Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu

Er bestaat geen speciaal tuchtrecht voor curatoren. Echter, omdat in een faillissement meestal een advocaat als curator wordt aangesteld, speelt het tuchtrecht voor advocaten in die gevallen een rol. De tuchtrechter geeft een advocaat die optreedt in de hoedanigheid van curator wel een ruimer speelveld dan wanneer sec advocatuurlijke werkzaamheden worden verricht. 

Dit is blog drie in de vijfdelige blogserie “De advocaat in een andere hoedanigheid”.

Advocatentuchtrecht

Het in de artikelen 46 en volgende van de Advocatenwet geregelde tuchtrecht heeft betrekking op het handelen en nalaten van advocaten als zodanig en beoogt een behoorlijke beroepsuitoefening te waarborgen. Artikel 46 Advocatenwet luidt als volgt:

“De advocaten zijn aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die zij als advocaat behoren te betrachten ten opzichte van degenen wier belangen zij als zodanig behartigen of behoren te behartigen, ter zake van inbreuken op het bepaalde bij of krachtens deze wet en de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, de verordeningen van de Nederlandse orde en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Deze tuchtrechtspraak wordt uitgeoefend in eerste aanleg door de raden van discipline en in hoger beroep, tevens in hoogste ressort, door het hof van discipline.”

Hoedanigheid: gevolgen voor toepasselijkheid kernwaarden

Ook wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, zoals die van curator, blijft voor hem het advocatentuchtrecht gelden. In dit kader is onder meer gedragsregel 9 van belang, waarin als volgt is bepaald:

“Regel 9 Kenbaarheid hoedanigheid advocaat

  1. De advocaat dient tegenover zijn cliënt en in zijn contacten met derden ervoor zorg te dragen dat geen misverstand kan bestaan over de hoedanigheid waarin hij in een gegeven situatie optreedt.
  2. Ook wanneer hij niet in de hoedanigheid van advocaat optreedt dient hij zich zodanig te gedragen dat het vertrouwen in de advocatuur niet wordt geschaad.”

Aangezien de kernwaarden ex artikel 10a Advocatenwet de essentie van in elk geval de beroepsuitoefening van de advocatuur inkleuren, moeten nevenwerkzaamheden die niet volledig in de kernwaarden zijn in te passen, worden beschouwd als verricht in een andere hoedanigheid dan die van advocaat. Te denken valt daarbij onder meer aan het optreden als curator. Deze werkzaamheden vertonen weliswaar doorgaans verwevenheid met de rechtspraktijk, maar voor dit voorbeeld geldt dat de kernwaarde partijdigheid daarop niet van toepassing is.

NB. Zie hier ter info ook de blogserie over de vijf kernwaarden van de advocatuur.

Maatstaf tuchtrechter bij optreden als curator

De tuchtrechter toetst of de advocaat zich als curator zodanig heeft gedragen dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur is geschaad. Het criterium waaraan het handelen van de advocaat als curator wordt getoetst is een iets beperkter criterium dan dat waaraan het handelen van een advocaat als zodanig wordt getoetst. Voor het handelen van een advocaat als curator brengt deze maatstaf mee dat niet snel van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen sprake zal zijn.

Dat komt onder meer omdat een curator bij de uitoefening van zijn taak uiteenlopende, soms tegenstrijdige belangen, moet behartigen. Ook moet hij bij het nemen van zijn beslissingen rekening houden met belangen van maatschappelijke aard. Verder speelt een rol dat de curator zijn taak onder toezicht van de rechter-commissaris uitvoert en dat het in de eerste plaats aan de rechter-commissaris is om te beslissen of het handelen van de curator zich binnen de juiste kaders afspeelt.

Zie voor toepassing van deze maatstaf bijvoorbeeld hof van discipline 26 oktober 2020, ECLI:NL:TAHVD:2020:207 en meer recent de raad van discipline Arnhem-Leeuwarden 25 januari 2021, ECLI:NL:TADRARL:2021:5.

Proactief duidelijkheid verschaffen over hoedanigheid

Belangrijk is dat de advocaat naar buiten toe altijd duidelijkheid moet verschaffen over de hoedanigheid waarin hij optreedt. Denk daarbij bijvoorbeeld aan het opnemen van de functie van curator in de e-mailhandtekening. Verder kan het geen kwaad om steeds expliciet aan betrokkenen te vertellen (en waar nodig schriftelijk vast te leggen) wanneer de advocaat optreedt in de hoedanigheid van curator. Liever te vaak dan te weinig. De advocaat is met andere woorden gehouden proactief duidelijkheid te verschaffen over de hoedanigheid waarin hij in een specifiek geval optreedt. Het niet verschaffen van de duidelijkheid kan onder omstandigheden op zich zelf tuchtrechtelijk verwijtbaar zijn.

Contact

Meer weten? Neem vrijblijvend contact op met Vera Balvers, advocaat Tucht- en klachtrecht.

Dit is deel 3 in de vijfdelige blogserie ”De advocaat in een andere hoedanigheid”. Lees ook de andere delen:

Deel 1: De advocaat als… klachtenfunctionaris

Deel 2: De advocaat als… deken

 

 

 

Het schoolvoorbeeld (in meerdere opzichten) van de advocaat die optreedt in een andere hoedanigheid is de deken van de lokale orde van advocaten. Ook tegen de deken kan een tuchtklacht worden ingediend. Over het toetsingskader dat daarbij geldt – valt de deken als functionaris ook onder het tuchtrecht? – heeft het hof van discipline onlangs twee richtinggevende uitspraken gedaan die hier worden besproken.

In 2007 sprak het hof van discipline zich nadrukkelijk uit over de tuchtrechtelijke toetsbaarheid van de deken. Het hof ontwikkelde in zijn beslissing van 3 september 2007 het criterium dat ook wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, het advocatentuchtrecht voor hem blijft gelden. Indien hij zich bij de vervulling van die andere hoedanigheid zodanig gedraagt (beter gezegd misdraagt) dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt ondermijnd, zal in het algemeen sprake zijn van een handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt waarvan hem een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

In eerste aanleg was de raad van discipline nog uitgegaan van de tot dan toe geldende hoofdregel dat het optreden van een deken als zodanig niet onder tuchtrechtelijke controle staat, tenzij de deken bij het uitoefenen van zijn functie zijn taak zodanig heeft verwaarloosd of zich in die hoedanigheid zodanig heeft misdragen dat hij geacht moet worden zich te hebben schuldig gemaakt aan een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. De maatstaf die door het hof werd geformuleerd bleef niet beperkt tot de deken en vormt tegenwoordig in het algemeen het toetsingskader voor een advocaat die in een andere hoedanigheid optreedt.

De deken als toezichthouder en advocaat

Onlangs heeft het hof van discipline in een tweetal beslissingen aan de hand van een uitgewerkte en principiële uiteenzetting de positie van de beklaagde advocaat die tevens deken is voor het advocatentuchtrecht nader verduidelijkt. De aanleiding daarvoor zag het hof in de op 5 augustus 2020 verschenen eindrapportage van Evaluatie Wet positie en toezicht advocatuur (Wpta).

Met de invoering van de Wpta op 1 januari 2015 heeft de wetgever er onder meer voor gekozen dat het toezicht op de advocatuur eenhoofdig, namelijk door de deken, wordt uitgeoefend. Deze keuze van de wetgever brengt mee dat de deken zowel bestuursorgaan als advocaat is, aldus het hof. Dat de deken naast wettelijk toezichthouder ook advocaat is leidt ertoe dat de deken ook persoonlijk onder het advocatentuchtrecht valt. De rechtvaardiging voor deze “dubbele” toetsingsmogelijkheid is volgens het hof dat een deken, anders dan andere bestuursorganen als advocaat een geprivilegieerde positie heeft, wat onder meer tot uiting komt in een vergaande geheimhoudingsplicht. Deze bevoorrechte positie als geheimhouder maakt dat ook wanneer een advocaat als deken handelt, hij zich betamelijk en in overeenstemming met de kernwaarden voor advocaten behoort te gedragen en hierop niet in zijn hoedanigheid van deken maar persoonlijk tuchtrechtelijk aanspreekbaar is. De omstandigheid dat de deken (als instituut) sinds 2015 bestuursorgaan is geworden, brengt hier geen verandering in, zodat de door het hof van oudsher gehanteerde maatstaf onverkort blijft gelden.

Aan de hand van deze overwegingen heeft het hof op dezelfde dag in twee klachtzaken tegen oud-dekens uitspraak gedaan. In de eerste beslissing (HvD 15 maart 2021, ECLI:NL:TAHVD:2021:47) ging het om een klacht van een ex-advocaat tegen de (toenmalige) deken. Die deken diende in 2015 een dekenbezwaar in tegen klager die naar aanleiding daarvan van het tableau was geschrapt op last van door de tuchtrechter. Op zijn beurt heeft de voormalig advocaat een klacht ingediend tegen de deken over diens aanpak en stellingname in die tuchtprocedure. De raad van discipline stelde voorop dat de deken een ruime mate van vrijheid heeft om in een dekenbezwaar zijn argumenten naar voren te brengen. Klager heeft in de procedures bij de raad destijds en in hoger beroep voldoende gelegenheid gehad om zich tegen de stellingen van de deken te verweren, wat klager ook heeft gedaan. De onderhavige klacht kwam volgens de raad neer op een verkapt hoger beroep, waarin de Advocatenwet niet voorziet. De klacht werd dan ook ongegrond verklaard.

In hoger beroep betoogde klager onder meer dat de raad de bijzondere positie van de deken had miskend, waarop het hof hem op zijn wenken bediende met de hiervoor beschreven uiteenzetting over de positie van de deken. Klager ving op de inhoud van zijn klacht echter bot. Het hof bekrachtigde de beslissing van de raad omdat de door klager aangevoerde argumenten geen aanwijzingen gaven dat de deken bij het indienen van het dekenbezwaar jegens klager zodanig zijn toezichthoudende bevoegdheden te buiten was gegaan dat hij daardoor het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad.

Kritische noot

Wel kraakte het hof nog een kritische noot over de opvatting van de deken die ter zitting was verschenen. Dat was namelijk niet de beklaagde, maar diens ambtsopvolger, die zijn komst verklaarde met het gebruik dat de zittende deken zo’n klacht voor zijn rekening neemt. Daarnaast gaf hij aan als gemachtigde namens de beklaagde deken op te treden.

Het hof overwoog dat het in zijn algemeenheid ongewenst is dat een opvolgend deken als gemachtigde optreedt in een tuchtzaak, ook als de klacht is gericht tegen zijn voorganger. Het is volgens het hof denkbaar dat een deken in geval van een klachtzaak tegen zijn voorganger ter zitting bij de tuchtrechter verschijnt om zijn visie als deken te geven, vanuit zijn rol en kennis van tuchtrecht in het algemeen en (eventueel) de aan de orde zijnde tuchtzaak in het bijzonder. Die visie zou een deken in een dergelijk geval ook zelfstandig per brief aan de tuchtrechter kunnen overbrengen. De crux is dat de deken dan niet optreedt als advocaat van zijn aangeklaagde voorganger. De partijdige rol voor zijn cliënt verdraagt zich verder niet met zijn rol als deken waarin hij objectief behoort te staan tegenover het handelen van zijn aangeklaagde voorganger. Rechtzoekenden mogen er immers op vertrouwen dat de deken in alle objectiviteit toezicht houdt op alle advocaten in zijn arrondissement en klachten tegen deze advocaten objectief behandelt.

Lichtvaardig optreden van de deken

In de tweede zaak (ECLI:NL:TAHVD:2021:46) waarin het hof dezelfde dag uitspraak heeft gedaan kwam de beklaagde (voormalig) deken er minder gunstig vanaf. In die klachtzaak had de deken destijds op basis van een volgens hem van de Raad van State afkomstig signaal over klaagster (een advocaat) een onderzoek ingesteld. Dat signaal had hij enkel telefonisch gekregen en hij had niet geverifieerd of het signaal ook daadwerkelijk afkomstig was van de Raad van State. Het hof oordeelde dat van deze deken had mogen worden verwacht dat hij, voordat hij op basis van een signaal als toezichthouder handelde, eerst zou nagaan van wie het signaal afkomstig was en dit zou hebben vastgelegd in zijn eigen dossier. Bovendien had de deken naar aanleiding van vragen van klaagster pas na vier maanden later enig onderzoek naar de herkomst van het signaal verricht. Zonder resultaat overigens, en de deken kon zich ook niet herinneren waarop zijn besluit tot onderzoek was gebaseerd.

Het hof nam hem kwalijk dat hij zich niet bewust was geweest van de impact van zijn lichtvaardige handelwijze voor klaagster. Daardoor was sprake van laakbaar gedrag, aangezien een gemaakte fout plaatsgevond in het kader van dekenaal onderzoek zonder enige documentatie, waarbij geen reproduceerbare afweging was gemaakt. Het kwam de oud-deken op een berisping te staan. Voor alle duidelijkheid merkte het hof nog op dat het hier gaat om een aan verweerder als advocaat (en niet als deken) te maken persoonlijk verwijt, zodat het hof hem ook een proceskostenveroordeling oplegde.

Deze tweede zaak vormt een uitzondering omdat klachten die tegen dekens worden ingediend meestal leiden tot het oordeel dat de klacht ongegrond is. De deken moet het gelet op de geldende maatstaf immers zodanig te bont hebben gemaakt dat het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad. En daar zal in de regel toch niet snel sprake van zijn.

Contact

Meer weten? Neem vrijblijvend contact op met Robert Sanders, advocaat Tucht- en klachtrecht.

Dit is deel 2 in de vijfdelige blogserie ”De advocaat in een andere hoedanigheid”. Lees ook de andere delen:

Deel 1: De advocaat als… klachtenfunctionaris

Deel 3: De advocaat als… curator

 

De klachtenfunctionaris van een advocatenkantoor is steeds vaker zelf onderwerp van een klacht. Hoe ga je als klachtenfunctionaris het beste om met een ingediende klacht? En wat als die klacht tegen jou in je hoedanigheid van klachtenfunctionaris is gericht? Lees meer over de advocaat in hoedanigheid van klachtenfunctionaris in deze blog. Dit is blog één in de vijfdelige blogserie “De advocaat in een andere hoedanigheid”.

Achtergrond klachtenregeling

Allereerst is belangrijk om vast te stellen wat wordt verstaan onder een klacht. Artikel 1.1 van de Verordening op de advocatuur (“Voda”) geeft de definitie van klacht:

“(…)Klacht: iedere schriftelijke uiting van ongenoegen van of namens de cliënt jegens de advocaat of de onder diens verantwoordelijkheid werkzame personen over de totstandkoming en de uitvoering van een overeenkomst van opdracht, de kwaliteit van de dienstverlening of de hoogte van de declaratie, niet zijnde een klacht als bedoeld in paragraaf 4 van de Advocatenwet; (…)”

Zoals uit deze definitie blijkt moet een onderscheid worden gemaakt tussen een klacht in de zin van de kantoorklachtenregeling en een tuchtklacht (vergelijk paragraaf 4 van de Advocatenwet). Tuchtrechtelijke klachten moeten worden ingediend bij de lokale deken (zie artikel 46c Advocatenwet).

In de Voda is verder vastgelegd dat de advocaat moet beschikken over een kantoorklachtenregeling (zie artikel 6.28 lid 1 Voda). Binnenkomende klachten moeten conform de kantoorklachtenregeling worden behandeld.

De kantoorklachtenregeling regelt in ieder geval welke advocaat is belast met de afhandeling van binnenkomende klachten (zie artikel 6.28 lid 2 sub c Voda). Oftewel: duidelijk moet zijn welke advocaat als klachtenfunctionaris functioneert.

Uit de klachtenregeling blijkt verder hoe de interne klachtprocedure geregeld is. De wettelijke vereisten laten relatief veel ruimte om de klachtenprocedure naar eigen inzicht in te richten. De Nederlandse Orde van Advocaten heeft voor een beetje houvast een model kantoorklachtenregeling in het leven geroepen. Als de kantoorklachtenregeling niet voldoet aan de vereisten van de Voda, dan kan dat op zichzelf een tuchtrechtelijk verwijt opleveren (zie Hof van Discipline 13 december 2019, ECLI:NL:TAHVD:2019:234, r.o. 5.6).

Het is verplicht om de kantoorklachtenregeling via de algemene voorwaarden of overeenkomst van opdracht van toepassing te verklaren (zie artikel 6.28 lid 3 Voda).

De taak van de klachtenfunctionaris

Eén vaste persoon binnen kantoor is dus als klachtenfunctionaris belast met de afhandeling van klachten. Dat kan ook de advocaat waarover geklaagd wordt zijn (zie Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 21 februari 2018, ECLI:NL:TADRARL:2018:19).

Als uitgangspunt voor de taakinvulling van de klachtenfunctionaris geldt afdeling 6.8 Voda. Het belangrijkste elementen is dat klachten binnen een redelijke termijn moeten worden afgehandeld. Artikel 6.28 lid 2 sub d Voda bepaalt dat de klachtenfunctionaris binnen een maand na ontvangst van de klacht de klager en degene over wie is geklaagd schriftelijk en met redenen omkleed in kennis stelt van het oordeel over de gegrondheid van de klacht. Sub e biedt overigens wel de mogelijkheid om af te wijken van de termijn van één maand. De klachtenfunctionaris moet daarbij wel vermelden waarom van de voorgeschreven termijn wordt afgeweken en binnen welke termijn de klacht alsnog afgehandeld wordt.

Bij het behandelen van de klacht moet (uiteraard) hoor en wederhoor worden toegepast (zie artikel 6.28 lid 2 sub f Voda). Bovendien registreert de klachtenfunctionaris de binnengekomen klachten (zie artikel 6.30 Voda). Het is namelijk belangrijk om lering te kunnen trekken uit eerder op kantoor afgehandelde klachten.

Een zorgvuldige behandeling van klachten ingevolge de interne op artikel 6.28 Voda gebaseerde kantoorklachtenregeling is een belangrijk instrument van kwaliteitsbevordering in de advocatuur (zie Hof van Discipline 25 januari 2019, ECLI:NL:TAHVD:2019:155).

Klachtenfunctionaris onder tuchtrecht

Advocaten zijn op grond van artikel 46 Advocatenwet aan tuchtrecht onderworpen. Op grond van vaste tuchtrechtspraak blijft het tuchtrecht ook van toepassing als de advocaat niet in de hoedanigheid van advocaat optreedt. Als hij zo optreedt dat het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad, kan hij tuchtrechtelijk worden aangepakt (zie ook gedragsregel 9).

Voor het optreden in de hoedanigheid van klachtenfunctionaris hanteert de tuchtrechter de volgende maatstaf (zie Raad van Discipline Amsterdam 7 september 2020, ECLI:NL:TADRAMS:2020:192):

“4.2 Wat betreft de klacht gericht tegen verweerder stelt de voorzitter vast dat verweerder in deze zaak uitsluitend is opgetreden als klachten- en geschillenfunctionaris, dit naar aanleiding van de aansprakelijkstelling van klager van 29 augustus 2019. Het in de artikelen 46 en volgende van de Advocatenwet geregelde tuchtrecht heeft betrekking op het handelen en nalaten van advocaten als zodanig en beoogt een behoorlijke beroepsuitoefening te waarborgen. Maar ook wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, zoals hier in die van klachten- en geschillenfunctionaris, blijft voor hem het advocatentuchtrecht gelden. Indien hij zich bij de vervulling van die andere functie zodanig gedraagt dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad, zal in het algemeen sprake zijn van handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt, waarvan hem een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.”

Daarbij dient verder nog in aanmerking te worden genomen dat de klachtenfunctionaris een grote mate van vrijheid heeft bij de wijze waarop hij de klachtafhandeling inricht en op de ingebrachte klacht beslist (zie Raad van Discipline ’s-Hertogenbosch 9 december 2019, ECLI:NL:TADRSHE:2019:186). De tuchtrechter gaat niet op de stoel van de klachtenfunctionaris zitten, hij toets marginaal of sprake was van zorgvuldig handelen.

Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van de klachtenfunctionaris is bijvoorbeeld sprake als hij geen kennis neemt van het volledige (proces)dossier waarop de klacht betrekking heeft (zie Hof van Discipline 25 januari 2019, ECLI:NL:TAHVD:2019:155). Helemaal niet reageren op een binnenkomende klacht, valt een klachtfunctionaris ook tuchtrechtelijk te verwijten (zie Raad van Discipline 12 november 2018, ECLI:NL:TADRAMS:2018:221). Hetzelfde geldt voor het niet binnen een redelijke termijn reageren op een ingekomen klacht (zie Raad van Discipline Arnhem-Leeuwaren 22 februari 2016, ECLI:NL:TADRARL:2016:15).

Contact

Meer weten? Neem vrijblijvend contact op met Vera Balvers, advocaat Tucht- en klachtrecht.

Dit is deel 1 in de vijfdelige blogserie ”De advocaat in een andere hoedanigheid”.

Op 23 november 2019 vond aan boord van het vrachtschip Zealand Rotterdam een ernstig ongeval plaats. Een matroos is daardoor helaas komen te overlijden. Maar wat heeft dat met tuchtrecht te maken? De kapitein en eerste stuurman van het schip moesten zich in verband met dit ongeval verantwoorden voor de tuchtrechter: het Tuchtcollege voor de Scheepvaart. In deze blog lees je meer over dit bijzondere tuchtcollege. Daarnaast licht ik de twee recente tuchtrechtelijke uitspraken van het Tuchtcollege voor de Scheepvaart over het ongeval uit.

Het Tuchtcollege voor de Scheepvaart

Sinds 1 januari 2020 bestaat het Tuchtcollege voor de Scheepvaart en neemt het sindsdien de tuchtrechtelijke taak van de Raad voor de Scheepvaart over. Het tuchtrecht voor de scheepvaart valt, net zoals bij bijvoorbeeld advocaten, notarissen en BIG-geregistreerden het geval is, onder het wettelijk tuchtrecht (vergelijk artikel 113 lid 2 van de Grondwet). In hoofdstuk 5A van de Wet zeevarenden zijn de wettelijke bepalingen over de tuchtrechtspraak in de scheepvaart geregeld.

Het tuchtcollege functioneert op basis van artikel 55a van de Wet zeevarenden. Onderworpen aan tuchtrechtspraak in de zeescheepvaart zijn de kapitein en de scheepsofficieren. De kapitein is de gezagvoerder van een Nederlands schip. Een scheepsofficier is een lid van de bemanning, niet zijnde de kapitein, die aan boord van een Nederlands schip een functie als stuurman, werktuigkundige, maritiem officier, officier electrotechniek of radio-operator vervult.

Het tuchtcollege in eerste aanleg is samengesteld uit een voorzitter, twee plaatsvervangers en 32 (plaatsvervangende) leden (zie artikel 55a lid 2 en artikel 55b van de Wet zeevarenden). Deze leden hebben of hadden een functie in de maritieme wereld. De tuchtrechtspraak in hoger beroep wordt uitgeoefend door het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven beslist in hoogste ressort (zie artikel 55a lid 3 van de Wet zeevarenden).

Het tuchtcollege behandelt zaken op basis van klachten die de Minister van Infrastructuur en Milieu of belanghebbenden via een klaagschrift kunnen indienen (zie artikel 55h lid 1 van de Wet zeevarenden). Het college beoordeelt zelf of een klager belanghebbende is. Te denken valt aan bijvoorbeeld bemanningsleden, reders, passagiers en verzekeraars.

Tuchtnorm: goed zeemanschap

De kapitein en de scheepsofficieren zijn aan tuchtrechtspraak onderworpen terzake van enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die zij als een goed zeeman in acht behoren te nemen ten opzichte van de opvarenden, het schip, de lading, het milieu of het scheepvaartverkeer (zie artikel 55a lid 1 van de Wet zeevarenden). De kapitein en de scheepsofficieren gedragen zich aan boord ten opzichte van de opvarenden, het schip, de lading, het milieu en het scheepvaartverkeer zoals het een goed zeeman betaamt (zie artikel 4 lid 4 van de Wet zeevarenden).

Het criterium waaraan het tuchtcollege toetst bevat een algemene, open norm en lijkt sterk op de algemene normen waaraan het gedrag van andere beroepsbeoefenaren wordt getoetst. Hoe het tuchtcollege  de geldende tuchtnorm toepast in een concrete situatie is goed te zien in bijvoorbeeld de twee uitspraken van 3 maart 2021 (ECLI:NL:TSCTS:2021:3 en ECLI:NL:TSCTS:2021:4) over het dodelijke ongeval op de Zealand Rotterdam.

Ongeval op vrachtschip Zealand Rotterdam

Het ongeval op de Zealand Rotterdam gebeurde – blijkens de twee genoemde uitspraken – toen de bemanning bezig was met voorbereidingen om met eigen losgerei lading uit het schip te lossen. De matroos is daarbij op een ladinggrijper van een laad-/loskraan van de Zealand Rotterdam geklommen. Dat deed hij om de haak van die kraan vast te maken aan de O-ring bovenaan de grijper. Nadat hij aansluitend de O-ring en/of grijperkabel had losgekoppeld is de kraanhaak met een zwaaiende beweging tegen hem aangekomen. Waarschijnlijk of mogelijk door een slingerbeweging van de Zealand Rotterdam. Het schip lag op dat moment op de rede van Mumbai, India. Door die aanraking verloor de matroos zijn evenwicht en maakte hij een val van circa 5 meter. Hij kwam terecht op het hoofddek en raakte door de val zwaargewond. Kort daarna is hij aan zijn verwondingen overleden.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat dient tegen zowel de kapitein als de eerste stuurman een tuchtklacht in. De grondslag voor de klachten is dat de Minister hen – samengevat – verwijt geen extra toolbox meeting te houden over het lossen van de lading. Daarnaast hebben betrokkenen geen work permit ingevuld en afgegeven voor werken op hoogte. Verder heeft de kapitein de opdracht tot lossen mondeling doorgegeven aan de eerste stuurman, en daar geen verdere consequenties/instructies aan verbonden. De eerste stuurman heeft de voorbereidende werkzaamheden voor het lossen op zijn beurt zonder duidelijke instructies overgelaten aan de bootsman. Beide betrokkenen hebben tijdsdruk, opgelegd door een agent, zwaarder laten wegen dan het werken volgens vaste procedures in verband met de veiligheid van de bemanning. Verder verwijt de Minister dat beide betrokkenen in een eerder stadium geen maatregelen hebben genomen om de O-ring op een lagere positie te zeevasten. Daarmee waren de werkomstandigheden eenvoudigweg veel veiliger geweest.

Zowel de kapitein als de stuurman verschijnen niet in de procedure bij het tuchtcollege en voeren dus geen verweer.

Toepassing tuchtnorm

Het tuchtcollege oordeelt vervolgens dat een ongeval met dodelijke afloop zoals dat hier heeft plaatsgevonden voorkomen kan worden door het treffen van passende veiligheidsmaatregelen. Daartoe behoort in de eerste plaats een risicoanalyse voor aanvang van de werkzaamheden. Die risicoanalyse – die hier achterwege is gelaten – had volgens het safety management manual moeten plaatsvinden in het kader van een aanvullende toolbox meeting en/of door het gebruik van formulieren en matrixen. Op die wijze hadden mogelijke gevaren duidelijk in kaart kunnen worden gebracht en zo ook de verantwoordelijkheden bij het toezicht op de naleving van de veiligheidsvoorschriften. Tot die veiligheidsvoorschriften hoorde – vanwege het werken op hoogte – de aanwezigheid van een work permit. In het kader van de afgifte daarvan had volgens voorschrift onder meer moeten worden  gecontroleerd op het gebruik van een veiligheidsharnas en een adequate valbeveiliging. Ook die work permit ontbrak hier.

Ook maakte het slachtoffer geen gebruik van de voorgeschreven PPE (personal protective equipment), terwijl niet blijkt dat door iemand is toegezien op het gebruik van deze noodzakelijke veiligheidsvoorzieningen. Ook blijkt niet dat het – geenszins denkbeeldige – gevaar van een zwaaiende beweging van de kraanhaak, in combinatie met de aanwezigheid van een bemanningslid bovenop de grijper, of op de steps van de grijper, is onderkend. Voor zover de zwaaiende beweging van de kraanhaak een gevolg was van het slingeren van het schip (ships rolling) geldt dat ook daarmee rekening had moeten worden gehouden, mede in aanmerking nemende dat het schip ca. 6 mijl uit de kust in volle zee (Indische Oceaan) lag, waar slingeren te verwachten was. Dat vormde een extra risico bij het aanpikken en loskoppelen van de grijper.

De Minister heeft er volgens het tuchtcollege verder terecht op gewezen dat in een eerder stadium veiligere werkomstandigheden hadden kunnen worden gecreëerd.

Het tuchtcollege stelt daarom vast dat de kapitein en de eerste stuurman tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld hebben. De artikelen 55a en 4 lid 4 van de Wet zeevarenden zijn door hen overtreden: een handelen of nalaten van een kapitein respectievelijk scheepsofficier in strijd met de zorg die hij als een goed zeeman in acht behoort te nemen ten opzichte van de opvarenden, het schip, de lading, het milieu en het scheepvaartverkeer.

Tuchtrechtelijke maatregelen

De tuchtmaatregelen die het tuchtcollege bij gegrondverklaring van een klacht kan opleggen zijn (zie artikel 55p van de Wet zeevarenden):

  1. een waarschuwing;
  2. een berisping;
  3. een (voorwaardelijke) geldboete van ten hoogste € 4.500;
  4. een (voorwaardelijke) schorsing van de vaarbevoegdheid voor een periode van
    ten hoogste twee jaren.

Naast het opleggen van een of meer van deze maatregelen kan het tuchtcollege bepalen dat zijn beslissing moet worden gepubliceerd in een aangewezen tijdschrift en/of nieuwsblad.

De kapitein en eerste stuurman van de Zealand Rotterdam kregen beiden van het Tuchtcollege voor de Scheepvaart een geldboete van € 2.500,- en een schorsing van de vaarbevoegdheid voor de duur van drie maanden opgelegd. Tegen beide uitspraken staat nog hoger beroep open.

Contact

Heeft u een tuchtrechtelijke vraag? Neem contact op met Vera Balvers, advocaat Tucht- en Klachtrecht.

De positie van vertrouwenspersoon ligt aan de basis van de relatie tussen de advocaat en zijn cliënt. Het is voor een goede beroepsuitoefening van wezenlijk belang dat cliënten in vertrouwen alles in volle openhartigheid kunnen wisselen met hun advocaat. Hoe krijgt die vertrouwelijkheid in de beroepsregulering gestalte? In dit zesde deel van de blogserie over kernwaarden staat de kernwaarde vertrouwelijkheid centraal.

Zoals bij medici en notarissen is voor advocaten het zijn van vertrouwenspersoon een beroepsmatig wezenskenmerk. Alleen als de cliënt verzekerd is van de vertrouwelijkheid van de communicatie met zijn of haar advocaat kunnen alle ins en outs van een zaak naar behoren worden geïnventariseerd en gewogen. Onder die voorwaarde kunnen beslissingen worden genomen over de aanpak van een zaak of de in te nemen procespositie. Zonder vertrouwelijkheid zou adequate rechtshulpverlening en een goede rechtsbedeling in het gedrang kunnen komen. Vertrouwelijkheid is van belang voor een goede rechtshulpverleningsrelatie en daarmee een goede rechtsbedeling. Meer nog, de waarborg van die vertrouwelijkheid is een mensenrecht van de rechtzoekende.
Artikel 10a lid 1 Advocatenwet bepaalt dat in het belang van een goede rechtsbedeling de advocaat zorgdraagt voor de rechtsbescherming van zijn cliënt. Daartoe is de advocaat bij de uitoefening van zijn beroep vertrouwenspersoon en neemt hij, binnen de door de wet en het recht gestelde grenzen, geheimhouding in acht. Aansluitend op de codificering van de kernwaarde vertrouwelijkheid heeft de wetgever in artikel 11a van de Advocatenwet dan ook de geheimhoudingsplicht van de advocaat geregeld.
De geheimhoudingsplicht is van oudsher een onlosmakelijk onderdeel geweest van de praktijkuitoefening. In gedragsregel 3 lid 1 is nader uitgewerkt wat volgens de heersende opvattingen onder de geheimhoudingsplicht van een advocaat valt: een advocaat dient te zwijgen over bijzonderheden van door hem behandelde zaken, de persoon van zijn cliënt en de aard en omvang van diens belangen. Een advocaat moet dus ook geheimhouding betrachten over het feit dat een bepaalde cliënt hem heeft geraadpleegd (HvD 4 februari 2019, ECLI:NL:TAHVD:2019:28).
Gedragsregel 3 lid 2 wijs de advocaat op de zorgplicht om passende maatregelen te nemen om de vertrouwelijkheid van de communicatie met de cliënt of derden te handhaven, in het bijzonder bij de keuze van communicatiemiddelen en het beveiligingsniveau daarvan, en van dataverwerking en dataopslag. Waar het gaat om telefonische communicatie voorziet onderdeel 6.3 van de Verordening op de advocatuur in specifieke regels voor het gebruik van de geheimhouderstelefoon.
De geheimhoudingsplicht betreft alles waarvan een advocaat ‘als zodanig’ kennisneemt. Het gaat dus om informatie die hij verkrijgt uit hoofde van zijn beroepsuitoefening en de werkzaamheden moeten dus de rechtsbescherming van zijn cliënt betreffen.
De geheimhoudingsplicht blijft ook voortbestaan na beëindiging van de beroepsuitoefening of de opdracht, en duurt voort na het overlijden van de cliënt (vergelijk HvD 28 januari 2013, ECLI:NL:TAHVD:2013:180).

Uitzonderingen

De kernwaarde vertrouwelijkheid is van wezenlijk belang in de relatie tussen advocaat en cliënt. De geheimhoudingsplicht die daarmee verband houdt is echter niet absoluut. Er zijn uitzonderingen mogelijk, gebaseerd op de wet en het recht. Zo zal de advocaat bijvoorbeeld bij onderhandelingen met de wederpartij of in een procedure informatie naar buiten moeten brengen. Gedragsregel 3 lid 3 stelt daaraan drie cumulatieve voorwaarden. Het delen van die informatie is toegestaan voor zover (1) een juiste uitvoering van de opgedragen taak dit rechtvaardigt, (2) de cliënt daartegen desgevraagd geen bezwaar heeft, en (3) dit in overeenstemming is met een goede beroepsuitoefening.
Uiteraard zal een advocaat om een zaak te kunnen behandelen informatie met naaste medewerkers moeten kunnen delen. Voor hen geldt dan evenzeer een geheimhoudingsplicht. De advocaat is er verantwoordelijk voor dat deze personen alleen kennis kunnen nemen van informatie voor zover dat voor de uitvoering van de opdracht noodzakelijk is (HvD 24 augustus 2020, ECLI:NL:TAHVD:2020:151).
Een wettelijke uitzondering op de geheimhoudingsplicht volgt uit artikel 18a Wwft: advocaten zijn op grond van die bepaling niet gebonden aan de geheimhoudingsplicht bij het melden van een ongebruikelijke transactie of verschaffen van nadere gegevens of inlichtingen in het geval de Wwft van toepassing is op hun dienstverlening. Er geldt daarbij bovendien een ‘tipping off verbod’: de advocaat mag zijn client er niet van op de hoogte brengen dat hij een melding doet.
Artikel 45a lid 2 Advocatenwet ontslaat advocaten uit hun geheimhoudingsplicht jegens de deken ten behoeve van het houden van het toezicht. Op grond van gedragsregel 29 moet een advocaat in het kader van een (mogelijk) tuchtrechtelijk onderzoek de deken alle gevraagde inlichtingen verstrekken. Er geldt overigens een afgeleide geheimhoudingsplicht voor de deken als toezichthouder. Een vergelijkbare regeling bestaat voor deskundigen die zijn betrokken bij kwaliteitstoetsing (artikel 26 lid 4 Advocatenwet).
Een noodtoestand of overmacht zou de doorbreking van de geheimhoudingsplicht kunnen rechtvaardigen, hoewel de tuchtrechter niet snel oordeelt dat daarvan sprake is. Het hof van discipline neemt tot uitgangspunt dat de plicht tot geheimhouding behoort tot de kernwaarden van de advocatuur en dat doorbreking daarvan door de advocaat slechts in zeer uitzonderlijke gevallen mag gebeuren. Daarbij valt te denken aan een directe dreiging van ernstig, toekomstig gevaar voor de advocaat zelf of een betrokkene dat zonder het doorbreken van het beroepsgeheim niet kan worden afgewend. Het betaamt een advocaat indien hij doorbreking van de geheimhoudingsplicht overweegt, daarover voorafgaand met de deken overleg te plegen en diens advies in te winnen (HvD 3 mei 2019, ECLI:NL:TAHVD:2019:22). Twijfels van een advocaat over de identiteit van zijn client en het vermoeden dat deze voor de Iraanse geheime dienst werkzaam was, waren onvoldoende om de geheimhouding te doorbreken (HvD 30 november 2018, ECLI:NL:TAHVD:2018:200).
Tot slot biedt het gedragsrecht in regel 3 lid 4 nog een uitzonding op de geheimhoudingsplicht wanneer de advocaat zich tegen een claim of tuchtklacht van de cliënt verdedigt of de cliënt in rechte moet aanspreken. De geheimhoudingsplicht kan volgens de tuchtrechter onder omstandigheden wijken voor de uitoefening van gerechtvaardigde rechten die noodzakelijk meebrengen het zwijgen te doorbreken. Dit kan het geval zijn waar sprake is van het recht op toegang tot de rechter voor de incasso van een declaratie. Dan krijgen derden, zoals een deurwaarder, de advocaat aan wie de incasso is opgedragen en de rechter kennis van vertrouwelijke informatie (HvD 19 december 2016, ECLI:NL:TAHVD:2016:257).

Verschoningsrecht

Ter borging van de geheimhoudingsplicht kunnen advocaten een beroep doen op hun verschoningsrecht. Dat verschoningsrecht ziet vooral op een uitzondering op de getuigplicht in onder meer artikel 218 Sv, artikel 165 lid 2 onder b Rv en artikel 5:20 lid 2 Awb. Dit verschoningsrecht vindt zijn grondslag in het algemene rechtsbeginsel dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde voor advies en bijstand tot een advocaat moet kunnen wenden. De vertrouwelijkheid weegt dan zwaarder dan het maatschappelijk belang van waarheidsvinding (HR 1 maart 1985, NJ 1986/173 , Notaris Maas).
Het verschoningsrecht strekt wel uitsluitend tot bescherming van wat een advocaat in zijn hoedanigheid is toevertrouwd. Treedt een advocaat in een andere hoedanigheid op, dat is informatie mogelijk niet aan hem ‘als zodanig’ toevertrouwd. De toelichting bij gedragsregel 3 geeft daarvan enkele voorbeelden, zoals de advocaat die in e-mailcorrespondentie in cc wordt gezet met geen ander doel dan de inhoud van de e-mail onder de vertrouwelijkheid te brengen of het laten deelnemen van een advocaat aan een gesprek met het enige doel om wat tijdens het gesprek ter tafel komt vertrouwelijk te laten zijn.

Vragen?

Heb je een vraag over het toepassen van een bepaalde kernwaarde? Of loop je tegen een situatie aan waarin meerdere kernwaarden met elkaar botsen? Neem voor advies gerust contact op met Robert Sanders, advocaat Tucht- en klachtrecht.

Deze blog is deel 6 in de zesdelige blogserie “Kernwaarden advocatuur”.

Lees ook:

deel 1: Back to basics: kernwaarden advocatuur

deel 2: Partijdigheid

deel 3: Onafhankelijkheid

deel 4: Deskundigheid

deel 5: Integriteit

Integriteit is inherent aan het beroep van advocaat. Deze kernwaarde weerklinkt in de overige kernwaarden. Wat is een integere advocaat? Het antwoord op die vraag zal afhangen van degene aan wie je hem stelt. De tuchtrechter lijkt de kernwaarde integriteit in ieder geval steeds vaker te gebruiken als een algemene kapstok om het gedrag van advocaten aan te toetsen. In dit vierde deel van de blogserie over kernwaarden staat de kernwaarde integriteit centraal.

Wat betekent integriteit?

Integere beroepsuitoefening is essentieel om de bijzondere positie van de advocaat te legitimeren en het vertrouwen in de beroepsgroep te waarborgen. Integer wil zeggen dat de advocaat boven de zaak staat, hij belangenverstrengelingen tegen gaat en zich kan verantwoorden voor zijn keuzes, gegeven zijn rol binnen de rechtsorde.

Integriteit omvat ook financiële integriteit. De derdengeldenrekening dient op een inzichtelijke en integere wijze te worden gebruikt. Bankieren met gelden op de derdengeldenrekening is vanzelfsprekend niet toegestaan. Daarover is het hof van discipline duidelijk in een op 4 december 2020 gewezen uitspraak (ECLI:NL:TAHVD:2020:264).

Ook moet een advocaat bedacht zijn op verplichtingen die voortvloeien uit de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren terrorisme (“Wwft”).

Zo bepaalt gedragsregel 1 dat de advocaat zich zodanig dient te gedragen dat het vertrouwen in de advocatuur of in zijn eigen beroepsuitoefening niet wordt geschaad. In dit kader is verder relevant de eed of belofte die een advocaat aflegt tijdens de beëdiging tot advocaat. Daarbij zweren of beloven zij getrouwheid aan de Koning, eerbied voor de rechterlijke autoriteiten en dat zij geen zaak zullen aanraden of verdedigen die zij in gemoede niet geloven rechtvaardig te zijn (zie artikel 3 lid 2 Advocatenwet).

Een integere advocaat handelt niet in strijd met de regels van “fair play”: hij laat zich niet onnodig grievend uit, hij verstrekt niet willens en wetens onjuiste informatie, neemt niet stiekem gesprekken op en benadert hij de wederpartij die door een advocaat wordt bijgestaan niet rechtstreeks. In de gedragsregels 4 tot en met 10 krijgt de kernwaarde integriteit nader vorm.

Wat een behoorlijk advocaat (niet) betaamt

Integriteit blijft een beetje een vaag begrip. De volgende casus die speelde bij de raad van discipline Arnhem-Leeuwarden op 2 november 2020 (ECLI:NL:TADRARL:2020:277) maakt inzichtelijk welk handelen in ieder geval niet als integer wordt aangemerkt.

Een advocaat trad op als faillissementscurator. Op grond van gedragsregel 9 is hij ook in dat geval onderworpen aan het advocatentuchtrecht. Voor de raad stond vast dat de advocaat als curator de failliete boedel bewust heeft benadeeld door mee te werken aan een verkoop en een doorverkoop van een zich in de failliete boedel bevindend pand. Daarbij zou hij profiteren van de winst die door de doorverkoop zou worden gemaakt.  Daarnaast staat vast dat de advocaat valse declaraties heeft opgemaakt waarop de rekeningnummers van zijn eigen vennootschappen waren vermeld en dat deze valse declaraties in totaal een aanzienlijk bedrag betroffen. De advocaat heeft met name de kernwaarde integriteit in grove mate, meermaals en gedurende langere tijd geschonden, aldus de raad. Voor een advocaat die op een dergelijke manier kernwaarden met voeten treedt, is geen plaats in de advocatuur. Gevolg: schrapping van het tableau.

Conclusie die hieruit kan worden getrokken is dat een advocaat die optreedt in een andere hoedanigheid ook in die hoedanigheid integer dient te handelen.

Privégedragingen

Hoe zit dat dan met privégedragingen? Hier gaan we nog een stap verder. Gedragingen van een advocaat die zich in een privé situatie hebben voorgedaan zijn onder omstandigheden óók aan tuchtrecht onderworpen. Er moet dan sprake zijn van voldoende verwevenheid met de beroepsuitoefening.

Een advocaat die zich schuldig maakte aan brandstichting en vernieling van een woning in de privésfeer, moest zich verantwoorden voor de tuchtrechter. Het hof van discipline overwoog in een uitspraak van 26 maart 2018 (ECLI:NL:TAHVD:2018:52) dat de verweten gedragingen in het licht van de beroepsuitoefening absoluut ongeoorloofd zijn. De verweten gedragingen raken de integriteit van een advocaat. De verweten gedragingen zijn daarmee vatbaar voor een tuchtrechtelijke toetsing. De advocaat kreeg een onvoorwaardelijke schorsing voor de duur van 26 weken opgelegd.

Financiële integriteit

Zoals opgemerkt omvat de kernwaarde integriteit ook financiële integriteit. Van een advocaat mag immers worden verwacht dat hij de kernwaarde integriteit beschermt, zich van die waarde voortdurend bewust is en dat hij zijn handelwijze afstemt op het voorkomen van twijfel daarover. Volgens het hof van discipline is deze kernwaarde een belangrijke, zo niet zelfs de belangrijkste kernwaarde van de advocatuur, zie de uitspraak van 3 juli 2019 (ECLI:NL:TAHVD:2019:43).

Het hof oordeelde daar dat de advocaat in kwestie in strijd heeft gehandeld met artikel 46 Advocatenwet en de kernwaarde integriteit door cliënten en derden ertoe te bewegen betalingen, die zijn kantoor toekwamen, aan hem te doen en door te proberen deze onregelmatigheden te verbergen door het bewerken van een bankafschrift. Ondanks een blanco tuchtrechtelijk verleden legt het hof de advocaat de zwaarte maatregel van schrapping op.

Vragen?

Heb je een vraag over het toepassen van een bepaalde kernwaarde? Of loop je tegen een situatie aan waarin meerdere kernwaarden met elkaar botsen? Neem voor advies gerust contact op met Vera Balvers, advocaat Tucht- en klachtrecht.

Deze blog is deel 5 in de zesdelige blogserie “Kernwaarden advocatuur”.

Lees ook:

deel 1: Back to basics: kernwaarden advocatuur

deel 2: Partijdigheid

deel 3: Onafhankelijkheid

deel 4: Deskundigheid

deel 6: Vertrouwelijkheid

Vakinhoudelijke deskundigheid is voor een advocaat noodzakelijk om zijn cliënt met raad en daad te kunnen bijstaan. In dit vierde deel van de zesdelige blogserie over de kernwaarden behandelen we dit keer de kernwaarde deskundigheid.

Het centrale kernwaardenartikel 10a in de Advocatenwet schrijft voor dat een advocaat bij de uitoefening van zijn beroep deskundig is en kan beschikken over voldoende kennis en vaardigheden. In de parlementaire toelichting wordt daarbij de juridische deskundigheid van de advocaat vooropgesteld: hij moet op basis van actuele juridische kennis de inhoudelijke en procesrechtelijke kant van een zaak kunnen beoordelen en over voldoende kennis en deskundigheid beschikken om in het concrete geval te adviseren en te procederen.

Een leven lang leren

Om te beginnen is een afgeronde universitaire rechtenstudie met het zogenoemde civiel effect een vereiste om in Nederland als advocaat te worden ingeschreven. In de aanvangsjaren van de praktijk, de advocatenstage, is een advocaat ook verplicht om de beroepsopleiding te volgen, die met een examen wordt afgesloten. De beroepsopleiding omvat onder meer onderwijsonderdelen ethiek, algemene vaardigheden, kantoorspecifieke vaardigheden en juridisch-inhoudelijke kennis. Vanaf 1 maart 2021 zijn advocaten die met de beroepsopleiding beginnen verplicht eerst een basistest af te leggen. De basistest heeft een diagnostisch karakter en geeft de advocaat-stagiair inzicht in het niveau en de actualiteit van zijn juridisch-inhoudelijke kennis.

Om na drie jaar een stageverklaring te krijgen moet de advocaat allereerst beschikken over het certificaat beroepsopleiding vereist. De stage is ook bedoeld als ‘learning on the job’: aan het eind van de stage moet de advocaat naar het oordeel van de raad van de orde in staat zijn zelfstandig en naar behoren de praktijk uit te oefenen. Praktijkervaring omvat dan ook meer dan louter gedegen kennis van het recht. Dit betekent bijvoorbeeld dat zijn kantoororganisatie voldoende op orde moet zijn. De Verordening op de advocatuur werkt in artikel 4.1 deskundigheid uit met de term vakbekwaamheid. Daaronder wordt verstaan de professionele kennis en kunde die nodig is voor de uitoefening van de praktijk.

Na afronding van de stage rust op de advocaat een algemene verplichting om zijn kennis te onderhouden en te ontwikkelen. In het kader van permanente opleiding schrijft artikel 4.4 van de Voda voor dat een advocaat elk jaar ten minste twintig opleidingspunten behaalt, waarvan ten minste de helft betrekking heeft op een voor zijn praktijk relevant rechtsgebied. Opleidingspunten kunnen worden behaald door het volgen of het geven van academisch of postacademisch onderwijs dat de praktijkuitoefening of de praktijkvoering ten goede komt, of door het schrijven en laten publiceren van juridische artikelen.

Een advocaat kan een tekort aan opleidingspunten tot maximaal tien punten compenseren met een overschot aan punten uit het voorgaande jaar; ontbrekende opleidingspunten moeten telkens binnen een jaar na afloop van het daaropvolgende kalenderjaar zijn ingehaald. De deken houdt actief toezicht op de naleving van de opleidingsverplichtingen. Een advocaat die vele jaren achtereen niet tijdig de verplichte minimale opleidingspunten behaalt loopt dan zelfs het risico om naar aanleiding van een dekenklacht van het tableau te worden geschrapt (zie bijvoorbeeld HvD 9 juli 2018, ECLI:NL:TAHVD:2018:137).

Sinds 1 maart 2020 zijn advocaten verplicht om elk jaar deel te nemen aan zogenoemde kwaliteitstoetsen. Aan die verplichting kunnen advocaten voldoen door middel van intervisie, peer review of gestructureerd intercollegiaal overleg. Ook met deelname aan deze kwaliteitstoetsing kunnen opleidingspunten worden behaald.

Schoenmaker…

Het recht wordt steeds complexer en de veelheid aan rechtsgebieden steeds groter. Het voeren van een algemene praktijk komt daardoor onder druk te staan en de generalist verdwijnt stilaan. Bij het aannemen van zaken zal een advocaat dan ook een inschatting moeten maken of hij de deskundigheid bezit die nodig is voor de behandeling. Een advocaat neemt dus alleen zaken aan waarvoor hij de deskundigheid bezit dan wel waarvoor hij gebruik maakt van de deskundigheid van een ander (artikel 4.1 lid 2 Voda). De vereiste deskundigheid kan zien op juridische kennis, kennis van het beroep van advocaat, maar ook op technische of theoretische kennis op een ander terrein, zoals accountancy.

Hieruit volgt dat een advocaat zich onthoudt van de verlening van rechtsbijstand op rechtsgebieden waarin hij niet of over onvoldoende deskundigheid beschikt. Van een advocaat mag in ieder geval worden verwacht dat hij zijn cliënt (die vaak niet in staat is om over de deskundigheid van de advocaat te oordelen) tijdig informeert of hij, al dan niet met de inschakeling van derden, voldoende is toegerust om rechtsbijstand te verlenen in concrete zaken op specifieke rechtsgebieden.

De tendens in de advocatuur is dat advocaten zich steeds meer specialiseren. Er zijn ook specialisatieverenigingen opgericht op verschillende rechtsgebieden, zoals de Vereniging voor Insolventierecht Advocaten (INSOLAD) of de Nederlandse Vereniging van Strafrechtadvocaten (NVSA). Vaak moeten de leden voldoen aan toelatings- en opleidingseisen en de nodige ‘vlieguren’ hebben behaald. In het verlengde van die specialisatieontwikkeling zijn advocaten sinds enkele jaren verplicht zich na hun stage te laten registreren in het rechtsgebiedenregister en deze registratie bekend te maken. De registratie ziet op minimaal een en maximaal vier van de 35 hoofdrechtsgebieden (artikel 6.32 Voda). Voorwaarde voor die registratie is dat de advocaat eerst tien opleidingspunten per geregistreerd hoofdrechtsgebied heeft behaald.

Een bijzondere specialisatie die in de wet is geregeld is de cassatiepraktijk. Om advocaat bij de Hoge Raad te kunnen worden en toelating te krijgen tot de zogenoemde civiele cassatiebalie moet worden voldaan aan specifieke vakbekwaamheidseisen die zijn uitgewerkt in afdeling 4.2 van de Voda.

Tuchtrechtelijke toetsing

De tuchtrechter ziet het mede tot zijn taak de kwaliteit van de dienstverlening door een advocaat aan een cliënt te beoordelen, indien de cliënt daarover klaagt. De kwaliteit van de dienstverlening wordt door de tuchtrechter in volle omvang getoetst, maar deze houdt bij zijn beoordeling rekening met de vrijheid die de advocaat dient te hebben met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes waarvoor een advocaat bij de behandeling kan komen te staan. De vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en de keuzes waarvoor hij kan komen te staan zijn niet onbeperkt, maar worden begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen zijn beroepsgroep als professionele standaard geldt. Die professionele standaard veronderstelt “een handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht” (HvD 20 september 2013, ECLI:NL:TAHVD:2013:260).

Tot die professionele standaard behoort onder meer het inschatten van en informeren over proceskansen, procesrisico’s en de daarin verbonden kosten. In de tuchtrechtelijke jurisprudentie is daarbij de kanttekening gemaakt dat binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit van dienstverlening, geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden (zie bijvoorbeeld HvD 22 januari 2021, ECLI:NL:TAHVD:2021:12). Tuchtrechtelijke toetsing van de kwaliteit van de dienstverlening vindt dan ook meestal aan de hand van de genoemde maatstaf van de redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat.

Vragen?

Heb je een vraag over het toepassen van een bepaalde kernwaarde? Of loop je tegen een situatie aan waarin meerdere kernwaarden met elkaar botsen? Neem voor advies gerust contact op met Robert Sanders, advocaat Tucht- en klachtrecht.

Deze blog is deel 4 in de zesdelige blogserie “Kernwaarden advocatuur”. Lees ook:

Deel 1: Back to basics: kernwaarden advocatuur

Deel 2: Partijdigheid

Deel 3: Onafhankelijkheid

Deel 5: Integriteit

Deel 6: Vertrouwelijkheid

Robert Sanders, advocaat tucht- en klachtrecht, zal vanaf februari zijn praktijk gedeeltelijk combineren met het docentschap aan de Universiteit Leiden voor het privatissimum Tuchtrecht- en Beroepsaansprakelijkheid.

Het privatissimum is allereerst gericht op het aanleren van wetenschappelijke en academische vaardigheden. Daarnaast oefenen studenten vaardigheden die ook in de rechtspraktijk noodzakelijk zijn: zelf zoeken en schrijven onder tijdsdruk. In kleine groepjes werken studenten diverse opdrachten uit. Zij sluiten het privatissimum af door het houden van een referaat.

Robert Sanders is advocaat en expert op het gebied van tuchtrecht en staat met name vrije beroepsbeoefenaren bij die binnen hun vakgebied een tuchtrechtregeling kennen, zoals advocaten, notarissen, accountants en medici. Na zijn rechtenstudie aan de Universiteit Leiden en het vervullen van zijn dienstplicht als reserveofficier bij de Koninklijke Luchtmacht was Robert gedurende veertien jaar werkzaam als uitgever bij drie vooraanstaande uitgeverijen op het uitgeven van (onder meer) medische, fiscale, financiële en juridische vakbladen. In 2009 maakte Robert de overstap naar de Nederlandse orde van advocaten, waar hij zich – aanvankelijk als senior beleidsadviseur, later als advocaat – ruim zes jaar lang voornamelijk met tuchtzaken bezighield. In 2017 promoveerde Robert aan de Universiteit van Amsterdam op het advocatentuchtrecht. Hij publiceert en spreekt regelmatig over tuchtrechtelijke onderwerpen en is lid van de Commissie Disciplinaire Rechtspraak van de Nederlandse orde van advocaten. Daarnaast is hij voorzitter van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege van de SRA.

Ons kantoor heeft een sterke band met de Universiteit Leiden en hecht veel waarde aan de samenwerking. Het is dan ook niet de eerste keer dat een van onze advocaten les gaat geven; eerder was dat het geval binnen het privatissimum Arbeidsrecht. Ook doceerden advocaten van ons kantoor binnen het vak Huurrecht en leverden wij praktijkjuristen voor het Moot Court.

Wij zijn er dan ook trots op dat onze kantoorgenoot Robert Sanders zijn kennis en ervaring nu mag delen met de advocaten van de toekomst!

Een advocaat moet vrij van druk en beïnvloeding van buitenaf zijn beroep kunnen uitoefenen en rechtszoekenden moeten een onafhankelijk juridisch advies kunnen krijgen. In de vorige blog stond partijdigheid centraal, in dit derde deel van de zesdelige blogserie over kernwaarden gaan we nog eens in op de essentiële voor het optreden van een advocaat: de kernwaarde onafhankelijkheid.

Onafhankelijkheid is op zichzelf een nogal abstract begrip. Ook gedragsregel 2 lid 1 gaat uit van de algemeen geformuleerde bepaling dat de advocaat vermijdt dat zijn onafhankelijkheid in de uitoefening van zijn beroep in gevaar zou kunnen komen. In artikel 10a lid 1 van de Advocatenwet wordt onafhankelijkheid uitgesplitst in onafhankelijkheid ten opzichte van (i) de cliënt, (ii) derden en (iii) de zaken waarin hij als zodanig optreedt.

Uit de kernwaarde partijdigheid volgt al dat de advocaat de belangen van zijn cliënt leidend laat zijn. In de tuchtrechtspraak wordt dan ook met grote regelmaat gewezen op de vrijheid die de advocaat heeft bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt. Bij de beoordeling van een klacht afkomstig van de wederpartij staat voorop “dat een advocaat een ruime mate van vrijheid geniet om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze als hem in overleg met zijn cliënt goeddunkt”. Die vrijheid is echter niet absoluut; zie bijvoorbeeld HvD 15 april 2013, ECLI:NL:TAHVD:2013:YA4394 voor de grenzen die de tuchtrechter stelt aan het optreden van een advocaat ten opzichte van de wederpartij.

Van een advocaat wordt dus ook verwacht dat hij kritisch blijft en ook oog heeft voor de context van de belangen van zijn cliënt en voor de belangen van andere betrokkenen, zoals de wederpartij of derden (zie bijvoorbeeld gedragsregel 6 lid 1 over de doelmatigheid van de zaak, ook jegens die wederpartij). Zoals in de parlementaire geschiedenis is opgemerkt confronteert een advocaat desnoods zijn cliënt met gerechtvaardigde belangen van anderen. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn in strafzaken waar het gaat om de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van derden die worden genoemd in de schriftelijke stukken bij een zaak, zoals slachtoffers of getuigen.

Een advocaat moet ook onafhankelijk staan tegenover de zaak die hij behandelt, dat wil zeggen met voldoende afstand, onbevangen en onbevooroordeeld. Persoonlijke belangen van de advocaat mogen geen rol spelen bij de behandeling van de zaak; daarin ligt ook het belangrijkste bezwaar tegen het maken van een beloningsafspraak op basis van no cure no pay. Het is ongewenst dat een advocaat een persoonlijk financieel belang zou hebben bij de uitkomst van de zaak die hij behandelt. Ook in zijn relatie met derde-financiers (zoals de Raad voor Rechtsbijstand, rechtsbijstandsverzekeraars of commerciële procesfinanciers) behoort een advocaat te waken voor voorwaarden die zijn onafhankelijkheid onder druk zetten.

Het in acht nemen van de kernwaarde onafhankelijkheid betekent overigens niet dat de advocaat geen relatie met zijn cliënt zou mogen opbouwen. De relatie mag echter niet zover gaan dat deze afbreuk kan doen aan zijn verantwoordelijkheid om een cliënt zo nodig van kritisch advies te dienen, zijn vrijheid om een cliënt of zaak te weigeren, of om te besluiten dat hij niet langer de belangen van een cliënt zal behartigen. Zo kan het lenen van een geldsom van of aan een cliënt van wie de advocaat zaken behandelt, de vereiste onafhankelijkheid aantasten (zie HvD 10 april 2015, ECLI:NL:TAHVD:2015:115).

Anders dan een notaris heeft een advocaat geen ministerieplicht; het is zijn eigen keuze om een zaak wel of niet aan te nemen. Elke advocaat zweert of belooft immers bij zijn beëdiging dat hij geen zaak zal aanraden of verdedigen die hij in gemoede niet gelooft rechtvaardig te zijn.

Tot slot stelt de onafhankelijkheid ook zekere grenzen aan de werkkring van waaruit een advocaat zijn beroep uitoefent. Het merendeel van de in Nederland ingeschreven advocaten werkt ook op basis van een arbeidsovereenkomst en een advocaat die in loondienst werkzaam is heeft te maken met een werkgever. Artikel 5.1 van de Verordening op de advocatuur (de Voda) bepaalt in algemene zin dat advocaat niet toegestaan rechtsverhoudingen aan te gaan of te laten voortbestaan waardoor de vrijheid en onafhankelijkheid in de uitoefening van zijn beroep in gevaar kunnen worden gebracht. De Voda beperkt in artikel 5.9 de kring van toegelaten werkgevers. Voor zover die werkgever geen advocatenkantoor is, moeten de werkgever en de advocaat een professioneel statuut ondertekenen. Het professionele statuut beschermt de onafhankelijke beroepsuitoefening van de advocaat tegen ongewenste beïnvloeding door zijn werkgever met wie per definitie een hiërarchische verhouding bestaat.

Vragen?

Heb je een vraag over het toepassen van een bepaalde kernwaarde? Of loop je tegen een situatie aan waarin meerdere kernwaarden met elkaar botsen? Neem voor advies gerust contact op met Robert Sanders, advocaat Tucht- en klachtrecht.

Deze blog is deel 3 in de zesdelige blogserie “Kernwaarden advocatuur”. Lees ook:

Deel 1: Back to basics: kernwaarden advocatuur

Deel 2: Partijdigheid

Deel 4: Deskundigheid

Deel 5: Integriteit

Deel 6: Vertrouwelijkheid

Partijdigheid is een bijzondere kernwaarde waarmee de advocatuur zich onderscheidt van andere togadragers. Het gerechtvaardigde belang van de cliënt staat voorop bij de wijze waarop een advocaat de zaak behandelt. Partijdigheid is de kernwaarde die in het tweede deel van de zesdelige blogserie over kernwaarden centraal staat.

Een advocaat is een partijdige belangenbehartiger, in tegenstelling tot bijvoorbeeld een notaris of een accountant. Partijdige belangenbehartiging betekent dat de advocaat het partijbelang van zijn cliënt naar zijn beste vermogen tot uitdrukking moet brengen in een zaak en dat hij van niemand anders opdrachten mag ontvangen dan van zijn cliënt (zie gedragsregel 2 lid 2).

Partijbelang staat voorop

De advocaat is verplicht tegenover de cliënt te handelen met de zorgvuldigheid die van een goed opdrachtnemer verwacht mag worden (zie art. 7:401 BW).

De cliënt is immers de persoon die de advocaat om hulp heeft verzocht, degene die de opdracht heeft verleend. Partijdige belangenbehartiging moet worden gezien in de context van de fundamentele rechten op verdediging en op toegang tot het recht. Deze rechten kunnen vaak niet goed worden uitgeoefend zonder deskundige, partijdige bijstand van een advocaat. Partijdigheid draagt bij aan een evenwichtige waarheidsvinding door de rechter.

Vanwege die partijdigheid heeft een advocaat (in overleg met zijn cliënt) een ruime beleidsvrijheid bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt. Daarop bestaan wel een aantal uitzonderingen.

Gerechtvaardigde belang cliënt vs. belang derde(n)

De opdracht tot partijdigheid is beperkt tot de gerechtvaardigde belangen van de cliënt. Oftewel: het belang van de cliënt staat voorop, maar er mag niet onder alle omstandigheden lichtzinnig aan de belangen van derden voorbij worden gegaan. Een advocaat behoeft in het algemeen niet af te wegen of de gebruikte middelen in het voordeel van zijn cliënt, opwegen tegen het nadeel dat de wederpartij wordt toegebracht. Dat is alleen anders wanneer de middelen ongeoorloofd zijn of geen noemenswaardig voordeel hebben voor de eigen cliënt, terwijl deze onevenredig nadeel toebrengen aan de wederpartij.

Equality of arms

Zo mag de advocaat de wederpartij bijvoorbeeld niet rauwelijks dagvaarden (zie gedragsregel 6). Van een behoorlijk advocaat mag worden verwacht dat hij de wederpartij van zijn cliënt niet rauwelijks dagvaardt, maar dat hij deze vooraf informeert en in de gelegenheid stelt om vrijwillig aan de vordering van de cliënt te voldoen, dan wel een regeling in der minne te treffen. Een voorbeeld waarbij de advocaat op de juiste wijze te werk was gegaan is hof van discipline 5 februari 2018, ECLI:NL:TAHVD:2018:29.

Een ander voorbeeld over het rekening houden met de belangen van derden volgt uit hof van discipline 24 september 2018, ECLI:NL:TAHVD:2018:184. De advocaat in die kwestie heeft belang van de wederpartij geschaad door onverwachts een contrarapportage in te brengen bij een onderhandelingsbijeenkomst. Partijen hadden afgesproken te onderhandelen aan de hand van een bij partijen vooraf bekend deskundigenrapport. De advocaat had ten minste vooraf uitdrukkelijk een voorbehoud moeten maken toen duidelijk werd dat zijn cliënt het niet eens was met de inhoud van het deskundigenrapport. Het handelen van de advocaat brengt een forse informatieachterstand en substantiële ongelijkwaardigheid van de wederpartij ten opzichte van zijn cliënt mee. Dit handelen leverde die advocaat een waarschuwing op.

Onnodig grievend uitlaten

Ook al is de advocaat partijdig en komt hij op voor de belangen van zijn cliënt, het is niet toegestaan om onnodige grievende opmerkingen te maken over de wederpartij (zie gedragsregel 7). Zo mogen zware beschuldigingen niet als vaststaande (strafbare) feiten worden gepresenteerd. De advocaat moet zich er van tevoren van vergewissen of voldoende grond bestaat voor het uitten van zware beschuldigingen zoals valsheid in geschrifte, diefstal en/of verduistering. Als er bijvoorbeeld alleen aangifte is gedaan van een strafbaar feit, mag niet worden gesteld dat degene tegen wie de aangifte is gedaan het strafbare feit ook heeft gepleegd. Vergelijk bijvoorbeeld hof van discipline 18 oktober 2019, ECLI:NL:TAHVD:2019:190.

Lees hier ook mijn eerdere blog over (onnodige) grievende opmerkingen.

Geen onjuiste informatie verstrekken

Een advocaat mag verder geen informatie verstrekken, waarvan hij weet of behoort te weten dat deze onjuist is (zie gedragsregel 8). Hetzelfde geldt voor het achterhouden van essentiële informatie die nodig is voor een goede oordeelsvorming van de rechter. De advocaat mag daarbij in het algemeen wel afgaan op het door de cliënt verstrekte feitenmateriaal. Als de advocaat het niet vertrouwt, zal hij de ontvangen stukken moeten verifiëren op juistheid. Vergelijk bijvoorbeeld raad van discipline Arnhem-Leeuwarden 25 maart 2019, ECLI:NL:TADRARL:2019:48.

Vragen?

Heb je een vraag over het toepassen van een bepaalde kernwaarde? Of loop je tegen een situatie aan waarin meerdere kernwaarden met elkaar botsen? Neem voor advies gerust contact op met Vera Balvers, advocaat Tucht- en klachtrecht.

Deze blog is deel 2 in de zesdelige blogserie “Kernwaarden advocatuur”.

Lees ook:

deel 1: Back to basics: kernwaarden advocatuur

deel 3: Onafhankelijkheid

deel 4: Deskundigheid

deel 5: Integriteit

deel 6: Vertrouwelijkheid