Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Vastgoed, Overheid & Notariaat

Aandachtspunten nieuw planschaderecht voor burger en bedrijf

Arjen van Rijn

10 december 2012 - 2 minuten leestijd

Wanneer een burger of bedrijf in de vorm van inkomensderving of waardevermindering van zijn onroerende zaak schade lijdt of zal lijden vanwege een planologische ontwikkeling, zoals een nieuw bestemmingsplan of een omgevingsvergunning voor het afwijken van een bestemmingsplan, dan kan men een verzoek tot planschade indienen bij het verantwoordelijke college van burgemeester en wethouders.

Met de invoering van de nieuwe Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) per 1 juli 2008, heeft de wetgever het planschaderecht gewijzigd. Als gevolg hiervan verschijnt er nu nieuwe jurisprudentie betreffende de uitleg van de daarin opgenomen nieuwe bepalingen.

Zo legt de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) bijvoorbeeld in haar uitspraak van 1 augustus 2012 (LJN: BX3316) uit dat nu een binnenplanse ontheffing in de Wro als zelfstandige schadeoorzaak is aangemerkt, het als gevolg heeft dat bij een planologische vergelijking dergelijke ontheffingsmogelijkheid bij de maximale invulling van een bestemmingsplan buiten beschouwing moet worden gelaten. Om de schade vast te stellen vergelijkt men namelijk de oude planologische situatie met de nieuwe. Schade die voorzienbaar was wordt daarbij geacht als risico aanvaard te zijn, dus komt niet voor vergoeding in aanmerking. Wanneer je de nog niet uitgewerkte ontheffingsmogelijkheden dan gaat meerekenen in het gedeelte dat als voorzienbaar wordt bestempeld, dan zou een binnenplanse ontheffing bij planvergelijking nooit tot schade kunnen leiden. Dit acht de ABRvS onwenselijk gelet op de wet.

Een andere interessante onlangs verschenen uitspraak ging over het leerstuk van het normaal maatschappelijk risico. Nieuw in de Wet op de ruimtelijke ordening ten opzichte van de oude is namelijk dat slechts de schade die het normaal maatschappelijk risico overschrijdt voor vergoeding in aanmerking komt. De wetgever heeft bovendien een wettelijk forfait van 2% voor bepaalde situaties opgenomen in artikel 6.2 Wro. Wanneer bijvoorbeeld je huis in waarde daalt vanwege een bestemmingsplanwijziging op het naburige perceel, blijft ten minste 2% van de waarde van je huis zoals dit was van vóór het ontstaan van de schade voor eigen rekening.

Wanneer je initiatiefnemer bent van een bouwplan dan zal in de praktijk de gemeente vaak een overeenkomst met je sluiten, waarin wordt bepaald dat jij als initiatiefnemer draagplichtig wordt voor eventueel ingediende planschadeverzoeken als voorwaarde voor haar medewerking. Het college van burgemeester en wethouders zal dan echter minder geneigd zijn het normaal maatschappelijk risico te beoordelen dat boven het wettelijk forfait van 2% uitstijgt, omdat ze de claim toch naar de initiatiefnemer doorschuiven. Als initiatiefnemer doe je er dus verstandig aan om in dat geval er als de kippen bij te zijn om het college van B&W op hun vingers te tikken wanneer ze te zachtzinnig met deze beoordeling omgaan. De ABRvS heeft in haar uitspraak van 5 september 2012 (LJN: BX6492) namelijk bepaald dat aan artikel 6.2, lid 1, Wro zelfstandige betekenis toekomt en het college van B&W ook in dergelijke situaties behoort te onderzoeken in hoeverre de gestelde schade binnen het normaal maatschappelijke risico valt, dus tevens in hoeverre dit het wettelijke forfait van 2% overstijgt. De derde-belanghebbende als contractueel schadedrager is kortom niet extra schadeplichtig voor maatschappelijke ontwikkelingen, maar moet wel zelf blijven opletten.

Graag adviseren wij u. Voor al uw vragen betreffende overheidsaansprakelijkheid of een omgevingsvergunning kunt u terecht bij het Vastgoed- en Bestuursrechtteam van De Clercq.

Simon Olierook, advocaat Bestuursrecht

Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?