Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Franchiserecht

Non-concurrentiebeding voor geheel Nederland

Jan-Willem Kolenbrander

3 september 2012 - 3 minuten leestijd

Het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft zich onlangs uitgelaten over een non-concurrentiebeding in een franchiseovereenkomst (LJN: BX5661). Het non-concurrentiebeding hield – kort gezegd – in dat de betreffende franchisenemer, na het einde van de samenwerking met de franchisegever, gedurende een jaar lang geen activiteiten zou mogen ontwikkelen die gelijk (of gelijksoortig) zouden zijn aan de activiteiten van de franchiseformule.

Meer specifiek was in het non-concurrentiebeding opgemerkt dat de franchisenemer in ieder geval vanuit zijn vestigingspunt niet dergelijke activiteiten mocht ontwikkelen. De franchiseformule betrof overigens mobiele reparatiediensten aan fietsen en andere tweewielers, waarbij de reparaties in beginsel bij de klanten thuis werden uitgevoerd.

Op enig moment heeft de franchisenemer in kwestie besloten om afscheid te nemen van de formule, doch hij was niet bereid om zijn (met de formule concurrerende) handelsactiviteiten te staken. Zijn redenen om zich niet te conformeren aan het non-concurrentiebeding waren, onder meer, omdat hij van mening was dat het non-concurrentiebeding enkel beperkt zou zijn tot activiteiten die zouden worden ontplooid vanuit het vestigingspunt. Omdat de franchisenemer stelde van vestigingspunt te zijn veranderd, zou het non-concurrentiebeding in zijn visie geen enkele werking (meer) hebben. Ook zou de franchisenemer niet aan het beding gehouden kunnen worden, omdat de franchisegever wanprestatie had gepleegd, aldus de franchisenemer. Voorts zou het non-concurrentiebeding te ruim zijn opgesteld, waardoor de franchisenemer brodeloos zou worden gemaakt als hij gedurende een jaar aan dit beding zou worden gehouden. Het beding zou volgens de franchisenemer dan ook onredelijk en onbillijk zijn.

Het gerechtshof deelde de meningen van de (voormalige) franchisenemer echter niet. Zo had het de franchisenemer, in de visie van het hof, duidelijk moeten zijn dat het non-concurrentiebeding zich niet beperkte tot enkel het vestigingspunt. De franchisenemer had immers een werkgebied toegewezen gekregen dat gebaseerd was op een indeling naar postcode. Een non-concurrentbeding zou – in ieder geval – dit postcode gebied omvatten. Verder speelde het vestigingspunt in deze formule geen belangrijke rol, omdat de formule juist inhield dat de door de franchisenemer uit te voeren reparatiewerkzaamheden bij klanten thuis werden uitgevoerd en dus niet op het vestigingspunt van de franchisenemer. Het beding beoogde volgens het hof in ieder geval om de franchisegever de mogelijkheid te geven om, na het einde van de samenwerking met de betreffende franchisenemer, een nieuwe franchisenemer een kansrijke start (lees: geen concurrentie van de oude franchisenemer) te laten maken. De beperkte uitleg van de franchisenemer van het non-concurrentiebeding strookte daar niet mee.

Het verweer van de franchisenemer dat de franchisegever wanprestatie had gepleegd en om die reden de franchisenemer niet aan het non-concurrentiebeding kon houden werd eveneens niet gehonoreerd door het hof. Afgezien van het feit dat de franchisegever deze wanprestatie inhoudelijk betwistte, merkte het hof op dat de franchisenemer nimmer een schriftelijke sommatie (ingebrekestelling) aan de franchisegever had gestuurd waarin de franchisegever een termijn is gegeven om alsnog aan haar verplichtingen te voldoen. Hierdoor zou het buitenwerking stellen van het beding niet aan de orde kunnen zijn.

Ook het verweer van de franchisenemer betreffende de onredelijk- en onbillijkheid van het non-concurrentiebeding werd niet aanvaard door het hof. Het feit dat de franchisenemer gedurende een jaar in Nederland geen mobiele reparaties aan fietsen zou mogen uitvoeren, maakte nog niet dat hij brodeloos zou worden. Niet-mobiele reparaties konden immers wel worden uitgevoerd, hoewel de franchisenemer dat – om zijn moverende redenen – niet wilde. Het beding was in de visie van het hof dan ook niet onaanvaardbaar. De (voormalige) franchisenemer kon dan ook zonder meer aan het beding gehouden worden.

Het besproken arrest toont wederom aan dat in beginsel geldt ‘afspraak is afspraak’ ook ten aanzien van non-concurrentiebedingen. Als (potentieel) franchisenemer is het dan ook van wezenlijk belang om de franchiseovereenkomst aandachtig door te lezen op zaken zoals een non-concurrentiebeding en stil te staan bij de aard en omvang van het beding. Ook een ruim omschreven non-concurrentiebeding behoeft immers niet dermate onaanvaardbaar te zijn dat een rechter het terzijde kan schuiven, zodat de franchisenemer eraan kan worden gehouden. Een juiste beoordeling van de franchiseovereenkomst, voordat deze wordt ondertekend, is dan ook van groot belang.

Jan Willem Kolenbrander, advocaat ondernemingsrecht

Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?