De aanbestedende dienst stelde zich op het standpunt dat de verliezende inschrijver geen recht meer had om te klagen. Van inschrijvers mag een proactieve houding worden verwacht, bij gebreke waarvan rechtsverwerking kan optreden.

In eerdere blogs heb ik al aangeven dat het zogenaamde Grossmann-verweer niet geldt bij niet-Europese aanbestedingen. De Europese richtlijn die in dat arrest werd getoetst speelt in dergelijke gevallen geen rol.

Wat resteert dan nog? De redelijkheid en billijkheid. Dit brengt mee dat een inschrijver zijn bezwaren in een zo vroeg mogelijk stadium aan de orde stelt, zodat eventuele onregelmatigheden in de aanbestedingsprocedure kunnen worden gecorrigeerd met zo weinig mogelijk gevolgen voor het verdere verloop van de aanbestedingsprocedure. Zeer vergelijkbaar dus met het Grossmann-criterium.

Na uitvoerige overweging oordeelde de rechter dat alsnog mocht worden geklaagd. Het niet meer kunnen klagen zou ertoe leiden dat de Europese aanbestedingsplicht kan worden omzeild. Dat zou zeer onwenselijk zijn, aldus de rechter (ECLI:NL:RBMNE:2019:1299). De voorgenomen gunningsbeslissing moet worden ingetrokken.

De vraag is waarom de klagende partij in deze kwestie kiest voor de onzekere route van een beroep op de redelijkheid en billijkheid. De uitkomst zou vaststaan wanneer zou zijn gekozen voor de route van artikel 4.15 Aanbestedingswet dat de mogelijkheid geeft om tot vernietiging over te gaan van een aanbestedingsplichtige overeenkomst die niet Europees is aanbesteed.

Heeft u vragen over dit artikel, neemt u dan contact op met Menno de Wijs, Advocaat IT, Privacy & Cybersecurity | Aanbestedingen