Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Franchiserecht

Faillissement van een franchiseformule: curator niet aansprakelijk jegens schuldeiser

Jan-Willem Kolenbrander

11 februari 2013 - 2 minuten leestijd

Veel franchiseformules kennen de navolgende opbouw: een holding structuur waarbij de moedermaatschappij, vaak genaamd [X] Holding B.V, bestuurder is van diverse dochtermaatschappijen. Er zal dan in ieder geval sprake zijn van een dochtermaatschappij  genaamd [X] Franchise B.V. Deze sluit de franchiseovereenkomsten met de betreffende franchisenemers en is feitelijk de franchisegever.

Een andere dochtermaatschappij, vaak genaamd [X] Vastgoed B.V., sluit huurovereenkomsten met de franchisenemers terzake de winkelpanden en is dus de verhuurder van de franchisenemers. Ook kan er een derde dochtermaatschappij betrokken zijn, vaak genaamd [X] Retail B.V., die belast is met het leveren van de franchise gerelateerde producten aan de franchisenemers. Alternatief kan er ook een vierde maatschappij betrokken zijn die de intellectuele eigendomsrechten van de franchiseformule houdt.  Een dergelijke ‘opdeling’ van het concern is verstandig te noemen, omdat daarmee idealiter de (juridische) gevolgen voor de ene vennootschap binnen de formule niet direct gevolgen hoeft te hebben voor de ander(en).

In de vorig jaar failliet verklaarde franchiseformule Body Control was een soortelijke opbouw van het concern te zien. De vennootschap Body Control Concepts Holding B.V. stuurde haar dochters Body Control Franchise B.V. en Hama Rent B.V. aan. Eerstgenoemde dochter was de franchisegever en laatstgenoemde dochter verhuurde afslankapparatuur aan de franchisenemers. De holding kwam op enig moment echter in zwaar financieel weer terecht en begin 2012 werd de holding failliet verklaard. De benoemde curator liet vrijwel direct weten dat, wat hem betreft, beide dochters ook gefailleerd zouden moeten worden, omdat door het faillissement van de holding  hun inkomsten zouden zijn weggevallen. Ook waren de vorderingen en schulden van deze vennootschapen zo verweven dat een groepsafwikkeling voor de hand zou liggen, aldus de curator.

Eén van de schuldeisers van de holding, de vennootschap ML Investments B.V., vond dit een onverkwikkelijke ontwikkeling omdat zij als zekerheid een pandrecht had verworven op aandelen Hama Rent. Zouden Hama Rent en BC Franchise failliet verklaard worden, dan zouden deze aandelen – en dus het pandrecht – volledig waardeloos worden.  Desalniettemin diende de curator een verzoek tot faillissement in van diverse dochters van de holding, waaronder Hama Rent en – na enige ontwikkelingen – werden de aandelen Hama Rent executoriaal verkocht voor een luttel bedrag van € 7,50.

ML Investments sprak vervolgens de curator persoonlijk aan op het frustreren van haar pandrecht en wenste schadevergoeding voor de door haar geleden schade. De rechtbank wees echter op de vaste jurisprudentie dat er voor een persoonlijke aansprakelijkheid van een curator alleen ruimte is, als is gebleken dat de curator zich niet heeft gedragen zoals van een redelijk handelende curator mag worden verwacht. Ook moet de curator weten – dan wel behoorde te wegen – dat hij onjuist aan het handelen is.  Daarvan was in onderhavige kwestie geen sprake, aldus de rechtbank, mede gelet op de “gebleken verstrengeldheid van de vennootschappen”.

Kortom, het opsplitsen van de franchiseformule was in dit specifieke geval niet voldoende om de rest van de formule te beschermen tegen het faillissement van de moedermaatschappij. In andere gevallen kan een dergelijke opsplitsing wel zijn nut bewijzen, bijvoorbeeld bij een ongunstig gerechtelijk vonnis tegen één van de vennootschappen.

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchiserecht

Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?