Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu

Als projectontwikkelaar heeft u een mooi plan gereed voor de realisatie van een nieuw energieneutraal woon-zorgcomplex voor senioren. U bent al in gesprek met de gemeente. Een deel van de voor realisatie benodigde grond is reeds verworven; het andere deel is in handen van de gemeente. Het plan lijkt goed te passen in het gemeentelijk seniorenbeleid. Het bestemmingsplan moet nog worden aangepast. Een gerenommeerde belegger is serieus geïnteresseerd en wil met u in gesprek.  U bent daartoe bereid, maar u wilt wel een en ander vastleggen. Hieronder enkele tips.

Tip 1: Leg intenties en doelstellingen vast

In deze fase is het verstandig om de intenties en doelstellingen rondom een project in te kaderen en vast te leggen in een vrijblijvende intentieovereenkomst. Op die wijze kunt u – al of niet exclusief – met de belegger en overige betrokkenen in overleg treden om de diverse aspecten zoals de grondpositie, de financiering, het ruimtelijk kader en de bouwplannen te onderzoeken. Vervolgens kunt u besluiten tot het al of niet verder ontwikkelen van het project en komen tot een ontwikkelings- en daarop volgende realisatieovereenkomst.

Tip 2: Neem een exit-regeling op

Er zijn in de intentiefase doorgaans nog veel aspecten onzeker die realisatie van het project in de weg kunnen staan. Dan rijst de vraag of en tot welk moment u nog van elkaar afkunt. Kan dat zomaar? In beginsel staat het een partij vrij om onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het bij de ander gewekte vertrouwen in het tot stand komen van het project onaanvaardbaar is en er zelfs sprake kan zijn van schadeplicht.

Verliest u daarbij niet uit het oog dat naast de intentieovereenkomst ook uit notulen of correspondentie kan worden afgeleid wat partijen hebben beoogd. Voorkom dus harde, afdwingbare verplichtingen, die u kunnen beletten om vrijblijvend uit te stappen zonder gehouden te zijn tot enige schadevergoeding.

Tip 3: Toch harde verplichting? Dan onder opschortende voorwaarde

Indien juist wel (harde) verplichtingen in de intentieovereenkomst moeten worden opgenomen, dan is het soms aan te bevelen dat deze worden geformuleerd als opschortende voorwaarden. Het kan bijvoorbeeld gaan om een financiering, het verkrijgen van grondposities of noodzakelijke vergunningen of toestemmingen benodigd voor de realisatie van het project. Het voordeel van opschortende voorwaarden is dat ze pas bindend zijn zodra de betreffende voorwaarde is vervuld, bijvoorbeeld een onherroepelijke omgevingsvergunning.

Tip 4: Sluit schadevergoedingsplicht zoveel mogelijk uit

Het is verstandig om af te spreken dat het afbreken van onderhandelingen niet leidt tot enige schadevergoedingsplicht.

Tegen het einde van de duur van de intentieovereenkomst zult u met de gemeente moeten beslissen of het project al of niet verder zal worden ontwikkeld. Maar wilt u ervan af, dan moet dat kunnen en graag zonder vervelende financiële gevolgen!

Een goede intentieovereenkomst is maatwerk.

Meer weten?

F.A. Eradus

In een recente uitspraak is de voorzieningenrechter gevraagd de opgelegde bouwstop te schorsen. De bouwstop is opgelegd omdat de betrokkene bouwwerkzaamheden verrichtte aan een voormalige rooms-katholieke kerk in Deventer. De kerk is een monument en het ontbrak de betrokkene aan een omgevingsvergunning om bouwactiviteiten aan het monument te mogen verrichten.

Krijgt u te maken met een bouwstop? Bezwaar schorst de bouwstop niet! Een voorlopige voorziening kan voor u de oplossing zijn. Lees hier meer over de mogelijkheden en risico’s van het instellen van een voorlopige voorziening.

Voor meer informatie over monumentenrecht kunt u terecht bij Vincent Stavleu.

Stel u wordt geconfronteerd met een handtekening op een offerte en het verzoek om tot betaling over te gaan. De handtekening is echter niet van u. Op wie rust de bewijslast?

Recent heeft de Hoge Raad deze vraag beantwoord (klik) in een zaak waarin een aannemer zich op het standpunt stelde dat zijn meerwerkoverzicht was ondertekend door zijn opdrachtgever. De opdrachtgever stelde echter dat de handtekening was vervalst en weigerde betaling.

Ik zal u niet vermoeien met een uitvoerige uiteenzetting van de feiten in deze kwestie en de overwegingen van de rechtbank en het hof. Kern is dat het hof meende dat de opdrachtgever onvoldoende had onderbouwd dat de opdrachtgever niet zijn handtekening op het meerwerkoverzicht had gezet. De Hoge Raad denkt daar terecht anders over.

De Hoge Raad overweegt dat een meerwerkoverzicht kwalificeert als een ‘onderhandse akte’. Een dergelijk document dat door partijen zelf is opgesteld heeft tot gevolg dat – zolang niet is bewezen van wie de handtekening afkomstig is – aan het document geen enkele bewijskracht toekomt. De partij die zich met de onbekende handtekening geconfronteerd ziet hoeft slechts stellig te ontkennen dat de handtekening van hem is (ex artikel 159 lid 2 Rv). De ontkenner hoeft dan ook geen onderbouwing van zijn ontkenning te geven, aldus de Hoge Raad (in rechtsoverweging 3.3.2). In deze kwestie moet de aannemer dus bewijzen dat de handtekening op het meerwerkoverzicht daadwerkelijk van zijn opdrachtgever is.

Menno de Wijs, advocaat

Als een aannemer aanspraak maakt op vergoeding van meerwerk zal hij, als de opdrachtgever dat betwist, moeten aantonen dat meerwerk is uitgevoerd. Dat bewijs kan op verschillenden manieren worden geleverd, bijvoorbeeld met een ondertekend stuk, ook wel een onderhandse akte genoemd. Als echter degene, tegen wie de akte bewijs zou leveren, de ondertekening daarvan stellig ontkent, levert die akte geen bewijs op.

Een echtpaar geeft opdracht tot het vergroten van hun woning. De aannemer stelt een overzicht op van gemaakte kosten en meerwerkuren. Onderaan dat overzicht is vermeld: Voor akkoord, de namen van de echtgenoten en, onder iedere naam, een handtekening. Het echtpaar laat de aanneemsom en de kosten voor het meerwerk (deels) onbetaald. De aannemer vordert betaling, rechtbank en gerechtshof wijzen de vorderingen van de aannemer grotendeels toe.

Het hof heeft daarbij overwogen dat niet is betwist dat de handtekening op het overzicht van echtgenoot 1 is. Die echtgenoot heeft weliswaar ontkend een handtekening op het overzicht te hebben geplaatst maar kan niet verklaren dat bij een handschriftonderzoek is geconcludeerd dat de handtekening echt is en dat niets erop wijst dat met de handtekening geknoeid is. Het hof acht de betwisting dan ook onvoldoende onderbouwd.

De Hoge Raad heeft het arrest van het hof, onlangs, vernietigd. Iemand die betwist dat hij een handtekening heeft gezet, hoeft daarvan geen onderbouwing te geven. Als iemand stellig ontkent dat de onder een stuk aanwezige handtekening van hem afkomstig is, komt aan de akte geen bewijskracht toe. De bewijslast van de echtheid van de handtekening rust op degene die zich op de akte beroept. In dit geval dus op de aannemer, die met het ondertekende overzicht wilde aantonen dat ook voor het meerwerk opdracht was gegeven.

Dat lijkt op het eerste gezicht niet eenvoudig. Maar al te vaak wordt een offerte voor akkoord ondertekend teruggestuurd. Hoe bewijs je dan dat de handtekening echt van de ondertekenaar is? Moeten stukken dan voortaan in aanwezigheid van getuigen worden ondertekend? Dat kan wel maar is niet steeds haalbaar. Het lijkt mij voldoende dat de opdrachtgever de opdrachtbevestiging als PDF per (naar hem te herleiden) e-mail verstuurt. Knappe jongen die de echtheid van een handtekening dan nog stellig durft te betwisten…

Per van der Kooi

Advocaat bouw- en vastgoedrecht

Iedereen kent wel een verhaal waarbij het formele karakter van het aanbestedingsrecht een ongewenste uitwerking had. Denk bijvoorbeeld aan de inschrijving die ter zijde werd gelegd omdat de inschrijver vergeten was een handtekening te zetten onder zijn inschrijving.

Dat een dergelijk ‘foutje’ voor de betreffende inschrijver grote gevolgen heeft is duidelijk, maar ook voor de aanbestedende dienst kan het uitsluiten van die inschrijver zeer onwenselijk zijn. Dat kan nou net de ‘beste’ inschrijving zijn, waardoor niet meer de maximale waarde uit de markt wordt gehaald. Zonde, zo moet het Rijksvastgoedbedrijf hebben gedacht.

Ondanks dat in de jurisprudentie is bepaald dat het is toegestaan om een inschrijving uit te sluiten, heeft het Rijksvastgoedbedrijf nu aangekondigd dat zij inschrijvers de mogelijkheid gaat bieden om een ontbrekende handtekening te herstellen. Eis blijft dus dat de eigen verklaring en het inschrijfbiljet rechtsgeldig zijn ondertekend, maar bij een ontbrekende handtekening krijgt de inschrijver twee dagen de gelegenheid alsnog een ondertekende versie aan te leveren. Deze wijziging komt tegemoet aan de formalistische handelwijze die veel inschrijvers als onredelijk en onnodig ervaren. Wellicht volgen meer aanbestedende diensten…

Menno de Wijs, advocaat

De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State creëert meer duidelijkheid in een ingewikkelde discussie over de gedoogbeslissing. De Afdeling heeft in een zeer recente uitspraak geoordeeld dat een gedoogbeslissing niet kan worden gelijkgesteld met een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ook de intrekking of weigering van een gedoogbeslissing niet.

De gedoogbeslissing in kwestie

In de kwestie waarop de uitspraak betrekking heeft gaat het om een persoonsgebonden gedoogbeslissing van het college van burgemeester en wethouders van Bladel. De gedoogbeslissing houdt in dat een omstreeks 1933 illegaal gebouwde stal mag blijven staan. Het college acht het niet billijk tegen de illegale bouw handhavend op te treden. Aan de gedoogbeslissing heeft het college meerdere voorwaarden verbonden, waarmee de eigenaar van de stal zich niet kan verenigen. De eigenaar gaat in beroep en belandt uiteindelijk bij de Afdeling.

De overweging

De vraag waar het onder meer over gaat is of de gedoogbeslissing op een rechtsgevolg is gericht en daarmee is aan te merken als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 Awb. De rechtbank vindt van niet. De gedoogbeslissing zou volgens de rechtbank slechts omstandigheden duiden die het gedogen in de toekomst zullen beëindigen. Daarmee is de gedoogbeslissing geen besluit en verklaarde de rechtbank de eigenaar van de stal voor dat deel van zijn beroep niet ontvankelijk.

In hoger beroep bij de Afdeling betoogt de eigenaar van de stal dat de gedoogbeslissing een uitstel van het gebruik van de handhavingsbevoegdheid is. De eigenaar betoogt dat wel degelijk een rechtsgevolg wordt beoogd, nu één van de voorwaarden is dat in geval van overdracht óf overlijden van de eigenaar, de stal binnen zes maanden moet worden afgebroken. Ook mag de stal niet worden vergroot of geheel vernieuwd, waardoor de eigenaar zich beperkt voelt in zijn eigendomsrecht.

De ABRvS: gedoogbeslissing is geen besluit

Na een zeer uitgebreide overweging – met de onderliggende conclusie van de staatsraad advocaat-generaal Widdershoven van 16 januari 2019 – komt de Afdeling tot het oordeel dat meer duidelijkheid nodig is over de status van de gedoogbeslissing. De Afdeling oordeelt dat de gedoogbeslissing (in beginsel) niet wordt gelijkgesteld met een besluit in de zin van de Awb. De Afdeling spreekt over een nieuwe lijn. Hierdoor kunnen betrokkenen niet langer opkomen tegen een gedoogbeslissing. Hiermee maakt de Afdeling een einde aan de discussie over de gedoogbeslissing, met complexe rechtspraak tot gevolg.

Terzijde merkt de Afdeling nog op dat betrokken niet geheel machteloos zijn ten aanzien van een gedogend bestuursorgaan. Zo kan bijvoorbeeld een derde die het niet eens is met de gedoogbeslissing, te allen tijde aan de hand van een handhavingsverzoek het bestuursorgaan vragen handhavend op te treden (in plaats van te gedogen). Als het bestuursorgaan dat weigert, dan staan tegen dát besluit rechtsmiddelen open.

Vincent Stavleu

Na het doorlopen van een meervoudig onderhandse aanbestedingsprocedure was de verliezende inschrijver het niet eens met de uitkomst. Reden: na zijn verlies vond de inschrijver dat de opdracht eigenlijk toch Europees had moeten worden aanbesteed wegens overschrijding van de drempelwaarde. Tot zover weinig verrassends.

De aanbestedende dienst stelde zich op het standpunt dat de verliezende inschrijver geen recht meer had om te klagen. Van inschrijvers mag een proactieve houding worden verwacht, bij gebreke waarvan rechtsverwerking kan optreden.

In eerdere blogs heb ik al aangeven dat het zogenaamde Grossmann-verweer niet geldt bij niet-Europese aanbestedingen. De Europese richtlijn die in dat arrest werd getoetst speelt in dergelijke gevallen geen rol.

Wat resteert dan nog? De redelijkheid en billijkheid. Dit brengt mee dat een inschrijver zijn bezwaren in een zo vroeg mogelijk stadium aan de orde stelt, zodat eventuele onregelmatigheden in de aanbestedingsprocedure kunnen worden gecorrigeerd met zo weinig mogelijk gevolgen voor het verdere verloop van de aanbestedingsprocedure. Zeer vergelijkbaar dus met het Grossmann-criterium.

Na uitvoerige overweging oordeelde de rechter dat alsnog mocht worden geklaagd. Het niet meer kunnen klagen zou ertoe leiden dat de Europese aanbestedingsplicht kan worden omzeild. Dat zou zeer onwenselijk zijn, aldus de rechter (ECLI:NL:RBMNE:2019:1299). De voorgenomen gunningsbeslissing moet worden ingetrokken.

De vraag is waarom de klagende partij in deze kwestie kiest voor de onzekere route van een beroep op de redelijkheid en billijkheid. De uitkomst zou vaststaan wanneer zou zijn gekozen voor de route van artikel 4.15 Aanbestedingswet dat de mogelijkheid geeft om tot vernietiging over te gaan van een aanbestedingsplichtige overeenkomst die niet Europees is aanbesteed.

Menno de Wijs, advocaat aanbestedingsrecht

In de bouwpraktijk komt het nogal eens voor dat de gewone rechter of de Raad van Arbitrage zich onbevoegd moet verklaren om van een bepaald geschil kennis te nemen. In veel gevallen is de oorzaak de geschilregeling zelf, of het ontbreken daarvan. Bijvoorbeeld door  niet geldig overeengekomen en daardoor niet toepasselijke algemene voorwaarden. Gevolg, de procedure moet over met alle inherente kosten van dien of zelfs verlies van uw vordering.

Om dat te voorkomen is het aan te bevelen dat partijen tevoren een duidelijke keuze maken. Er zijn immers diverse wijzen van geschilbeslechting. Als u niets regelt, dan is de volgens de wet bevoegde gewone rechter aangewezen. Arbitrage dient uitdrukkelijk te worden overeengekomen, maar ook mediation of bindend advies zijn mogelijk. Past u op met algemene voorwaarden bij overeenkomsten met natuurlijke personen, die niet handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Een beding dat voorziet in een andere wijze van geschilbeslechting dan door de gewone rechter is jegens een natuurlijk persoon volgens artikel 6:236 sub n BW onredelijk bezwarend en vernietigbaar, tenzij een maand de tijd wordt gegund om het geschil aan de gewone rechter voor te leggen. Voorziet het beding daarin niet en heeft u zich al tot de Raad van Arbitrage gewend, dan zal deze zich onbevoegd verklaren en staat u met lege handen.

De meeste sets algemene voorwaarden bevatten uiteenlopende bedingen over geschilbeslechting. Zo bepalen paragraaf 47 UAV-GC 2005 en paragraaf  49 UAV 2012 dat partijen uitdrukkelijk afstand doen van de mogelijkheid van tussenkomst van de gewone rechter. Alle geschillen worden op grond van die voorwaarden beslecht door de Raad van Arbitrage voor de Bouw. Pas dus op met de UAV voorwaarden bij opdrachten van natuurlijke personen. Ook met de DNR is het opletten. Zo wordt  in paragraaf 58 DNR 2011 de minnelijke regeling als uitgangspunt genomen. In het tweede lid is voorts bepaald dat  indien  wordt gekozen voor arbitrage, de Raad van Arbitrage voor de Bouw bevoegd is. Maar, leest u goed, er staat: “indien”. Met andere woorden, als er niet wordt geopteerd voor arbitrage, dan is (dus) de gewone rechter bevoegd. Dat wordt nog weleens over het hoofd gezien. En dan zal de Raad zich in voorkomend geval onbevoegd móeten verklaren. U kunt dan opnieuw beginnen, mits u al niet te laat bent met het instellen van uw vordering, bijvoorbeeld in het geval van een net op dat moment verstreken vervaltermijn. Het zal u toch niet gebeuren.

Om dit soort kostbare, soms fatale fouten te voorkomen, kunt u tenminste het volgende doen. Bepaal voor het aangaan van de overeenkomst gezamenlijk welke wijze van geschillenbeslechting het beste op uw situatie van toepassing is. Combinaties zijn ook mogelijk, maar maak een heldere keuze. Dus bijvoorbeeld eerst mediation en dan pas naar de Raad van Arbitrage (of naar de rechter). Controleer (ook) op dit punt de toepasselijke algemene voorwaarden. Die kunnen onduidelijk zijn, afwijken van uw keuze of zelfs ongeldig zijn.

Kortom, maak een heldere keuze voor de wijze van geschilbeslechting en leg deze eenduidig vast in de overeenkomst.

Neem gerust vrijblijvend contact op als u hierover vragen heeft of uw algemene voorwaarden eens wilt laten beoordelen.

Frank Eradus, advocaat/partner Vastgoed

Gaat u trouwen? Of bent u al getrouwd en wilt u vastleggen welk recht van toepassing is op uw huwelijk? Dan is de nieuwe Europese verordening betreffende het huwelijksvermogensrecht op uw huwelijk van toepassing. Dat wil zeggen, indien u vermogen bezit in één van de achttien aangesloten lidstaten. Deze lidstaten zijn in alfabetische volgorde België, Bulgarije, Cyprus, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Italië, Kroatië, Luxemburg, Malta, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Slovenië, Spanje, Tsjechië en Zweden.

Deze Europese verordening wordt voor u pas echt relevant als uw huwelijk internationale aspecten heeft. Daarvan is bijvoorbeeld sprake als:

De verordening geldt per 29 januari 2019 en is rechtstreeks toepasselijk in de deelnemende lidstaten. Per die datum is ook de nieuwe Europese verordening betreffende het vermogensrecht van geregistreerde partnerschappen van toepassing. Deze verordeningen hebben grotendeels dezelfde inhoud.

Hierna ga ik verder op hoofdlijnen in op de verordening voor het huwelijksvermogensrecht (‘Verordening’). Fiscale aspecten worden in dit artikel buiten beschouwing gelaten.

De Verordening regelt het internationaal privaatrecht (‘IPR’). In principe is het IPR van ieder land anders. Het grote voordeel van de Verordening is dat er achttien lidstaten meedoen, en dat daardoor in maar liefst achttien lidstaten de IPR-regels (verwijzingsregels) voor het huwelijksvermogensrecht hetzelfde zijn. Wie weet, sluiten de huidige andere tien lidstaten – in alfabetische volgorde Denemarken, Estland, Hongarije, Ierland, Letland, Litouwen, Polen, Roemenië, Slowakije en het Verenigd Koninkrijk – zich later alsnog aan. Dat zou mooi zijn in het kader van de doelstellingen van de Verordening, te weten:

Bent u vóór 29 januari 2019 getrouwd dan blijven de vóór die datum geldende IPR-regels van belang, tenzij u op of na die datum een (nieuwe) rechtskeuze heeft vastgelegd.

In de Verordening komt eerst het toepassingsgebied (1.) aan bod.

De Verordening betreft vervolgens:

ten aanzien van het vermogensstelsel van een huwelijk met internationale aspecten.

De algemene bepalingen en slotbepalingen (6.) van de Verordening bevatten onder meer de overgangsbepalingen.

Het is zowel op het dagelijkse beheer van het huwelijksvermogen van toepassing als op de vereffening daarvan, in het bijzonder ten gevolge van scheiding of overlijden.

De Verordening omvat (maar liefst!) 73 overwegingen en 70 artikelen. Bij de toepassing ervan zijn de overwegingen ook zeker van belang.

Hierna staat de volgende vraag centraal:

In hoeverre is de Verordening voor u van belang als u vastgoed bezit?

1. Beperking toepasselijkheid

Ten eerste is het van belang dat de Verordening niet van toepassing is op:

De Verordening verandert dus niets aan de aard van uw eigendomsrecht of aan de aard van uw van de eigendom afgeleid recht op vastgoed, zoals een appartementsrecht of een recht van erfpacht.

De Verordening verandert ook niets aan de manier van inschrijving in een eigendomsregister voor vastgoed.

Gaat het om vastgoed in Nederland dan is voor de overdracht nodig:

2. Bevoegde rechter

Hoofdzakelijk aanknopingspunt voor de verwijzingsregels is de gewone verblijfplaats van de echtgenoten. Zo ook voor de verwijzingsregel voor de bevoegde rechter. Alleen maar in een uitzonderlijk geval is de rechter van de lidstaat waar het vastgoed is gelegen bevoegd, en dan ook uitsluitend ten aanzien van dat vastgoed (artikel 10 Verordening).

In geval van overlijden van een van de echtgenoten wordt aangeknoopt bij de rechter die bevoegd is te beslissen over de erfopvolging (artikel 4 Verordening). In het algemeen is dat de rechter van de lidstaat waar de erflater op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats had.

In geval van (echt)scheiding of nietigverklaring wordt aangeknoopt bij de rechter die bevoegd is daarover te beslissen (artikel 5 Verordening). In eerste instantie is dat de rechter van de lidstaat op het grondgebied waarvan de echtgenoten hun gewone verblijfplaats hebben.

In andere gevallen kunnen echtgenoten als zij dat willen, vastleggen welke rechter bevoegd is te beslissen in zaken die hun huwelijksvermogensstelsel betreffen (Forumkeuze, artikel 7 Verordening).

Zij kunnen kiezen voor:

Maar er kan dus niet gekozen worden voor de rechter van de lidstaat waar het vastgoed is gelegen.

3. Toepasselijk recht

Het recht dat op grond van de Verordening als toepasselijk recht wordt aangewezen, hoeft niet per se het recht van een lidstaat te zijn. Zo kan bijvoorbeeld het recht van de staat Brazilië van toepassing zijn (Universele toepassing, artikel 20 Verordening).

Mocht het recht van de staat Brazilië van toepassing zijn, dan geldt dat voor alle onder het huwelijksvermogensstelsel vallende vermogensbestanddelen, dus eveneens voor het vastgoed (Eenheid van het toepasselijke recht, artikel 21 Verordening). Voor vastgoed is het dus niet zo dat het huwelijksvermogensrecht van de plaats van ligging van toepassing is.

Rechtskeuze

Echtgenoten kunnen vastleggen welk recht van toepassing is op hun huwelijksvermogensstelsel (Rechtskeuze, artikel 22 Verordening). Dat kan zijn het recht van:

Echtgenoten kunnen kiezen of een wijziging in het toepasselijke recht alleen gevolgen heeft voor de toekomst of al geldt vanaf de begindatum van het huwelijk. In dat laatste geval blijven rechten van derden overeind staan. De notaris kan u daarover adviseren in uw geval. In de meeste gevallen is het nodig deze rechtskeuze in een notariële akte vast te leggen om ervoor te zorgen dat de keuze formeel geldig is. Bovendien heeft de notaris een adviserende rol.

Op basis van de Verordening kan er niet worden gekozen voor toepasselijkheid van het recht van ligging van het tot het huwelijksvermogen behorende vastgoed.

Overigens geldt de rechtskeuze voor het gehele huwelijksvermogen. Op basis van de Verordening kan men geen gedeeltelijke rechtskeuze maken.

Toepasselijk recht bij gebreke van een rechtskeuze

Hebben echtgenoten geen rechtskeuze gemaakt, dan is – in het kort – van toepassing het recht van:

Het valt buiten het bestek van dit artikel om de uitzonderingen hierop te vermelden.

Rechtsgevolgen ten aanzien van derden

In artikel 28 van de Verordening staat een uitgebreide regeling over de rechtsgevolgen ten aanzien van derden.

Mocht op een of andere manier het toepasselijke recht niet aan een derde kunnen worden tegengeworpen, dan worden de rechtsgevolgen van het huwelijksvermogensstelsel ten aanzien van de derde in het geval van vastgoed beheerst door het recht van de staat van ligging van het vastgoed.

Dit kan worden voorkomen door het huwelijksvermogensstelsel (indien de rechtsgevolgen door het recht van een andere staat worden beheerst) openbaar te maken of in te schrijven. Gaat het om een vastgoedtransactie dan moet dit gebeuren conform het recht van de staat waar het vastgoed is gelegen.

In Nederland vindt bekendmaking plaats via het huwelijksgoederenregister. Hier ligt een taak voor de Nederlandse notaris.

Bescherming echtelijke woning

Op basis van artikel 30 van de Verordening kan een lidstaat een bepaling van bijzonder dwingend recht aanwijzen die voorgaat op het bepaalde in de Verordening. In de overwegingen worden als voorbeeld genoemd voorschriften ter bescherming van de gezinswoning.

De Nederlandse wetgever heeft hier gebruik van gemaakt door aan artikel 1:88 Burgerlijk Wetboek een nieuw lid 7 toe te voegen:

“Dit artikel is van toepassing ongeacht het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensstelsel van de echtgenoten, indien de andere echtgenoot zijn gewone verblijfplaats heeft in Nederland ten tijde van het verrichten van een rechtshandeling, bedoeld in het eerste lid.”

Weliswaar is dit een voorrangsregel en gaat deze regel voor op het bepaalde in de Verordening, maar let op: er geldt ook Nederlands overgangsrecht. Op grond daarvan blijft het voorheen geldende Nederlandse IPR gelden voor huwelijken die tussen 1 september 1992 en 29 januari 2019 zijn gesloten, tenzij echtgenoten op of na 29 januari 2019 een rechtskeuze uitbrengen voor het toepasselijke huwelijksvermogensrecht.

De betreffende voorheen geldende Nederlandse IPR regel (vervallen artikel 10:40 Burgerlijk Wetboek) luidde:

“De vraag of een echtgenoot voor een rechtshandeling de toestemming van de andere echtgenoot behoeft, en zo ja, in welke vorm deze toestemming moet worden verleend, of zij kan worden vervangen door een beslissing van de rechter of een andere autoriteit, alsmede welke de gevolgen zijn van het ontbreken van deze toestemming, wordt beheerst door het recht van de staat waar de andere echtgenoot ten tijde van het verrichten van die rechtshandeling zijn gewone verblijfplaats heeft.”

Deze regel geldt ongeacht het recht dat het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten beheerst, en ongeacht het recht dat van toepassing is op de persoonlijke rechtsbetrekkingen tussen de echtgenoten.

4. Erkenning en uitvoerbaarheid van beslissingen

Hoofdregel is dat de in een lidstaat gegeven beslissing in een andere lidstaat wordt erkend zonder extra procedure.

Voor de uitvoerbaarheid daarvan in een andere lidstaat is wel een procedure van toepassing, die begint met indiening van een verzoek om een verklaring van uitvoerbaarheid bij het bevoegde gerecht dan wel de bevoegde instantie.

5. Authentieke akten

Hierboven onder 3. is vermeld dat het in de meeste gevallen nodig is een rechtskeuze in een notariële akte vast te leggen om ervoor te zorgen dat de keuze formeel geldig is.

Het is daarom goed te weten dat de Verordening bepaalt dat een in een lidstaat verleden authentieke akte in een andere lidstaat dezelfde bewijskracht heeft als in de lidstaat van oorsprong.

6. Algemene bepalingen en slotbepalingen

Aangesloten lidstaten hebben de verplichting om bepaalde gegevens over hun wetgeving en procedures inzake huwelijksvermogensstelsels mede te delen.

Op dit moment zijn onder meer de volgende websites beschikbaar voor het vinden van praktische informatie over koppels in de EU: “Your Europe > Citizens > Family > Couple” en “Koppels in Europa”.

7. Voorbeeld

Ter illustratie van hetgeen hiervoor is uiteengezet, volgt nu een voorbeeld.

Marie heeft de Duitse nationaliteit. Jean heeft de Belgische nationaliteit. Zij zijn 3 jaar geleden in Frankfurt getrouwd, waar zij ook een tijd hebben gewoond. Ze wonen en werken in Brussel. Ze wonen in hun koopappartement. Zij hebben geen huwelijkse voorwaarden gemaakt.

Nu heeft Marie een mooie positie aangeboden gekregen door haar werkgever. Daarvoor zal zij wel de komende paar jaar in Amsterdam worden gestationeerd. Zij zal doordeweeks in Amsterdam zijn en ’s weekends in Brussel. Ze heeft al zoveel mogelijk tickets voor de Thalys met vroegboekkorting geboekt.

Vooralsnog verblijft Marie doordeweeks in een hotel in Amsterdam, maar Marie en Jean overwegen een studio in Amsterdam te kopen. Ze denken dat dat ondanks de gekte op de huizenmarkt toch voordeliger is dan een studio huren.

Wat zijn voor hen de gevolgen van de Verordening?

Toepasselijk recht

Omdat Marie en Jean vóór inwerkingtreding van de Verordening zijn getrouwd, moet gekeken worden welke daarvóór geldende IPR-regels (verwijzingsregels) van toepassing zijn.

Op “Koppels in Europa” is te lezen dat voor huwelijken in Duitsland gesloten tot en met 28 januari 2019 de eigen internationale Duitse regels gelden. Bij afwezigheid van een rechtskeuze, is het gemeenschappelijk nationaal recht van de echtgenoten ten tijde van het huwelijk van toepassing. Indien de echtgenoten op dat moment niet dezelfde nationaliteit hebben, is het recht van het land waar zij gezamenlijk verblijven van toepassing.

Dat laatste geldt voor Marie en Jean. Duits recht is van toepassing op hun huwelijksvermogen.

Omdat zij geen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt, is het Duits wettelijk huwelijksvermogensstelsel van toepassing, te weten dat van gemeenschap van aanwinsten (‘Zugewinngemeinschaft’). Dit houdt in feite in een scheiding van goederen, maar indien de goederen van de echtgenoten tijdens het huwelijk zijn toegenomen, wordt er 50:50 verdeeld dan wel afgerekend bij de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel, bijvoorbeeld door overlijden of echtscheiding.

Het koopappartement is gezamenlijk aangekocht en verkregen en is door de gezamenlijke verkrijging gemeenschappelijk eigendom, niet door de ‘Zugewinngemeinschaft’.

Als Marie en Jean besluiten een rechtskeuze voor hun huwelijksvermogensstelsel uit te brengen, kan dat voor:

Overig

Voor de aankoop van de studio in Amsterdam moeten Marie en Jean naar een Nederlandse notaris. Die zal de akte van levering opmaken, en daarnaast is het in Amsterdam de praktijk dat de notaris ook de koopovereenkomst opstelt.

Verder is artikel 10:40 Burgerlijk Wetboek zoals dat voorheen gold, van toepassing.

Ervan uitgaande dat zowel Jean als Marie hun gewone verblijfplaats nog in België hebben, is Belgisch recht van toepassing op de vraag of de ene echtgenoot voor een rechtshandeling de toestemming van de andere echtgenoot nodig heeft. In dit geval verkrijgen zij de studio samen in eigendom, bezwaren zij deze samen met een recht van hypotheek en verlenen zij elkaar door die gezamenlijke rechtshandelingen al impliciet toestemming.

Ten slotte kan het zinvol zijn de Nederlandse notaris te vragen in het Nederlandse huwelijksgoederenregister in te schrijven dat het huwelijksvermogensregime niet wordt beheerst door het Nederlandse recht.

Indien het wetsvoorstel waarin wijziging van artikel 10:45 Burgerlijk Wetboek is meegenomen wet wordt, zal het ook mogelijk zijn het toepasselijke huwelijksvermogensstelsel van echtgenoten in het Nederlandse huwelijksgoederenregister in te schrijven. Koppels die na invoering daarvan gaan trouwen of het op hun huwelijksvermogensstelsel toepasselijke recht bepalen, kunnen zich dan ten opzichte van derden op dat toepasselijke huwelijksvermogensstelsel beroepen.

Heeft u vragen over dit onderwerp? Neem dan contact met mij op!

Michèle van Velzen, kandidaat-notaris

Click here for the English version

Cliquez ici pour le texte français.

Een rechtsvordering, bijvoorbeeld een vordering tot schadevergoeding, verjaart door het verloop van vijf jaren, te rekenen vanaf de dag na die waarop een benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de aansprakelijke persoon. In ieder geval, aldus artikel 3:310 Burgerlijk Wetboek (BW), verjaart een vordering twintig jaar na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt. De Hoge Raad heeft onlangs uitgelegd hoe deze regel moet worden gehanteerd bij schade door opstallen.

Wat was er aan de hand? Een parkeergarage had een Vereniging van Eigenaren (VvE) van een naastgelegen flatgebouw aansprakelijk gesteld voor schade aan een muur. De VvE had naast die muur een oprit aangelegd. Doordat geen grondkerende constructie was toegepast is de muur, onder invloed van rijbelasting, scheef komen te staan.

De VvE beriep zich op (zowel de ‘normale’ als) de ‘lange’ verjaringstermijn. Het gerechtshof kwam er niet uit. Volgens het hof was de schade niet ontstaan door de enkele aanleg van de oprit, ergens in 1974, maar door de aanwezigheid van een oprit zonder grondkerende voorziening én de gronddruk die door het gewicht en het gebruik van de oprit op de muur werd uitgeoefend. Een deskundige moest maar uitzoeken welk deel van de schade werd veroorzaakt door het gewicht en welk deel van de schade werd veroorzaakt door het gebruik van de oprit.

De Hoge Raad legt artikel 3:310 BW anders uit. Volgens de Raad heeft de wetgever met de schadeveroorzakende ‘gebeurtenis’ niet uitsluitend een handeling voor ogen gehad. De Hoge Raad overwoog verder dat een bezitter van een gebrekkige opstal die gevaar voor personen oplevert, aansprakelijk is als dat gevaar zich verwezenlijkt. Daar is niet per se een handelen van een persoon voor nodig, een bouwval kan ook ‘gewoon’, zonder actief handelen, instorten. Anders gezegd is die aansprakelijkheid (voor opstallen) gekoppeld aan een (schadeveroorzakende) toestand.

Een schadeveroorzakende toestand, zoals in deze kwestie, heeft een voortdurend karakter. De schade kan dus niet worden herleid tot één moment en dus ook niet tot een aanvangstijdstip. En dat, een objectief tijdstip, is voor verjaring juist essentieel. Om die reden moet volgens de Hoge Raad worden aangenomen dat de termijn van twintig jaar begint te lopen zodra de ‘gebeurtenis’ waardoor de schade is veroorzaakt, ophoudt te bestaan.

Een vordering tot schadevergoeding in een situatie als deze kan dus op een veel later moment verjaren dan eerder op grond van de wettelijke regeling mocht worden aangenomen.

Per van der Kooi

Advocaat bouw- en vastgoedrecht