Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu

Het renoveren van een woning is ingrijpend. Zó ingrijpend, dat het regelmatig voorkomt dat een huurder tijdelijk naar een andere woning moet verhuizen. Nadat de renovatiewerkzaamheden zijn afgerond, kan de huurder weer terugkeren in de eigen woning. Het voordeel is in dat geval dat de woning – als het goed is – een flinke ‘upgrade’ heeft gekregen. De wet schrijft voor dat een huurder bij renovatie recht heeft op een verhuiskostenvergoeding, wanneer een tijdelijke verhuizing naar een andere woning noodzakelijk is. Aan deze regel zitten echter haken en ogen; een huurder heeft niet altijd recht op de verhuiskostenvergoeding. Hoe dat precies zit wordt in deze blog uitgelegd.

Dringende werkzaamheden of renovatie?

In een eerdere blog beantwoordde ik vijf belangrijke vragen over renovatie die in de praktijk regelmatig voorbijkomen. Daarin beschreef ik onder meer dat werkzaamheden aan een woning uiteen kunnen vallen in twee categorieën:

Het verschil tussen deze werkzaamheden lijkt op het eerste oog misschien niet groot, maar het verschil in juridische betekenis is aanzienlijk. Dat geldt onder meer voor de verschuldigdheid van een verhuiskostenvergoeding.

De wet verstaat onder renovatie: “zowel sloop met vervangende nieuwbouw als gedeeltelijke vernieuwing door verandering of toevoeging”. Indien de renovatiewerkzaamheden tijdelijke verhuizing van de huurder noodzakelijk maken, is de verhuurder aan deze huurder een verhuiskostenvergoeding verschuldigd. Daarmee komt de verhuurder tegemoet aan de kosten die de huurder moet maken voor de tijdelijke verhuizing. Dat lijkt misschien simpel en vanzelfsprekend, maar dat is het zeker niet altijd.

Gecombineerde werkzaamheden

Allereerst is het van belang om onderscheid te maken tussen de eerdergenoemde dringende werkzaamheden en renovatie. In de praktijk worden renovatiewerkzaamheden bijvoorbeeld nogal eens gecombineerd met dringende werkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden. Vaak worden de totale werkzaamheden dan gemakshalve aangeduid als ‘groot onderhoud’. In dat geval is de verhuiskostenvergoeding slechts verschuldigd indien de voor de renovatie nodige werkzaamheden – los van de overige werkzaamheden – het noodzakelijk maken dat de huurder verhuist. Deze vuistregel vloeit onder meer voort uit een uitspraak van de Hoge Raad in 2016.

Wanneer is er sprake van verhuizing?

De verhuiskostenvergoeding is dus slechts verschuldigd voor zover sprake is van renovatiewerkzaamheden. Daarnaast kan echter ook discussie bestaan over de betekenis van het begrip ‘verhuizing’. Is immers geen sprake van een verhuizing in de zin van de wet, dan bestaat voor de huurder ook geen recht op een verhuiskostenvergoeding. In de rechtspraak bestaat verdeeldheid over wat wel en niet onder het begrip ‘verhuizing’ valt. Er bestaan grofweg twee opvattingen:

  1. Van verhuizing is wel sprake wanneer je je inboedel en huisraad niet naar een andere woning verplaatst, en daarnaast geen daadwerkelijke verhuiskosten maakt;
  2. Van verhuizing is geen sprake wanneer je je inboedel en huisraad niet naar een andere woning verplaatst, en daarnaast geen daadwerkelijke verhuiskosten maakt.

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden interpreteert het begrip ‘verhuizing’ volgens de eerste opvatting, terwijl het gerechtshof Den Haag juist de twee opvatting erop nahoudt.

In beide rechtszaken waar de gerechtshoven over kwamen te beslissen, was sprake van een huurder die tijdelijk naar een volledig gestoffeerde woning verhuisde, zodat er als het ware sprake was van het tijdelijk ‘logeren’ in een andere woning. Van gemaakte verhuiskosten was niet of nauwelijks sprake.

Het hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat er gewoon kon worden gesproken van een ‘verhuizing’ in de zin van de wet. Daarmee bestond voor de huurder een aanspraak op de verhuiskostenvergoeding. De overweging van het hof:

“Dat de huurder nauwelijks of geen kosten wegens verhuizing van inboedel en/of (her)inrichting van de tijdelijke of gerenoveerde woning heeft gemaakt, is voor het bestaan van die aanspraak niet van belang.”

Het hof Den Haag redeneerde juist de andere kant op en overwoog het volgende:

“Tevens is het hof van oordeel dat in dit geval geen sprake is geweest van een verhuizing in de zin van artikel 7:220 lid 5 BW. Vast staat immers dat [appellant] de huisraad voor zijn huishouding niet naar een andere woning heeft verplaatst, noch (her)inrichtingskosten heeft gemaakt.”

Het verlossende woord

Het is opvallend dat twee gerechtshoven het wettelijke begrip ‘verhuizing’ verschillend interpreteren. Verhuurders en huurders worden daardoor geconfronteerd met rechtsonzekerheid; of een verhuiskostenvergoeding is verschuldigd, lijkt voorlopig sterk afhankelijk te zijn van de situatie – en ook nog eens van het gerechtshof waar het geschil aanhangig is. Duidelijk is dat het laatste woord over de verhuiskostenvergoeding nog niet is gezegd. Het is wachten op een interpretatie van de Hoge Raad, die voor eens en altijd zal moeten beslissen over het wat en wanneer inzake de verschuldigdheid van de verhuiskostenvergoeding.

Voor meer vragen over dit onderwerp kunt u contact opnemen met Alwin Farahani of één van onze andere specialisten van het team Vastgoed, Overheid & Notariaat.

Is de huur van een glasvezelnetwerk door een gemeente aanbestedingsplichtig? De gemeente meende van niet.

Voor dat standpunt van de gemeente valt op het eerste gezicht iets te zeggen. Immers, de Aanbestedingswet bepaalt in artikel 2.24 sub b dat diensten betreffende de huur van grond, bestaande gebouwen of andere roerende zaken niet Europees aanbestedingsplichtig zijn. De gemeente stelde dat een glasvezelnetwerk zo een ‘andere onroerende zaak’ is en dat het een huurovereenkomst betrof. Alles wat in de grond zit is immers een onroerende zaak, toch?

De klagende partij stelde dat het eigenlijk geen onroerende zaak of huurovereenkomst betrof, maar dat het feitelijk ging om de inkoop van connectiviteit en (de mogelijkheid tot) dataverkeer. Wat is juist?

De rechter oordeelt dat niet van belang is of een glasvezelnetwerk, volgens Nederlands recht, wel of geen onroerende zaak is. Relevant is slechts of een glasvezelnetwerk een onroerende zaak is in de zin van de Aanbestedingsrichtlijn (of andere Europese richtlijnen). De rechter overweegt dat het niet gaat om in de grond liggende mantelbuizen, maar om losse glasvezelkabels die in die mantelbuizen liggen. Die kabels kunnen – anders dan de mantelbuizen – wel eenvoudig worden verwijderd en vervangen. Het betreft daarom geen huur van een onroerende zaak, maar een opdracht tot levering. De opdracht is dus aanbestedingsplichtig. De gemeente moest alsnog aanbesteden.

Deze zaak doet denken aan een uitspraak van het Europese Hof uit 2014 waarin is geoordeeld dat de benaming van een overeenkomst niet doorslaggevend is. Het gaat uiteindelijk om het onderwerp van de overeenkomst. De blog daarover leest u hier (klik).

Menno de Wijs, advocaat

Naar verwachting treden de Omgevingswet en de Wet Kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) op 1 januari 2022 in werking. Met die wetten moet evenwel ook nu al rekening worden gehouden. Sommige regels daaruit gelden namelijk zodra de wet in werking treedt, ook als de bouw vóór de inwerkingtreding van de wet is aangevangen. Bijvoorbeeld regels omtrent de waarschuwingsplicht en het opleverdossier. Zie daarover een eerdere blog van mijn hand.

Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft vandaag, 7 januari 2021, het schema ‘Bouwen onder de Omgevingswet en Kwaliteitsborging’ gepubliceerd. In dit schema zijn de stappen weergegeven die de verschillende partijen in een bouwproces; de opdrachtgever, de architect, de aannemer, de kwaliteitsborger en de gemeente ieder bij het bouwen onder de Omgevingswet en Kwaliteitsborging moeten doorlopen – en in welke volgorde.

Het schema gaat uit van een regulier bouwproject, waarbij de opdrachtgever een ontwerp laat maken door een architect en het werk vervolgens aan een aannemer opdraagt. Bij andere samenwerkingsvormen, zoals bijvoorbeeld een bouwteam, moeten dezelfde stappen worden doorlopen, maar mogelijk dan door een andere bij de bouw betrokken partij.

Per van der Kooi

Advocaat vastgoed- en huurrecht

Voor onze informatieve website www.monumentenrecht.com schreef ik een bijdrage over de last onder dwangsom en bestuursdwang. Dit zijn middelen die de gemeente kan toepassen als een monument (illegaal) wordt gewijzigd, zonder de vereiste omgevingsvergunning. De gemeente verwacht doorgaans dat het monument weer wordt teruggebracht in oorspronkelijke staat.

 

Lees hier over de last onder dwangsom en bestuursdwang.

 

Heeft u vragen over de last onder dwangsom of bestuursdwang? Neemt u gerust vrijblijvend contact op!

 

Vincent Stavleu, advocaat monumentenrecht

Overheidsinstanties sturen voor de aanvraag van een omgevingsvergunning doorgaans aan op het informeel vooroverleg. In de praktijk blijkt dit vooroverleg niet altijd het gewenste resultaat te hebben. Wel kost het vaak veel tijd en levert het vertraging op. Veelal vraagt men zich af wat de status van het vooroverleg is en of het wel nuttig is. En, wat te doen als het vooroverleg niet tot het gewenste resultaat leidt?

 

Klik hier om verder te lezen over het informeel vooroverleg.

 

Loopt u vast in het vooroverleg of heeft u vragen over bezwaar of beroep? Bel gerust eens om vrijblijvend te sparren!

 

Vincent Stavleu, advocaat monumentenrecht

Sinds het coronavirus in Nederland zijn intrede heeft gedaan, brengen mensen veel tijd thuis door. Vakanties of uitstapjes zijn er voorlopig niet of nauwelijks bij. Door het vele thuiszitten gaan veel Nederlanders aan de slag met het opknappen of verduurzamen van hun woning. Zo worden de laatste tijd veel zonnepanelen aangelegd. Ook het realiseren van bijvoorbeeld een dakopbouw is de laatste jaren populair onder woningeigenaren. Tegelijkertijd valt een dakopbouw niet altijd in goede aarde bij de buren. Kwaadwillende buren zouden met een beroep op onrechtmatige hinder kunnen stellen dat zij schade lijden door de aanleg van de dakopbouw. In dat verband rijst de vraag of de woningeigenaar aansprakelijk kan worden gehouden voor eventuele schade van de buren.

Vergund, maar toch onrechtmatig?

We borduren voort op het voorbeeld van de dakopbouw. Voor een dakopbouw moet in de regel een omgevingsvergunning worden aangevraagd bij de gemeente. Als de vergunning wordt verleend, heeft de aanvrager in beginsel groen licht om het bouwwerk te realiseren. Daarmee lijkt de kous op het eerste oog misschien af, maar toch liggen er nog verschillende risico’s op de loer. Een vergunning alleen is vaak nog niet voldoende om te kunnen starten met de bouw.

Toestemming VvE

Allereerst moet voor de aanleg van een dakopbouw doorgaans toestemming worden gegeven door de Vereniging van Eigenaars (VvE). Ontbreekt toestemming, maar wordt de dakopbouw toch gerealiseerd, kan de VvE bij de rechter verwijdering van het bouwwerk vorderen. Om dat te voorkomen, is het zaak om de VvE tijdig op de hoogte te stellen van de bouwplannen en om instemming te verzoeken.

Onrechtmatige hinder

In de tweede plaats kan een dakopbouw schade toebrengen aan één van de (directe) buren. Zelfs wanneer het bouwwerk is gebouwd in overeenstemming met de verleende omgevingsvergunning. Het is in Nederland sinds 1972 vaste rechtspraak dat een vergunning niet vrijwaart tegen aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. Met andere woorden: de woningeigenaar kan van de gemeente een vergunning krijgen, maar alsnog onrechtmatig handelen jegens een derde – bijvoorbeeld de buurman.

Denk hierbij bijvoorbeeld aan de zonnepanelen van de buren. De dakopbouw werpt mogelijk een schaduw op de zonnepanelen, waardoor de buren worden geconfronteerd met een lagere energieopbrengst. Deze buren zouden vervolgens kunnen stellen dat zij door de dakopbouw financieel nadeel ondervinden, en de woningeigenaar op grond van onrechtmatige hinder aansprakelijk stellen voor hun schade.

Volgens een uitspraak van de rechtbank Amsterdam uit 2014 valt echter niet iedere vorm van hinder aan te merken als onrechtmatig:

“De rechtbank stelt voorop dat het antwoord op de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is (daargelaten de betekenis van ter zake geldende specifieke wettelijke regels), afhangt van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor aangebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waarbij onder meer rekening moet worden gehouden met het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit worden gediend, en de mogelijkheid – mede gelet op de daaraan verbonden kosten – en de bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te treffen.”

Kortom, het ondervinden van hinder alleen is niet zonder meer onrechtmatig. Of hiervan sprake is, is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval en de ernst van de hinder. Dat blijkt ook uit een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden uit 2017, waarin het hof oordeelde dat een verminderde energieopbrengst van de zonnepanelen door schaduwvorming niet zó ernstig is, dat daarmee zonder meer sprake zou zijn van onrechtmatige hinder.

Voorkomen is beter dan genezen

Om juridische conflicten te voorkomen, is het raadzaam om vooraf met de buren en de VvE in overleg te treden over de voorgenomen bouwplannen. Ten eerste omdat de Vereniging van Eigenaars moet instemmen met de bouwplannen, en ten tweede omdat een buurman uit onverwachte hoek anders wellicht zijn schade komt verhalen. Liever een zorgvuldig traject vooraf, dan strijd in de rechtszaal achteraf.

Voor meer vragen over dit onderwerp kunt u contact opnemen met Alwin Farahani of één van onze andere specialisten van het team Vastgoed, Overheid & Notariaat.

Het renoveren van een woning heeft veel voeten in de aarde. Zowel bouwkundig als financieel komt er veel bij kijken. Bij een renovatie zijn echter ook belangrijke juridische aspecten waarmee rekening moet worden gehouden. Met name wanneer sprake is van een renovatie die betrekking heeft op verschillende woningen, en dus meerdere huurders treft. Voordat met de renovatie wordt begonnen, moet in kaart zijn gebracht wat de juridische (on)mogelijkheden zijn vóór, tijdens en na de renovatie. In deze blog komen vijf belangrijke vragen uit de praktijk aan bod.

1. Is er een verschil tussen (groot)onderhoud en renovatie?

Ja. De vraag of in een concreet geval sprake is van renovatie vergt een beoordeling van de omstandigheden van het geval. De belangrijkste vraag die in dat verband moet worden gesteld is de volgende: is er sprake van een vergroting van het woongenot? Kan deze vraag bevestigend worden beantwoord, dan is waarschijnlijk sprake van renovatie. In de praktijk blijkt het antwoord op deze vraag echter niet altijd even simpel. Zo oordeelde het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch in 2017 dat geen sprake is van renovatie als de keuken, het sanitair en de tegels van de badkamer en het toilet op een reguliere wijze worden vervangen zonder bijzondere toevoegingen. Het woongenot wordt met de vervanging niet vergroot. Er is in dat geval sprake van onderhoud waarbij ‘nieuw voor oud’ plaatsvindt, wat eens in de zoveel jaren nodig is bij gewoon gebruik. Voor de kwalificatie ‘renovatie’ moet echt sprake zijn van een duidelijke vergroting van het woongenot. De vraag of sprake is van renovatie, blijkt dus niet zo eenvoudig te beantwoorden als het op het eerste oog lijkt.

2. Is het toegestaan om de huur na de renovatie te verhogen?

Ja, het is toegestaan om de huur na de renovatie te verhogen. Om dat te kunnen doen, moet wel zijn voldaan aan een aantal cumulatieve voorwaarden:

 

 

3. Mogen de huurders een huurverhoging weigeren?

Ja, zij het niet onvoorwaardelijk. Wanneer de huurders niet akkoord zijn met de huurverhoging als gevolg van de renovatie, kunnen zij binnen drie maanden na de totstandkoming van de renovatiewerkzaamheden de Huurcommissie vragen hierover uitspraak te doen. Stelt de Huurcommissie vast dat de huurverhoging redelijk is, dan zal de huurder de verhoging moeten accepteren.

4. Mag de huurverhoging voor alle huurders worden doorgevoerd, of moeten hier individuele afspraken over worden gemaakt?

De huurverhoging mag worden doorgevoerd in al die gevallen waarin sprake is van renovatie (toename van het woongenot). Of voor iedere woning dezelfde huurverhoging kan worden doorgevoerd is afhankelijk van de per woning uitgevoerde renovatiewerkzaamheden en de huurprijsgrens (puntenmaximum) per woning.

De verhuurder ontkomt er dus niet aan om per woning de maximale huurverhoging te berekenen aan de hand van het puntenstelsel. De huurverhoging kan vervolgens op grond van de wet worden doorgevoerd. Er hoeven dus in principe geen aparte afspraken met de individuele huurders te worden gemaakt. Wel zullen de huurders afzonderlijk moeten worden geïnformeerd over de voorgenomen verhoging, afgestemd op hun individuele situatie.

5. Moeten er na de renovatie nieuwe huurovereenkomsten worden gesloten?

In principe niet. Wanneer de verhuurder niet de intentie heeft de huurovereenkomsten vanwege de renovatie op te zeggen, hoeven na afronding van de renovatiewerkzaamheden ook geen nieuwe huurovereenkomsten te worden gesloten. De oude huurovereenkomsten kunnen gewoon worden voortgezet. Wel is van belang dat aan de huurders, voorafgaand aan de renovatiewerkzaamheden, een renovatievoorstel wordt gedaan, waarin ook de te verwachten huurverhoging is opgenomen.

Een goede voorbereiding is het halve werk

Aan renovatie zitten veel juridische haken en ogen. Het voorgaande is slechts een greep uit de vragen waarmee een verhuurder bij renovatie wordt geconfronteerd. Het is van belang om de juridische (on)mogelijkheden zo goed mogelijk vooraf in kaart te brengen, om problemen tijdens de renovatie (en achteraf) te voorkomen. Hier geldt dat een goed begin het halve werk is. Wie zorgvuldig is in de voorbereiding, plukt daarvan later de vruchten.

Voor meer vragen over dit onderwerp kunt u contact opnemen met Alwin Farahani of één van onze andere specialisten van het team Vastgoed, Overheid & Notariaat.

Met uw monument krijgt u te maken met een veelheid aan regels. Sommige regels geven u juist bepaalde rechten. Ook leggen andere regels u de nodige verplichtingen op. Waar u als eigenaar van een monument rekening mee moet houden leest u hier.

 

Het begint met de aanwijzing van een object als gemeentelijk of rijksmonument. Op gemeentelijke monumenten zijn andere regels van toepassing dan op rijksmonumenten. Los daarvan heeft u in veruit de meeste gevallen te maken met de gemeente waar het monument is gevestigd. Die gemeente is uw aanspreekpunt en houdt toezicht op de bescherming van uw monument. Zodra het object is aangewezen als monument zijn onder andere de Erfgoedwet, de Monumentenwet 1988, de komende Omgevingswet en soms ook de Wet algemene bepaling omgevingsrecht van toepassing. Ook kent iedere gemeente – in geval van een gemeentelijk monument – een eigen Erfgoed- of Monumentenverordening.

 

Hoe het precies zit met de regels over uw monument leest u in mijn verschillende blogs:

 

Heeft u na het lezen van deze blogs nog geen antwoord op uw vragen of wilt u advies over uw monument? Neemt u dan gerust contact met ons op!

 

Vincent Stavleu, advocaat monumentenrecht

Wanneer twee partijen een overeenkomst sluiten, zijn zij verplicht hun contractuele verplichtingen na te komen. Het (juist) nakomen van de contractuele verplichtingen gaat in de praktijk nogal eens mis. In aannemingsgeschillen staat regelmatig ter discussie of sprake is van een gebrek in het afgeleverde werk. Eerder schreef ik al over het afleveren van ‘goed en deugdelijk werk’ en wat hieronder wordt verstaan. Wat gebeurt er als de discussie over een gebrek überhaupt niet plaatsvindt? Wat als de opdrachtgever zich pas na maanden (of zelfs jaren) bij de aannemer beklaagt over een gebrek in het werk? Voldoet de opdrachtgever dan nog wel aan zijn klachtplicht?

Oplevering van het werk

In zijn algemeenheid geldt dat de opdrachtgever voorafgaand aan de oplevering van het werk eventuele opleverpunten moet melden bij de aannemer. De aannemer moet vervolgens met de opleverpunten aan de slag en deze verhelpen. Na aanvaarding door de opdrachtgever wordt het werk als opgeleverd beschouwd.

Het komt soms voor dat bepaalde gebreken zich pas (enige tijd) na de oplevering openbaren. Ondanks het feit dat de oplevering al heeft plaatsgevonden, kan de aannemer hiervoor onder omstandigheden aansprakelijk worden gehouden. In dat geval moet de opdrachtgever hierover zijn beklag doen bij de aannemer. De aannemer dient vervolgens een redelijke termijn te krijgen om de gebreken te herstellen.

Wettelijke klachtplicht

Voor de aannemer is het onaangenaam wanneer de opdrachtgever zich lange tijd na oplevering nog meldt met een gebrek in het werk. In die situatie kan het oneerlijk voelen als de opdrachtgever nog begint te protesteren over de ondeugdelijkheid van het werk. Vooral als het gestelde gebrek wellicht al langere tijd bestaat.

De wet voorziet in een regeling die de aannemer meer zekerheid biedt. Op de opdrachtgever rust na oplevering een klachtplicht. Deze klachtplicht houdt in dat de opdrachtgever binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt, of redelijkerwijze had moeten ontdekken, moet klagen over een gebrek in de prestatie. Doet de opdrachtgever dit niet, dan kan hij op het gebrek in het werk geen beroep meer doen. Met andere woorden: zijn rechten komen te vervallen. De opdrachtgever kan de aannemer in dat geval niet verplichten het gebrek alsnog te herstellen.

‘Binnen bekwame tijd’

De vraag die direct rijst, is wat kan worden verstaan onder klagen ‘binnen bekwame tijd’. Het antwoord op deze vraag is sterk afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. In zijn algemeenheid kan wel worden gezegd dat in de bouwpraktijk een lange periode niet ongebruikelijk is. In veel gevallen moet immers een onafhankelijke deskundige worden ingeschakeld om de mogelijke gebreken te onderzoeken.

Contractuele afwijkingen

Van de wettelijke klachtplicht kan worden afgeweken. Partijen kunnen in de overeenkomst of de algemene voorwaarden dus voor een afwijkende regeling kiezen. De klachtplicht kan met een specifieke termijn worden afgekaderd, of juist ten gunste van de opdrachtgever worden verruimd. Wees daarom alert bij het maken van afspraken over de klachtplicht en de vervaltermijnen.

Tot slot

Voor de klachtplicht bestaat geen algemene termijn waarmee rekening kan worden gehouden. Desondanks is het als aannemer goed om in het achterhoofd te houden dat een opdrachtgever niet zonder meer over gebreken kan protesteren, wanneer de oplevering langere tijd geleden heeft plaatsgevonden. Meldt een opdrachtgever zich na een paar jaar met een gebrek, dan kan hem mogelijk worden verweten dat hij zijn beklag te laat doet. Met name indien hij al langere tijd bekend is met het gebrek. Heeft de opdrachtgever niet tijdig geklaagd, dan kan er van de aannemer niets meer worden gevraagd.

Voor meer vragen over dit onderwerp kunt u contact opnemen met Alwin Farahani of één van onze andere specialisten van het team Vastgoed, Overheid & Notariaat.

Wordt uw object door de gemeente aangewezen als gemeentelijk monument? En, heeft u goede redenen om die aanwijzing tegen te gaan? Dan heeft u maar één kans om die aanwijzing aan te vechten. Via de zienswijze naar de bezwaarprocedure, gevolgd door het beroep en hoger beroep. In het volgende blog leest u hoe deze procedure er precies uitziet.

 

Lees hier meer over de rechtsmiddelen tegen een (voorgenomen) aanwijzing van uw object als monument.

 

Heeft u vragen over de aanwijzing of wijziging van uw gemeentelijk- of rijksmonument? Neemt u dan gerust contact met ons op. Wij adviseren u over de (on)mogelijkheden van uw monument.

Vincent Stavleu, advocaat monumentenrecht