Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Franchiserecht

Hulp bij het verkrijgen van de financiering

Jan-Willem Kolenbrander

11 september 2012 - 2 minuten leestijd

In de rechtspraak zijn diverse voorbeelden te vinden van rechtszaken waarbij de franchisenemer het de franchisegever verwijt dat zij niet aan haar zorgplicht voldoet richting hem. Dit, bijvoorbeeld, omdat de franchisegever in zijn visie niet voldoende bijstand en ondersteuning verleent.

Doorgaans zullen deze verwijten niet gebaseerd zijn op de overtreding van duidelijke contractuele bepalingen, doch op een in de rechtspraak geformuleerde algemene zorgplicht.

Kort geleden heeft de rechtbank te Arnhem zich echter gebogen over een zaak, waarbij een bepaalde zorgplicht nu juist wel contractueel was vastgelegd. De franchisegever ‘DierenDokters’ had zich jegens haar (potentiële) franchisenemer contractueel verbonden om hem te begeleiden bij het aanvragen van een financiering voor zijn onderneming. Aldus de franchisegever zou er voorts een arrangement bestaan tussen de ABN AMRO Bank en de franchisegever. De franchisenemer zou hierdoor 90 (tot 100%) van de benodigde financiering op een laagdrempelige wijze kunnen verkrijgen.

Na het tekenen van de franchiseovereenkomst bleek echter dat er geen arrangement (meer) bestond tussen de franchisegever en de ABN AMRO Bank, waardoor de franchisenemer op een andere wijze de benodigde financiering diende te verkrijgen. Toen dit uiteindelijk niet mogelijk bleek, mede omdat de franchisegever weinig medewerking daartoe leek te verlenen, berichtte de franchisenemer aan zijn franchisegever dat hij de samenwerking wilde beëindigen door middel van een ontbinding van de franchiseovereenkomst. De franchisegever legde zich niet neer bij deze gang van zaken en vorderde in onderhavige procedure de door haar geleden schade, te weten een bedrag ad € 38.432,50.

De rechtbank stelde vast dat er vanaf het begin van de samenwerking tussen partijen onzekerheid bestond over het verkrijgen van een financiering door de franchisenemer, welke onzekerheid werd versterkt door het feit dat het arrangement bij de ABN AMRO Bank niet (meer) bestond. Gezien de duidelijke toezeggingen van de zijde van de franchisegever had de franchisenemer meer mogen verwachten van de bijstand terzake het verkrijgen van een financiering. Er was in de visie van de rechtbank dan ook sprake van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van de franchisegever om de ontbinding van de franchiseovereenkomst te rechtvaardigen.

Uit deze uitspraak blijkt te meer dat partijen in een (te beginnen) franchiserelatie er zeer verstandig aan doen om, voor het tekenen van de franchiseovereenkomst, voldoende duidelijkheid te verkrijgen of het verkrijgen van een financiering wel mogelijk is.  Willen partijen – om hen moverende redenen – met elkaar contracteren, voordat er voldoende zekerheid er is, dan zou er bijvoorbeeld een ontbindende of opschortende voorwaarde opgenomen kunnen worden in de franchiseovereenkomst. Ook kan de franchisenemer op voorhand met zijn franchisegever afspreken wat zij concreet bereid is om te doen als er geen financiering kan worden verkregen. Dergelijke vangnetten op voorhand zijn van belang voor beide partijen, want geen van partijen heeft immers belang bij een langdurige samenwerking waarbij de (financiële) stabiliteit van de franchisenemer te wensen overlaat.

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat ondernemingsrecht

Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?