Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu

De invoering van de Omgevingswet is op de lange baan geschoven. Dat heeft minister voor Milieu en Wonen Stientje van Veldhoven op 1 april in een brief aan de Eerste en Tweede Kamer laten weten. De perikelen rondom het coronavirus zorgen voor vertraging in de implementatie van de wet. Daardoor zal inwerkingtreding noodgedwongen op een later tijdstip plaatsvinden dan 1 januari 2021.

Coronamaatregelen

Minister Van Veldhoven spreekt in haar brief de verwachting uit dat de coronamaatregelen effect zullen hebben op de voortgang van de implementatie van de Omgevingswet. De maatregelen grijpen volgens de minister diep in op het dagelijks leven, waarmee burgers en beleidsmakers op dit moment logischerwijs andere zorgen en prioriteiten hebben. Om de datum van 1 januari 2021 te kunnen halen, stonden de beleidsmakers toch al voor een ‘stevige uitdaging’, maar de maatregelen rondom het coronavirus hebben nu dus definitief geleid tot uitstel.

De minister zegt in haar brief aan de Eerste en Tweede Kamer het volgende:

“Ook andere ontwikkelingen zoals de vertraging rondom het beschikbaar komen van de standaard voor publicatie van omgevingsdocumenten, de verwerving van lokale software en voortgang van de behandeling van de wetgeving geven aanleiding om de beoogde inwerkingtredingsdatum te heroverwegen. Gecombineerd met de extra inspanningen en aanpassingen in het dagelijkse werk die de gevolgen van de bestrijding van het Coronavirus van provincies, gemeenten en waterschappen vragen, zie ik op dit moment de haalbaarheid van 1 januari 2021 in het geding komen. De samenloop van de grote inzet die nodig is om de Omgevingswet te implementeren met het coronavirus maakt dat ik nu een duidelijk signaal wil geven om niet vast te houden aan de voorgenomen invoeringsdatum, zodat bevoegd gezagen zich nu eerst kunnen richten op wat het belangrijkste is: het bestrijden van de gevolgen van corona.”

 

Uitstel, maar geen afstel

Minister Van Veldhoven geeft aan dat zij samen met de bestuurlijke partners gaat bezien hoe lang de inwerkingtreding moet worden uitgesteld. Van afstel zal volgens haar in ieder geval géén sprake zijn. Het is nog niet duidelijk wanneer de nieuwe inwerkingtredingsdatum bekend zal zijn.

Voor meer informatie over dit onderwerp kunt u contact opnemen met Alwin Farahani of één van onze andere specialisten van het team Vastgoed, Overheid & Notariaat.

Naar aanleiding van de uitbraak van het coronavirus zijn door het kabinet toezeggingen gedaan over uitstel van betaling van rijksbelastingen door ondernemers. Ook lokale overheden is verzocht bij het betalen van de belastingen door ondernemers coulance te betrachten.

De Gemeente Leiden int de onroerende zaakbelasting via de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland (BSGR).

De BSGR heeft besloten om ondernemers, op eigen verzoek, uitstel van betaling te verlenen tot 31 augustus 2020. Uitstel van betaling wordt dus niet automatisch verleend, u moet dat zelf aanvragen. Dat kan via dit contactformulier .

Heeft u een verzoek tot uitstel ingediend en is er toch via de automatische incasso een termijn geïncasseerd, dan kunt u contact opnemen met de BSGR (071- 525 6200)

Per van der Kooi, Advocaat vastgoed- en huurrecht


Blogserie ‘De juridische gevolgen van het coronavirus’

Wilt u meer informatie over de juridische gevolgen van het coronavirus? Onze specialisten volgen de ontwikkelingen op de voet en houden u via kennisblogs steeds op de hoogte. Alle relevante informatie op het gebied van Arbeidsrecht, Medezeggenschapsrecht, Ondernemingsrecht en IT, IE & Privacy leest u in onze uitgebreide blogserie ‘De juridische gevolgen van het coronavirus’. Bij nieuwe ontwikkelingen wordt deze uiteraard steeds direct aangevuld. Voor een overzicht van alle blogs in deze blogserie, klik hier.

Juridische Corona Helpdesk

De gevolgen van het Coronavirus (COVID-19) zijn immens. De maatschappelijke impact is nog niet te overzien. Wat betekent dat voor uw onderneming of organisatie? Met het oog op al uw vragen en vanuit een integrale aanpak vanuit al onze teams opent De Clercq een Juridische Corona Helpdesk. Onze specialisten zijn per direct 24/7 bereikbaar voor al uw vragen. Chat live of ontvang een kort advies per mail. Meer info? Klik hier!

De woningmarkt is oververhit. Woningzoekenden moeten zich – met name in de Randstad – in allerlei bochten wringen om een huis te vinden. Bezichtigingen zijn drukbezocht en biedingen worden in groten getale bij verkopende partijen neergelegd. Woningzoekenden moeten steeds weer op zoek naar nieuwe manieren om concurrenten de loef af te steken. Aankoopmakelaars worden in de arm genomen, er wordt ver boven de vraagprijs geboden, financiële voorbehouden worden achterwege gelaten… alles wordt in het werk gesteld om de verkoper zover te krijgen niet met concurrenten in zee te gaan. Uiteindelijk is daar dan het moment: de verkoper gaat mondeling akkoord met de gestelde voorwaarden in het bod. Dan is er natuurlijk een deal tot stand gekomen. Of toch niet?

Verkopersmarkt

De hiervoor geschetste onderhandelingsstrategieën zijn allesbehalve zeldzaam. Woningzoekenden moeten zich onderscheiden om een huis ‘gegund’ te krijgen. In de praktijk komt het regelmatig voor dat de verkoper mondeling akkoord gaat met een bod van een potentiële koper, maar dat vóór de ondertekening van de koopakte een aantrekkelijker bod door een andere partij wordt neergelegd. De verkoper wordt daarmee geconfronteerd met een lastige situatie waarin hij moet kiezen tussen een meer integere beslissing of een meer zakelijke beslissing. Regelmatig kiest de verkoper voor het laatstgenoemde, om vervolgens het mondelinge akkoord met de initiële koper te herroepen. De gedupeerde koper zal vervolgens stellen dat een overeenkomst tot stand is gekomen, met de mededeling dat ook een mondeling akkoord tussen partijen rechtsgeldig is. Met het herroepen van het akkoord en het kiezen voor een ander bod pleegt de verkoper in de ogen van de koper contractbreuk.

Schriftelijkheidsvereiste

Hoe onrechtvaardig het voor de gedupeerde koper ook kan voelen; bij de verkoop van een woning tussen twee particuliere consumentenpartijen is een mondeling akkoord niet bindend. Om een rechtsgeldige overeenkomst tussen deze partijen tot stand te laten komen, moet sprake zijn van een ondertekende koopakte. Een mondeling akkoord is onvoldoende. Dit leerstuk wordt het schriftelijkheidsvereiste genoemd.

Professionele partijen

Het schriftelijkheidsvereiste kan door een partij niet worden ingeroepen wanneer de desbetreffende partij een professionele (ver)koper is. Een beroepsmatig handelend verkoper is dus gebonden aan een mondeling akkoord. Andersom geldt ook dat een beroepsmatig handelend koper is gebonden aan een mondeling akkoord. Het schriftelijkheidsvereiste geldt daarmee in beginsel alleen voor consumentenpartijen. Wanneer de koper een professionele partij is, maar de verkoper niet, kan het schriftelijkheidsvereiste door de verkoper echter ook niet worden ingeroepen (ECLI:NL:RBAMS:2019:1691).

De verlossende handtekening

Wanneer je als koper met de verkoper een mondeling akkoord hebt bereikt, is het dus te voorbarig om de champagne al koud te zetten. Met name in de huidige woningmarkt is het zaak om het akkoord eerst te formaliseren met het opmaken en ondertekenen van de koopakte. Vanzelfsprekend dient dit, ondanks de gretigheid die wellicht kan bestaan bij de koper, niet te overhaast te gebeuren. Dat neemt niet dat weg dat, tot het moment van ondertekenen, er mogelijk nog altijd kapers op de kust liggen…

Voor meer informatie over dit onderwerp kunt u contact opnemen met Alwin Farahani of één van onze andere specialisten van het team Vastgoed, Overheid & Notariaat.

De invoering van de Omgevingswet duurt niet lang meer en heeft ook gevolgen voor de eigenaar van een monument. Naar verluidt treedt de Omgevingswet op 1 januari 2021 in werking. Dit heeft óók gevolgen voor de vergunningsprocedure rond het wijzigen van een Rijksmonument of gemeentelijk monument. De procedure naar aanleiding van een omgevingsvergunning zal daarop worden aangepast. De Omgevingswet reguleert de wijziging van een Rijksmonument en het Omgevingsplan van de betreffende gemeente zal handvatten geven voor de bescherming van het gemeentelijk monument.

 

Klik hier om verder te lezen.

 

Voor meer informatie over monumentenrecht kunt u terecht bij Vincent Stavleu.

Op 14 mei 2019, na jaren van voorbereiding, was dan eindelijk de kogel door kerk: de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) werd door de Eerste Kamer aangenomen. Op 1 januari 2021 zal de nieuwe wet, naar alle waarschijnlijkheid, in werking treden. De Wkb zal grote impact hebben voor de bouwpraktijk, met name voor aannemers. Om aannemers zo goed mogelijk voor te bereiden op de nieuwe praktijk, zullen wij gedurende dit jaar in een blogserie de implicaties van de Wkb behandelen. In een eerdere blog schreven wij, als eerste kennismaking, al over de nieuwe wetgeving. In deze blog zullen de doelstellingen van de Wkb worden uitgelicht.

Drie pijlers

Met de invoering van de Wkb worden drie belangrijke doelstellingen nagestreefd:

Verbeteren (borging) bouwkwaliteit

In de eerste plaats beoogt de Wkb de borging van de bouwkwaliteit te verbeteren. Deze doelstelling wordt verwezenlijkt door bouwplannen voorafgaand aan de bouw niet meer alleen door de gemeente te laten toetsen. In plaats daarvan zullen de private kwaliteitsborgers tijdens de realisatie van bouwprojecten een vinger aan de pols houden. Op deze manier kan worden gewaarborgd dat, gedurende de bouw, aan de bouwtechnische voorschriften wordt voldaan. Daarnaast moet de kwaliteitsborger bij oplevering een positieve verklaring afgeven, wanneer hij van oordeel is dat het bouwwerk aan alle kwaliteitsvoorschriften voldoet. Deze maatregelen zouden ertoe moeten leiden dat de bouwkwaliteit wordt gewaarborgd.

Verbetering positie consument

De tweede doelstelling van de Wkb is om de privaatrechtelijke positie van de bouwconsument ten opzichte van de aannemer te versterken. Onder het begrip ‘bouwconsument’ wordt zowel de particuliere als de zakelijke opdrachtgever begrepen. Door het aanleggen van bouwdossiers is het aan de aannemer om aannemelijk te maken dat het project voldoet aan de daaraan gestelde (bouwkundige) kwaliteitseisen. Dat houdt een aanzienlijke last in voor de aannemer, terwijl het een zegen is voor de particuliere opdrachtgever. De opdrachtgever kan zich bij vermeende bouwfouten immers beroepen op het bouwdossier.

Stimuleren kwaliteitsverbetering en faalkostenvermindering

Tot slot is een belangrijke doelstelling om kwaliteitsverbetering te stimuleren en de faalkosten omlaag te brengen. Dit laatste doel zou min of meer ‘automatisch’ moeten voortvloeien uit de verwezenlijking van de eerste twee doelstellingen. Immers, wanneer de bouwkwaliteit door een kwaliteitsborger nauwlettend in de gaten wordt gehouden, zou het logische gevolg moeten zijn dat de kwaliteit van het bouwproject omhooggaat. Meer stapsgewijze controle zou daarmee moeten leiden tot een hogere bouwkwaliteit en een hogere zorgvuldigheid van werken. De gemiddelde faalkosten zouden dus moeten afnemen.

Theorie tegenover praktijk

De helder geformuleerde doelstellingen van de Wkb lijken eenvoudig en ‘to the point’. De vraag is echter of de praktische uitvoering ervan net zo makkelijk blijkt te zijn als vooraf bedacht. Elke situatie is weer anders en (juridische) complicaties liggen op de loer. De tijd zal het leren…

Voor meer vragen over de Wkb kunt u contact opnemen met Alwin Farahani of één van onze andere specialisten van het team Vastgoed, Overheid & Notariaat.

Ook verschenen in deze blogserie:

Deel 1: Een eerste kennismaking

In een eerdere blog schreef ik dat vakantieverhuur van ‘normale’ woningen, bijvoorbeeld via Airbnb, zonder vergunning illegaal was. Dit naar aanleiding van een uitspraak van de Raad van State. De Gemeente Leiden heeft aangegeven hiertegen niet te zullen handhaven.

Hoe zat het ook weer

De Raad van State heeft onlangs geoordeeld dat als een woning die voor permanente bewoning bestemd is, voor een korte periode wordt verhuurd en door toeristen wordt gebruikt, die woning dan voor de duur van die huurovereenkomst niet voor bewoning kan worden gebruikt. De woning is dan (dus) tijdelijk aan de bestemming tot bewoning onttrokken. Daarvoor is een vergunning benodigd. Dat kan grote gevolgen hebben voor vakantieverhuur via, bijvoorbeeld, Airbnb.

Gemeente leiden treedt niet op tegen illegale vakantieverhuur

De Gemeente Leiden erkent dat vakantieverhuur formeel illegaal is maar heeft tegelijkertijd aangegeven niet tegen illegale vakantieverhuur op te zullen treden. Niet alleen kent Leiden geen vergunningstelsel voor vakantieverhuur, maar bovendien is een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer in behandeling waarin de uitspraak van de Raad van State wordt ondervangen.

Wet toeristische verhuur van woonruimte

Dat wetsvoorstel wijzigt de Huisvestingswet 2014 en bevat een aantal maatregelen waarmee een gemeente de toeristische verhuur van woningen kan reguleren. Zo kan een gemeente voor vakantieverhuur een registratieplicht, een meldplicht per aanbieding en een vergunningensysteem invoeren. Daarnaast wordt de maximale boete verhoogd om hardnekkige vormen van woonfraude tegen te kunnen gaan.

Het wetsvoorstel is inmiddels behandeld in de vaste Kamercommissie voor Binnenlandse Zaken.

Per van der Kooi

Volgens de Amsterdamse huisvestingsverordening is tijdelijke verhuur van een woning alleen toegestaan na voorafgaande elektronische melding aan de gemeente via een voorgeschreven formulier. Een bewoonster heeft haar woning via Airbnb voor vijf dagen aan vier Amerikaanse toeristen verhuurd. Omdat zij hiervan geen melding heeft gedaan, stelt de gemeente zich op het standpunt dat de bewoonster in strijd met de Huisvestingswet 2014 een woonruimte aan de bestemming tot bewoning heeft onttrokken. De gemeente legt daarom een boete van € 6K op. De bewoonster vecht deze beslissing tot in hoogste instantie aan.

Duurzame bewoning

De bewoonster stelt dat zij de woning zelf duurzaam bewoont en in de basisregistratie personen ook op het adres van de woning staat ingeschreven. De vakantieverhuur heeft alleen plaatsgevonden gedurende een aantal dagen dat zij zelf niet in de woning verbleef. Om die reden kon de verhuur naar haar mening niet als onttrekking van woonruimte aan de bestemming tot bewoning worden aangemerkt.

De Raad van State ziet dit, in hoogste instantie, toch anders. Met een beroep op de ontstaansgeschiedenis van de Huisvestingswet wordt geoordeeld dat onder het begrip ‘aan de bestemming onttrekken’ zowel slopen als elk gebruik voor een ander doel dan bewoning valt.

Eerder had de Raad al geoordeeld dat onttrekking in de zin van de Huisvestingswet alleen kan plaatsvinden indien het desbetreffende gebouw is bestemd voor permanente bewoning.

De Raad komt op die eerdere uitspraak niet terug: De onderhavige woning was bestemd voor permanente bewoning. Als een woning voor een korte periode wordt verhuurd en door toeristen wordt gebruikt, kan die woning voor de duur van de huurovereenkomst niet voor bewoning worden gebruikt. De woning is dan (dus) tijdelijk aan de bestemming tot bewoning onttrokken. Daarvoor is een vergunning benodigd.

Grote gevolgen

Het hoeft geen betoog dat deze uitspraak grote gevolgen zal hebben voor vakantieverhuur via Airbnb of andere sites. Een elektronische melding is niet meer voldoende, voortaan moet voor vakantieverhuur een vergunning worden aangevraagd. De gemeente Amsterdam probeert verhuur via Airbnb al jaren te beteugelen en zal dus niet snel geneigd zijn aan iedere aanvrager een vergunning te verlenen. En als zij daar al toe geneigd zou zijn, zal zij al die aanvragen niet snel kunnen afhandelen.

Voor de bewoonster in kwestie liep de zaak overigens met een sisser af omdat de door de gemeente opgelegde boete was gebaseerd op een om andere redenen onverbindende bepaling. Maar het ligt in de lijn der verwachting dat dit gebrek in de Amsterdamse regelgeving snel wordt gerepareerd.

Degenen die nu hun huis nog zonder vergunning verhuren zijn dus gewaarschuwd…

Per van der Kooi

advocaat vastgoed- en huurrecht

Op 14 mei 2019, na jaren van voorbereiding, was dan eindelijk de kogel door kerk: de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) werd door de Eerste Kamer aangenomen. Op 1 januari 2021 zal de nieuwe wet, naar alle waarschijnlijkheid, in werking treden. De Wkb zal grote impact hebben voor de bouwpraktijk, met name voor aannemers. Om aannemers zo goed mogelijk voor te bereiden op de nieuwe praktijk, zullen wij gedurende dit jaar in een blogserie de implicaties van de Wkb behandelen. Te beginnen met een eerste kennismaking met de gloednieuwe wetgeving.

Bouwdossiers

Met de komst van de Wkb zal er veel veranderen in de dagelijkse bouwpraktijk. De positie van particuliere opdrachtgevers wordt versterkt, terwijl aannemers zich meer zullen moeten inspannen om de kwaliteit van hun werk aan te tonen. Gedurende het bouwproces zullen aannemers een bouwdossier moeten aanleggen waar de totstandkoming van het bouwwerk stapsgewijs wordt gedocumenteerd. Hiermee kan de opdrachtgever aantonen dat sprake is van gebreken of bouwfouten. De aannemer kan, op zijn beurt, aantonen het werk volgens de regelen der kunst te hebben uitgevoerd.

Gemeentelijke toetsing bouwplannen

In de tweede plaats zal een verschuiving plaatsvinden van publiek toezicht naar privaat toezicht. Waar de gemeente in het huidige stelsel bij de aanvraag van een omgevingsvergunning preventief toetst aan de kwaliteit van de bouwplannen, komt deze toetsing met de invoering van de Wkb te vervallen. In plaats daarvan zal de verantwoordelijkheid voor de bouwkwaliteit komen te liggen bij de bouwende partijen. De nadruk zal minder komen te liggen op ‘papieren waarheden’ vooraf en meer op de bouwkwaliteit van het werk bij oplevering. Het is vervolgens aan de aannemer om aan te tonen dat het vervaardigde bouwwerk voldoet aan gemaakte afspraken en regels.

Kwaliteitsborgers

Om de bouwkwaliteit te toetsen en te waarborgen, worden zogeheten ‘kwaliteitsborgers’ aangesteld. Dit zijn private toetsers die in het proces richting de oplevering een vinger aan de pols houden. De kwaliteitsborger houdt, simpel gezegd, toezicht op de bouw. Het is de kwaliteitsborger die toetst of het bouwwerk aan de gestelde normen voldoet en uiteindelijk al dan niet een positieve verklaring afgeeft. Zonder een dergelijke verklaring mag het bouwwerk niet in gebruik worden genomen.

Een flinke kluif

Er staat aannemers heel wat te wachten. De hervorming van het huidige stelsel zal ingrijpend en mogelijk een bron van geschillen zijn. Op aannemers komt een aanzienlijk zwaardere bewijsplicht te rusten dan op dit moment het geval is. Ook na de oplevering van een bouwwerk kan een particuliere opdrachtgever schade wegens gebreken of bouwfouten makkelijker op de aannemer verhalen. Het is daarom zaak om tijdig te zorgen voor een gedegen voorbereiding, zodat u bent voorbereid op wat er in 2021 komen gaat.

Voor meer vragen over de Wkb kunt u contact opnemen met Alwin Farahani of één van onze andere specialisten van het team Vastgoed, Overheid & Notariaat.

Ook verschenen in deze blogserie:

Deel 2: Doelstellingen

Bij opzegging van een huurovereenkomst van bedrijfsruimte door een nieuwe verhuurder wegens sloop van het gehuurde in het algemeen belang,  heeft de huurder recht op een schadeloosstelling. Deze kan, onder omstandigheden, flink oplopen…

Opzegging wegens dringend eigen gebruik – sloop wegens algemeen belang

De uitbater van snackbar/lunchroom De Lekkerbek huurt sinds 1978 een bedrijfsruimte in het Theaterkwartier in Lelystad. De Gemeente Lelystad heeft het pand in 2017 aangekocht. Om het Theaterkwartier te herontwikkelen moet het pand van De Lekkerbek worden gesloopt. In verband daarmee zegt de gemeente de huurovereenkomst wegens dringend eigen gebruik op. Eigen gebruik bestaat in dit geval uit de sloop van het pand met het oog op de uitvoering van een werk in het algemeen belang. De huurder stemt daarmee niet in. De gemeente vordert daarom dat de rechter zal vaststellen dat de huur op 1 januari 2020 eindigt. De gemeente is bereid de schade die huurder door het einde van de huur lijdt te vergoeden.

Naar het oordeel van de Rechtbank Midden-Nederland heeft de gemeente voldoende onderbouwd dat sprake is van dringend eigen gebruik. Het plan tot herontwikkeling is voldoende concreet, het winkelcentrum waarin het gehuurde is gevestigd is al deels gesloopt en er is al een overeenkomst gesloten tot realisatie van een bioscoop, horeca en woningen. Sloop van het gehuurde is hiervoor noodzakelijk.

Schadeloosstelling

Partijen twisten over de hoogte van de schadeloosstelling. Beide partijen hebben een berekening laten maken. De gemeente gaat in haar berekening uit van de (fictieve) situatie dat de onderneming wordt verplaatst, huurder gaat uit van bedrijfsbeëindiging. Hij heeft ook steeds aan de gemeente kenbaar gemaakt dat het einde van de huurovereenkomst ook het einde van de onderneming zou betekenen.

Indien, zoals hier het geval was, een nieuwe verhuurder (sinds 2017 de gemeente) de huur wegens werken in het algemeen belang opzegt, heeft de huurder recht op een schadeloosstelling indien, kort gezegd, de huurovereenkomst langer zou hebben voortgeduurd en niet zou zijn opgezegd als het gehuurde tijdens de looptijd van de huurovereenkomst niet zou zijn verkocht. (Als de ‘oude’ verhuurder de huur op die grond zou opzeggen, zou de huurder geen recht op schadevergoeding hebben).

Volgens de wetgever mag het voor de huurder van bedrijfsruimte geen verschil maken of het bedrijfspand in het algemeen belang wordt onteigend (in welk geval de huurder aanspraak heeft op schadeloosstelling) of dat de huur door een nieuwe verhuurder wegens een werk van algemeen belang wordt opgezegd.

Criterium

De Hoge Raad heeft eerder, in een onteigeningszaak, bepaald dat als maatstaf voor de berekening van de schadeloosstelling – en de vraag of een bedrijf wordt verplaatst of wordt beëindigd – moet worden gehanteerd, wat een redelijk handelend persoon zou doen indien hij zijn bedrijf in het onteigende (hier: gehuurde) niet meer kan voortzetten.

De rechter achtte het in dit geval niet reëel om bij het vaststellen van de schadeloosstelling uit te gaan van bedrijfsverplaatsing. Huurder had onder meer aangevoerd dat hij daarvoor, gelet op zijn gezondheidstoestand, de energie niet kon opbrengen. De rechtbank liet in het midden of er daadwerkelijk medische belemmeringen waren om de onderneming elders voort te zetten en is, zonder  overigens verder te motiveren waarom, bij de berekening van de schade uitgegaan van de schade die huurder zou lijden doordat hij ten gevolgen van het einde van de huur zijn onderneming eerder dan door hem voorzien of gewenst zou beëindigen.

Daardoor heeft huurder niet alleen recht op vermogensschade (bestaande uit een vergoeding voor goodwill, inventaris en liquidatieschade, in totaal € 131 K) maar ook op inkomensschade tot aan de pensioendatum (door de rechter vastgesteld op € 100 K).

Per van der Kooi

Advocaat vastgoed- en huurrecht

De aanvraag van een omgevingsvergunning voor de wijziging van een monument zie veelal op meerdere activiteiten. Bijvoorbeeld bouwen, strijd met het bestemmingsplan en wijzigen van het monument. Bij de beoordeling van de aanvraag, worden deze activiteiten als onlosmakelijk verbonden activiteiten beschouwd. Hoe moet worden omgegaan met de situatie dat één van die activiteiten mogelijk is?

 

Klik hier om verder te lezen.

 

Voor meer informatie over monumentenrecht kunt u terecht bij Vincent Stavleu.