Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Ondernemingsrecht

Recente uitspraak Hoge Raad kan rechtsbijstandsverzekeraars onder druk zetten

Jan-Willem Kolenbrander

5 december 2012 - 5 minuten leestijd

Vrij recent heeft de Hoge Raad een uitspraak gedaan, welke de fundamenten van de rechtsbijstandsverzekeraars in Nederland danig kunnen aantasten. In ieder geval zal de uitspraak aanleiding geven tot een herbezinning van de aard en inhoud van de rechtsbijstandverzekering. De inzet? Niet minder dan de vrijheid van een verzekerde om zelf een juridische dienstverlener te kiezen in het geval van een gerechtelijke procedure.

Een korte beschouwing.
In Nederland is het instituut van de rechtsbijstandverzekering een normaal fenomeen geworden tussen haar broeders als de inboedel- en brandverzekeringen. Als we mogen afgaan op de diverse berichten in de media, dan heeft kennelijk meer dan de helft van de Nederlandse huishoudens tegenwoordig een dergelijke verzekering. Gezien de juridificering van de Nederlandse samenleving is het niet opmerkelijk te noemen dat steeds meer mensen zich willen verzekeren tegen diverse juridische ‘calamiteiten’. De financiële gevolgen van een langlopend juridisch conflict kunnen immers aanzienlijk zijn, te meer nu de griffiekosten bij de rechtbanken de laatste tijd aanzienlijk duurder zijn geworden.

Feitelijk is de werking van een rechtsbijstandverzekering niet anders dan eerdergenoemde inboedel- en brandverzekeringen, ware het niet dat de rechtsbijstandsverzekeraar geen geldbedragen uitkeert aan een verzekerde, maar juridische diensten in natura aanbiedt. Een verzekerde zal zich, in het geval van een juridisch conflict, eerst moeten melden bij zijn rechtsbijstandsverzekeraar. Is het conflict gedekt op grond van de polisvoorwaarden, dan zal de verzekeraar een bij haar in loondienst zijnde hulpverlener (doorgaans een jurist) toewijzen om de zaak in behandeling te nemen. Dat is immers aanzienlijk goedkoper dan een externe hulpverlener in te schakelen. Om die reden zal een verzekeraar ook in het geval van een gerechtelijke procedure zoveel mogelijk trachten om de rechtsbijstand zelf te verlenen.

Deze – op zich duidelijke –  constructie van bijstand in natura door de rechtsbijstandsverzekeraar kan echter een bron van onmin tussen de verzekeraar en de verzekerde worden, als de verzekerde helemaal geen rechtsbijstand wil hebben van een door de verzekeraar aangewezen rechtshulpverlener, maar zelf een hulpverlener wil kiezen om hem bijstand te verlenen. Dit laatste uiteraard op kosten van de verzekeraar.

Als een verzekerde in het verleden, bijvoorbeeld, reeds goede ervaringen heeft gehad met een bepaalde advocaat, dan ligt het voor de hand dat de verzekerde deze advocaat verkiest boven de – onbekende – rechtshulpverlener van de verzekeraar. Onbekend maakt dan onbemind. Gezien de aard van de rechtsbijstandverzekering, te weten uitbetaling in natura,  zal de verzekeraar in beginsel niet gehouden zijn om een dergelijke keuzevrijheid toe te laten direct bij het melden van het geschil.

De zaken komen echter anders te liggen op het moment dat er sprake is van een gerechtelijke procedure, waarbij het wettelijk verplicht is om een advocaat daarbij te betrekken. De polisvoorwaarden laten dan wel een vrije advocaatkeuze toe, mede ingegeven door richtlijnen vanuit Europa. In het geval van een gerechtelijke procedure, waarbij het niet wettelijk verplicht is om daarbij een advocaat te betrekken, zal de rechtsbijstandsverzekeraar – op grond van haar polisvoorwaarden – haar eigen rechtshulpverleners de bijstand laten verlenen.

Hoewel voorgaand beslissingsmodel voor vrije advocaatkeuze op zich helder lijkt, blijkt de werkelijkheid weerbarstiger dan dat. Dat is onder meer te wijten aan artikel 4:67 van de Wet op het Financieel Toezicht (Wft). In dat artikel is bepaald dat een rechtsbijstandsverzekeraar er zorg voor moet dragen dat een verzekerde “een advocaat of een andere rechtens bevoegde deskundige” mag kiezen in het geval van “een gerechtelijke of administratieve procedure”. In artikel 4:67 Wft wordt dan ook geen splitsing gemaakt tussen gerechtelijke procedures waarbij bijstand van een advocaat verplicht is en gerechtelijke procedures waarbij dat niet verplicht is. De vraag kan dan ook terecht gesteld worden of voornoemd beslissingsmodel, hoewel helder, nog wel rechtens juist is.

De specifieke kwestie waarover de Hoge Raad zich thans heeft gebogen, betrof een kwestie waarbij een verzekerde eerder een arbeidsrechtelijk geschil tegen zijn werkgever had gemeld bij zijn rechtsbijstandsverzekeraar. Kennelijk is er verschil van inzicht ontstaan over de wijze waarop de zaak inhoudelijk behandeld zou moeten worden, omdat enige maanden na het melden van de zaak zich een advocaat bij de rechtsbijstandsverzekeraar meldde met het verzoek om de behandeling van de zaak over te nemen. Dit laatste – uiteraard – op kosten van de verzekeraar. De rechtsbijstandsverzekeraar was echter niet zonder meer bereid om aan het verzoek van (de advocaat van) de verzekerde te voldoen, waardoor de verzekerde zich genoodzaakt voelde om rechtsmaatregelen te treffen tegen zijn eigen rechtsbijstandsverzekeraar.

Eén van de vragen die partijen gescheiden hield, was of de verzekerde vrije advocaatkeuze had terzake de arbeidsrechtelijke procedure tegen zijn werkgever. In een dergelijke procedure is het namelijk niet verplicht om een advocaat in te schakelen, zodat de verzekeraar zich op het eerdergenoemde standpunt stelde dat zij de kwestie mocht laten behandelen door rechtshulpverleners in loondienst. Het recht op vrije advocaatkeuze zou, volgens de verzekeraar, niet ontstaan door het besluit om een procedure te gaan voeren, maar pas nadat de verzekeraar ook had besloten dat de zaak niet door een rechtshulpverlener in loondienst zou (kunnen) worden behandeld. De verzekerde, op zijn beurt, meende in artikel 4:67 Wft te lezen dat hij altijd het recht van vrije advocaatkeuze zou hebben in het geval van een procedure.

Hoewel er (lagere) rechtspraak voorhanden is, waar het voornoemde betoog van de rechtsbijstandsverzekeraars een gewillig oor heeft gevonden, lijkt de Hoge Raad in haar uitspraak alsnog een andere route te bewandelen. De Hoge Raad is van mening dat in de Europese richtlijn, waarop artikel 4:6 Wft is gebaseerd, het belang van de verzekerde centraal staat om zijn eigen rechtshulpverlener te kiezen in het geval van een procedure. Aldus de Hoge Raad is het enkele feit dat er een procedure moet worden gevoerd voldoende om aan te nemen dat een verzekerde vrije advocaatkeuze heeft.  Zij acht het dan ook “verdedigbaar” dat de verzekerde van iedere rechtsbijstandverzekering het recht moet worden geboden op vrije keuze indien een procedure moet worden gevoerd, ongeacht of in die procedure verplichte rechtsbijstand noodzakelijk is. Dat zou inhouden dat iedere verzekerde van een rechtsbijstandverzekering in het geval van een procedure zijn eigen rechtshulpverlener kan kiezen.

De Hoge Raad heeft de knoop echter nog niet definitief willen doorhakken, omdat zij eerst ruggenspraak wenst te houden met het Europese Hof van Justitie, mede gezien de maatschappelijke belangen die spelen. Er ligt dan ook nog (geen) definitieve uitspraak en het wachten is dus op de inhoudelijke reactie van het Hof van Justitie.

De consequenties in Nederland, als de Hoge Raad definitief zou oordelen dat er sprake is van een vrije advocaatkeuze bij welke procedure dan ook, laten zich gemakkelijk raden. Thans is het dus nog gangbaar dat rechtsbijstandsverzekeraars (bepaalde) gerechtelijke procedures door hun eigen interne juristen laten behandelen, bijvoorbeeld kwestie die arbeidsrecht en huurgeschillen betreffen. De hoogte van de verzekeringspremie is daarop ook gebaseerd. Zou elke verzekerde, bij welke procedure dan ook, de gelegenheid krijgen om een eigen (externe) rechtshulpverlener te kiezen, dan zullen de kosten voor de verzekeraars enorm kunnen oplopen. Deze oplopende kosten zullen hoogst waarschijnlijk afgewenteld moeten worden op de verzekerden in de vorm van (aanzienlijke) premieverhogingen. Daardoor zullen de grenzen tussen de ‘betaalbare rechtsbijstandverzekering’ en de ‘dure advocatuur’ steeds meer vervagen, hetgeen niet in het belang is van de verzekerden.

Daarnaast zal er nog een andere consequentie zijn die – zeker in het huidige economische klimaat –  niet onderschat moet worden. Een rechtsbijstandsverzekeraar zal diverse juristen op haar loonlijst hebben staan die, bij een totale vrijheid van advocaatkeuze, overbodig zullen worden. Verder zal een verzekeraar in de toekomst af kunnen met minder (interne ) juristen als procedures overwegend door externen zullen worden gevoerd. Een, al dan niet gedwongen, afvloeiing  van juridische medewerkers bij de verzekeraars is dan ook niet denkbeeldig. Het belang van de zaak die nu onder de Hoge Raad is, gaat dan ook veel verder dan de belangen van de verzekerde en de verzekeraar alleen.

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat ondernemingsrecht

Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?