dan ook opgevuld worden.

Waar ik in dit artikel met name de aandacht op wil vestigen is de ‘Europese Erecode inzake Franchising’ en de overwegingen die de rechtbank te Breda daarover doet. De franchisenemer had zich tijdens de procedure in eerste aanleg beroepen op de richtlijnen van de ‘Europese Erecode inzake Franchising’ (EEF). De EEF is in de jaren ’70 van de vorige eeuw tot stand gekomen door toedoen van de Europese Commissie en de Europese Franchise Federatie. Feitelijk is het een verzameling van ‘best practice’ rechten en verplichtingen voor zowel de franchisegever als de franchisenemer.

Kort gezegd benoemt de EEF hoe partijen in een franchiserelatie zich jegens elkaar dienen te gedragen, zowel voorafgaand als na het tekenen van de franchiseovereenkomst.

Zoals de naam zelf al impliceert, betreft het een erecode en is het dus geen ‘harde’ wet, verordening of verdrag die rechtens afdwingbaar is. Een franchisenemer kan dan ook geen aanspraak maken op de EEF, tenzij deze contractueel van toepassing is verklaard op de franchiseverhouding. Alternatief zou een franchisenemer een beroep (moeten) kunnen doen op de EEF indien zijn franchisegever lid is van de Nederlandse Franchise Vereniging (NFV). Immers, de franchisegevers die lid zijn van de NFV verplichten zich expliciet om de EEF toe te passen in hun formule. Deze afspraak tussen de NFV en haar leden kan dan geacht worden derdenwerking te hebben jegens de franchisenemer.

Als de EEF steeds vaker wordt toegepast zal deze op enig moment wellicht zelfs de status van maatschappelijke norm kunnen bereiken. Deze status heeft de EEF nog niet bereikt, getuige het vonnis van de rechtbank te Breda. Die zet namelijk vraagtekens bij “de juridische status van deze code”. Ook zou de EEF aldus de rechtbank vooral waarborgen bevatten voor de kandidaat franchisenemer. Een franchisenemer zou dus geen rechten kunnen ontlenen aan de EEF als de franchiseovereenkomst eenmaal getekend is. Dat is echter niet juist; de EEF voorziet immers in allerlei fasen van de franchise zoals, inderdaad, de precontractuele fase, maar ook zaken als informatie uitwisseling, ondersteuning en geschillenbeslechting gedurende de franchise. Het is daarmee een uitermate nuttig product.

Over de doelmatigheid van sommige bepalingen uit de EEF kan gediscussieerd worden en enkele moderne toevoegingen zouden de EEF niet misstaan, zoals bijvoorbeeld ten aanzien van e-commerce. Desalniettemin is het de hoogste tijd dat de EEF na 40 jaar in Nederland ook de status krijgt die zij verdient. Tijd dus voor een lobby bij de overheid alsmede de NFV. Ik steun de EEF…U ook?

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchiserecht

Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?