Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Franchiserecht

Franchisenemer wordt voordeel van de twijfel gegund bij beroep op Mededingingswet

Jan-Willem Kolenbrander

22 februari 2013 - 2 minuten leestijd

Een franchisegever zal doorgaans zoveel mogelijk contractueel willen vastleggen met haar franchisenemers om uniformiteit uit te kunnen stralen en maximale invloed uit te kunnen oefenen in de franchiseformule. Echter, de franchisegever kan niet alles zomaar vastleggen.

Afspraken die ertoe strekken of tot gevolg hebben dat de concurrentie (mededinging) wordt verhinderd, beperkt of vervalst zijn bijvoorbeeld niet toegestaan. Hierdoor kan immers de vrije marktwerking worden verstoord. Een voorbeeld van een ontoelaatbare afspraak (‘hard core’-restrictie) betreft prijsbinding, waarbij de franchisegever haar franchisenemers dwingend oplegt welke verkoopprijzen zij dienen te hanteren richting de consument.

In een recent arrest van het gerechtshof te Den Bosch (LJN: BZ1827) is sprake van een (voormalige) franchisenemer van een herenkledingformule die zijn franchisegever er van beschuldigt prijsafspraken op te leggen waardoor hij in zijn ondernemingsvrijheid zou zijn geschaad. De franchisegever betwist dat daarvan sprake was.

In een dergelijk geval dient een franchisenemer te stellen maar ook te bewijzen dat er inderdaad sprake is van een verstoring van de mededinging, welke marktverstoring eveneens merkbaar is. Uit de rechtspraak (zie onder andere dit arrest) blijkt dat er door de rechters zware eisen worden gesteld aan hetgeen een franchisenemer in dat geval moet aandragen als bewijsmateriaal. Hij kan niet volstaan met een algemeen verhaal, maar moet zo specifiek mogelijke informatie aan de rechter verstrekken, zoals terzake de relevante productmarkt en geografische markt.

Als deze vaste rechtspraak naast het arrest van het gerechtshof te Den Bosch wordt gelegd, dan valt op dat het gerechtshof de betreffende franchisenemer kennelijk het voordeel van de twijfel heeft gegund. Hoewel de franchisenemer, naar de mening van het gerechtshof, niet afdoende heeft gesteld c.q. bewezen om aan te kunnen nemen dat er inderdaad sprake is van een merkbare verstoring van de mededinging, wordt zijn beroep op de mededingingsrechtelijke inbreuk niet op voorhand afgewezen. Sterker nog: de franchisenemer krijgt feitelijk een tweede kans doordat het gerechtshof een deskundige zal gaan aanwijzen die zal moeten inventariseren of er sprake is van een merkbare verstoring van de mededinging.

Hiermee lijken de rechters van het gerechtshof te Den Bosch aanzienlijk soepeler dan andere rechters in soortgelijke zaken. De vraag rijst dan ook of de betreffende franchisenemer kennelijk toch meer heeft gesteld c.q. bewezen dan in het arrest naar voren komt, de franchisegever naar de smaak van het hof wellicht niet afdoende verweer heeft gevoerd tegen bepaalde stellingen, dan wel dat het gerechtshof simpelweg in een soepele bui was.

Wat daar ook van zij: het is op voorhand uiteraard de vraag of er – indien er bewezen kan worden dat er sprake is van prijsbinding – ook sprake is van merkbaarheid. In de modebranche is al enige tijd sprake van verzadiging van de markt door de vele concurrenten die actief zijn op dat vlak. Daarbij merkt het gerechtshof reeds op dat de geografische markt aanzienlijk groter is dan enkel de plaats waar de betreffende franchisenemer zijn winkel had. De franchisenemer zal dan ook alle zeilen bij moeten zetten om deze tweede kans optimaal te benutten!

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchiserecht

Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?