Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu

Tuchtklachten worden regelmatig ingezet als pressiemiddel. Is sprake van misbruik van het (tucht)procesrecht door het indienen van een tuchtklacht, die kennelijk ongegrond wordt verklaard? Recent liet de rechtbank Rotterdam zich hierover uit in een civiele zaak die een tandarts tegen zijn patiënte, klaagster in de tuchtprocedure, had aangespannen (Rechtbank Rotterdam 26 maart 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:2754). In dit blog bespreek ik deze uitspraak.

Tuchtprocedure: klachten kennelijk ongegrond

Sinds 2012 is gedaagde patiënt bij de tandartskliniek van eiser. Op 29 juni 2018 heeft beklaagde met de kliniek gebeld, omdat zij een afgebroken kies had en daarvoor diezelfde dag behandeld wilde worden. De receptioniste van de kliniek heeft gedaagde te woord gestaan. Er bestaat discussie over wat tijdens dit gesprek precies is gezegd. Wat wel duidelijk is, is dat gedaagde tijdens dit gesprek heeft aangegeven een klacht tegen eiser (= de tandarts) in te zullen dienen. In de telefoonnotitie van de receptioniste staat het volgende geschreven:

“Mw belt met verzoek voor afspraak voor vandaag ivm afgebroken kies welke pijnlijk aanvoelt. Ik bied mevrouw een afspraak aan maar dit past niet voor haar wegens de zorg voor haar kinderen. Helaas is dit de enige vrije plaats in de agenda voor die dag en er zijn geen andere opties. Ik heb dit aan mevrouw doorgegeven waarop zij zeer verontwaardig reageert. Ik leg nogmaals uit dat bij spoed-afspraken de mogelijkheden zeer beperkt zijn. Zij blijft vervolgens ook bij haar standpunt dat ze onmogelijk kan komen op het door mij aangeboden tijdstip. Na enige tijd heen en weer gepraat geeft mevrouw aan dat ze een klacht zal gaan indienen.”

Gedaagde heeft vervolgens daadwerkelijk een tuchtklacht ingediend tegen eiser bij het regionaal tuchtcollege voor de gezondheidszorg.

In de tuchtprocedure stelt klaagster dat zij de gebeurtenissen op 29 juni 2018 anders heeft ervaren. Als gevolg van het Spaanstalige achtergrond zou zij de receptioniste mogelijk niet goed begrepen hebben, zo geeft klaagster aan. Er is een verschil in perceptie in de mededeling van de receptioniste, waardoor klaagster het gevoel kreeg dat de tandarts haar niet wilde behandelen. Klaagster is van mening dat de tandarts dan wel zijn receptioniste zich onbehoorlijk tegenover haar heeft opgesteld. In de tuchtprocedure is klaagster al in haar repliek teruggekomen op de stellingen waarvan zij op dat moment inzag dat die niet juist waren geformuleerd.

Het tuchtcollege heeft op 20 december 2018 de klacht afgewezen als kennelijk ongegrond.

Tandarts spant civiele procedure aan

Ondanks – of misschien juist vanwege het ongegrond verklaren van de klacht tegen hem – laat de tandarts het er niet bij zitten. Hij spant namelijk een civiele procedure aan tegen zijn patiënte die had geklaagd (= gedaagde in de civiele procedure). De tandarts is van mening dat gedaagde/klaagster met haar klacht bij het tuchtcollege misbruik heeft gemaakt van het procesrecht, omdat zij een klacht heeft ingediend die is gebaseerd op onjuistheden en die getuigt van een apart onredelijke stellingname.

Misbruik van tucht(proces)recht

De tandarts is van mening dat gedaagde misbruik heeft gemaakt van tucht(proces)recht door – kort gezegd – een bij voorbaat kansloze klacht in te dienen. Misbruik maken van een processuele bevoegdheid, zoals de bevoegdheid om een tuchtklacht in te dienen, kan misbruik van bevoegdheid als bedoeld artikel 3:13 BW opleveren, aangezien deze bepaling op grond van artikel 3:15 BW ook buiten het vermogensrecht toepassing vindt.

De rechtbank Rotterdam overweegt dat pas sprake is van misbruik van procesrecht als het instellen van de vordering, gelet op de duidelijke ongegrondheid ervan, achterwege gelaten had moeten worden gelet op de belangen van de wederpartij. Daarvan is bijvoorbeeld sprake als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij wist dat deze onjuist waren of als hij van te voren moest begrijpen dat de vordering geen kans van slagen had (vergelijk ECLI:NL:HR:2012:BV7828). Gelet op de onbelemmerde toegang tot de tuchtrechter moet de rechter terughoudend zijn bij het aannemen van misbruik van tucht(proces)recht.

Indienen tuchtklacht niet onrechtmatig

In de civiele procedure ligt de vraag voor of gedaagde onrechtmatig jegens de tandarts heeft gehandeld door het indienen van een “kansloze” tuchtklacht waardoor gedaagde misbruik van tucht(proces)recht zou hebben gemaakt.

De rechtbank overweegt dat partijen het vermeende tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen anders hebben ervaren. Niet is komen vast te staan wat exact gezegd is tijdens het gesprek tussen gedaagde en de receptioniste van de kliniek. Maar zoals gezegd wel dat gedaagde had aangegeven een klacht te zullen indienen. Volgens de rechtbank kan de ingediende klacht voor eiser dus niet als een verrassing zijn gekomen. Naar het oordeel van de rechter is bovendien geen sprake van een klacht met slechts het doel het schaden van de belangen van eiser of een klacht waarvan gedaagde wist dat deze onjuist was. Het stond gedaagde daarom vrij een klacht in te dienen.

Dat het tuchtcollege de klacht ongegrond heeft verklaard doet daar niet aan af. Vooral niet aan hoe beklaagde de gebeurtenissen op 29 juni 2018 heeft beleefd. Dat de tandarts daar anders over denkt brengt niet direct met zich dat sprake is van evidente onwaarheden die gedaagde hadden moeten weerhouden van het indienen van een tuchtklacht. Of van een klacht waarvan gedaagde vooraf had moeten weten dat deze geen kans van slagen had. Van misbruik van (tucht)procesrecht door het indienen van een klacht bij het tuchtcollege is naar het oordeel van de kantonrechter dan ook geen sprake. De rechter wijst de vordering daarom af.

Conclusie

De rechter moet terughoudend toetsen of sprake is van misbruik van procesrecht. Daarvan kan sprake zijn als het instellen van de vordering, gelet op de duidelijke ongegrondheid ervan, achterwege gelaten had moeten worden gelet op de belangen van de wederpartij. Kortom, het indienen van een (ongegronde) tuchtklacht zal niet snel misbruik van tucht(proces)recht opleveren.

Meer weten over de verhouding tussen tuchtrechtelijke verwijtbaarheid en civiele aansprakelijkheid? Lees daarover ook dit eerdere blog.

Voor vragen kunt u contact opnemen met advocaat Tucht- en klachtrecht Vera Balvers.

Een advocaat heeft in zijn werk een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt zo goed mogelijk te behartigen. Deze vrijheid is uiteraard niet onbeperkt. Gedragsregel 7 bepaalt dat de advocaat zich niet onnodig grievend uitlaat. Hoe zat dat ook alweer? Waar ligt de grens tussen een scherpe en een onnodig grievende opmerking?

Vrijheid advocaat

Bij de behandeling van de zaak en als vertolker van de standpunten van cliënt heeft de advocaat een grote vrijheid. Van die vrijheid moet hij bij de uitoefening van zijn beroep op behoorlijke wijze gebruikmaken en met inhoudelijke argumenten. De advocaat moet er voor waken dat daarbij derden onnodig worden gekwetst en geschaad.

De tuchtrechter stelt in het algemeen de vrijheid van de advocaat om op te komen voor de belangen van de cliënt voorop bij de beoordeling van een klacht op grond van gedragsregel 7. De vrijheid van meningsuiting geldt immers ook voor advocaten en de advocaat is partijdig. De bijzondere aard van het juridische beroep brengt wel mee dat het optreden van de advocaat in het openbaar discreet, eerlijk en waardig dient te zijn.

Belastende bewoordingen zijn onnodig grievend

Het Hof van Discipline komt in de volgende zaak tot het oordeel dat de advocaat zich in een door hem opgestelde dagvaarding onnodig grievend heeft uitgelaten (zie ECLI:NL:TAHVD:2019:189). De advocaat had in de dagvaarding onder meer de volgende passages opgenomen:

“12. [De G] wenste uiteraard niet mee te werken aan het plegen van fraude en/of het plegen van het misdrijf van valsheid in geschrifte, en heeft zijn vordering op [Van den B], uit hoofde van voornoemde financiering, in eerste instantie een beloop gegeven van € 180.000,- te vermeerderen met rente en kosten, uitdrukkelijk onder het voorbehoud zoals beschreven in positum 9 van deze dagvaarding, en overigens zonder overige aanspraken prijs te geven.

13. Daaropvolgend is door [Van den B] en diens advocaat [klager], getracht de heer [De G] te chanteren, door aan te geven dat indien de heer [De G] de tegen [Van den B] gerichte incassodagvaarding d.d. 29 februari 2016 voor de eerst dienende dag aan zou brengen bij de rechtbank, dan wel indien de heer [De G] het uiteindelijk op afgifte van een verstekvonnis tegen [Van den B] aan zou laten komen, [Van den B] dan wel diens advocaat [klager], de curator van het inmiddels failliete [V BV] zouden wijzen op de vermeend onverplichte betaling van € 120.000,- via [V BV] aan de heer [De G].

14. Voor de goede orde, de heer [G] stuurde simpelweg op nakoming van de gemaakte contractuele afspraken (zie productie 1 voornoemd), hetgeen uiteraard zijn goed recht was. Chantage viel hem echter ten deel.

15. Hoewel bewijslevering van voornoemde chantage en uitlokking tot het plegen van het misdrijf van valsheid in geschrifte strikt genomen niet noodzakelijk is om te kunnen komen tot toewijzing van de in deze dagvaarding besloten liggende vorderingen, wordt bewijs van één en ander voor zover vereist aangeboden. Aangezien het bewijs besloten ligt in de confraternele correspondentie, wordt de advocaat van de heer [B], [klager], bij deze verzocht toestemming te geven voor de overlegging van zijn e-mail berichtgeving aan de advocaat van [De G] d.d. 19 februari 2016 en d.d. 9 maart 2015.”

Het Hof van Discipline overwoog in dit verband dat, wat er ook zij van de verwijtbaarheid van het inhoudelijke voorstel van klager, de advocaat de kwestie niet in deze belastende bewoordingen had mogen adresseren in de dagvaarding. Voor zover de advocaat aan het volgens zijn cliënt gedane voorstel had willen refereren, had hij dat in neutralere bewoordingen moeten doen. Het Hof van Discipline vindt de gekozen bewoordingen extra kwalijk nu de beschuldigingen van ernstige strafbare feiten van de advocaat aan het adres van klager niet noodzakelijk waren ter onderbouwing van het standpunt van zijn cliënt.

De onderliggende uitspraak van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden waarin aan de advocaat een waarschuwing is gegeven wordt door het Hof van Discipline bekrachtigd (zie ECLI:NL:TADRARL:2019:117).

Hoe moet het dan wel?

Volgens het Hof van Discipline kan het volgende citaat in ieder geval niet als onnodig grievend worden aangemerkt, omdat de advocaat het standpunt van zijn cliënten zakelijk heeft weergegeven (zie ECLI:NL:TAHVD:2020:12):

“[klaagster] heeft een ontzegging ten aanzien van het binnentreden van het kantoor van cliënte in verband met het tweemaal creëren van een rel met scheldkanonnade en het gooien met deuren op genoemd kantoor. De verkoopmedewerkster van cliënte (…) werd uitgescholden voor o.a. “kankerhoer”. Dit soort gedrag en beledigingen van het personeel van cliënte accepteert zij niet. Daarnaast zijn er onregelmatigheden vastgesteld bij de elektrameter van het huisje van [klaagster].. (…) Een dergelijke persoon hoeft cliënte niet als gesprekspartner te accepteren.”

Het hof overwoog hierbij nog dat het door de advocaat hiervoor weergegeven standpunt van zijn cliënten ook geen stelling betrof waarvan hij wist of redelijkerwijs kon weten dat deze in strijd met de waarheid is.

Grijs gebied

Het is dus een vrij groot grijs gebied welke uitlatingen betamelijk zijn en welke niet en dus onnodig grievend. Tip: de advocaat doet er in het algemeen verstandig aan niet steeds de grenzen op te zoeken. Dat is meestal ook niet in het belang van de cliënt.

Vragen of overleg? Neemt contact op met Vera Balvers, advocaat Tucht- en klachtrecht

In een recente uitspraak heeft de Accountantskamer te Zwolle de inschrijving van een accountant in de registers doorgehaald voor de duur van maar liefst 10 jaar. Dat is de zwaarst mogelijke maatregel. De reden? De accountant had bewust onjuiste aangiftes gedaan en een vennootschap opgericht met als enige doel het veiligstellen van een sociale uitkering. In dit blog licht ik de betreffende uitspraak van de Accountantskamer toe en waarom de Accountantskamer een doorhaling op zijn plaats vond.

Feitenkader

Het Openbaar Ministerie heeft een klacht ingediend tegen een accountant die voor de onderneming van de zoon van een vriend administratieve werkzaamheden verrichtte en aangiftes omzetbelasting en loonheffing verzorgde. De belastingdienst heeft bij de vennootschap in 2016 een insolventieonderzoek uitgevoerd. En ook de FIOD heeft onderzoek gedaan.

De bevindingen uit voornoemde onderzoeken vormden voor klager aanleiding (over de jaren 2014, 2015 en eerste kwartaal 2016) strafrechtelijk onderzoek uit te voeren naar het opzettelijk niet voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan gestelde wettelijke eisen van de vennootschap en de eenmanszaak, naar het doen van opzettelijk onjuiste en/of onvolledige aangiften OB van de vennootschap en de eenmanszaak en naar het doen van opzettelijk onjuiste en/of onvolledige aangiften LH van de vennootschap. Tijdens het onderzoek komt vast te staan dat bewust onjuiste aangiftes zijn gedaan. De accountant erkent dit ook:

“(…), ik was me er van bewust dat de aangifte [aangiften loonheffingen] niet juist was en de intentie was er om deze te corrigeren. Dit mede omdat er voldoende geld op de G-rekening stond. De nihilaangifte was de meest praktische oplossing, omdat ik niet beschikte over de complete onderliggende gegevens per personeelslid per periode. Dit leverde teveel werk op. Bij de aangifte loonheffingen kun je niet volstaan met een simpele loonsom. Er moeten namelijk heel veel gegevens worden ingevuld. Bovendien zou met het nieuwe UBplus pakket nieuwe gecorrigeerde aangiften worden ingediend over oudere periodes en dan was het probleem opgelost. Geld was dus niet het probleem.

Het komt er op neer dat alle aangiften over 2014 onjuist zijn ingediend.”

Daarnaast heeft de accountant ten behoeve van het veilig stellen van een sociale uitkering voor de zieke zoon een vennootschap opgericht met de bedoeling dat de zoon daarbij in dienst zou treden.

Tot slot heeft de accountant een deel van de inventaris van de vennootschap gekocht en deze vervolgens direct weer in bruikleen gegeven aan diezelfde vennootschap.

De vraag die voorligt is of de accountant door bovengenoemd handelen tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Toetsingskader

De accountant is ten aanzien van de uitoefening van zijn beroep aan tuchtrechtspraak onderworpen. Dat geldt voor elk handelen of nalaten in strijd met het bij of krachtens de Wet op het accountantsberoep (“Wab”) bepaalde en elk andere handelen of nalaten dat in strijd is met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep.

Het handelen en/of nalaten van de accountant dat plaatsvond ná 4 januari 2014 moet verder worden getoetst aan de Verordening gedrags- en beroepsregels (“VGBA”).

Kernwaarden integriteit en vakbekwaamheid & zorgvuldigheid

De Accountantskamer overweegt dat de accountant door mee te werken aan het indienen van bewust te laag opgestelde aangiften omzetbelasting en loonheffing, althans het daartoe adviseren, en deze ook zelf voor de eenmanszaak en de vennootschap in te dienen in strijd heeft gehandeld met een aantal fundamentele beginselen.

Ten eerste heeft de accountant niet integer gehandeld, wat in strijd is met artikel 6 VGBA. Artikel 6 VGBA bepaalt namelijk:

“De accountant treedt eerlijk en oprecht op.”

Dit artikel is duidelijk: de accountant doet eerlijk zaken en doet de waarheid geen geweld aan.

Ten tweede heeft de account de kernwaarde “vakbekwaamheid en zorgvuldigheid” als bedoeld in artikel 13 VGBA geschonden. Artikel 13 VGBA luidt als volgt:

“1.De accountant past de bij een professionele dienst relevante wet- en regelgeving toe.

2.De accountant voert een professionele dienst nauwgezet, grondig en tijdig uit.”

Dit artikel ziet niet alleen op de verplichting van accountants om te voldoen aan de eisen van permanente educatie. Niet vakbekwaam en zorgvuldig handelen beslaat het gehele takenpakket van de accountant.

De Accountantskamer motiveert waarom de klachten van het Openbaar Ministerie tegen de accountant in dit geval gegrond werden verklaard. De Accountantskamer merkt op dat het zo mag zijn dat de accountant het doel voor ogen heeft gehad om aangiften achteraf te herstellen, maar dat de Belastingdienst daarmee simpelweg zonder overleg als externe financier gebruikt is en fiscale wetgeving doelbewust is overtreden. Dat de accountant op voorgaande wijze heeft gehandeld wijst er volgens de Accountantskamer juist op dat de accountant niet de intentie heeft gehad  om eerlijk en oprecht te handelen. Dat is dus uitdrukkelijk in strijd met artikel 6 VGBA.

Wat had de accountant in dit geval dan wel kunnen (of misschien wel moeten) doen? De Accountantskamer is daar helder over. Voor het bereiken van zijn doel had de accountant zijn cliënt kunnen adviseren één of meerdere uitstelverzoeken bij de fiscus in te dienen.

Daarnaast is van belang dat de accountant er niet op enig moment conform zijn bedoeling zorg voor heeft gedragen dat herstel daadwerkelijk te realiseren. Zijn beroep op het achterwege blijven daarvan in verband met de start van het insolventieonderzoek en de strafrechtelijke vervolging kan hem niet baten omdat dit pas in 2016 speelde en niet gebleken is dat hij voordien enige actie tot herstel heeft ondernomen of dat dat onmogelijk was.

Kernwaarde professionaliteit

Wat betreft het oprichten van de vennootschap waarbij de cliënt in dienst zou kunnen treden ten behoeve van het veilig stellen van een uitkering in verband met ziekte is de Accountantskamer evenwel van oordeel dat betrokkene daarmee gehandeld heeft in strijd met het fundamentele beginsel van integriteit en professionaliteit.

Het beginsel integriteit kwam hiervoor al ter sprake. Artikel 4 VGBA gaat over de kernwaarde professionaliteit:

“De accountant onthoudt zich van elk handelen of nalaten waarvan hij weet of behoort te weten dat dit het accountantsberoep in diskrediet brengt of kan brengen.”

Ook dit artikel is helder: de accountant mag zich niet zo gedragen dat hij het beroep en de beroepsgroep schaadt.

De handelwijze van deze accountant is zonder meer aan te merken als niet oprecht optreden dat het accountantsberoep in diskrediet brengt. Dit klachtonderdeel is hierom volgens de Accountantskamer gegrond.

Kernwaarde objectiviteit

Tot slot lag de vraag voor of de accountant tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door de inventaris van de vennootschap op te kopen en deze vervolgens direct in bruikleen te geven aan diezelfde vennootschap. Het kernbeginsel objectiviteit is hier mogelijk in het gedrang (zie art. 11 VGBA):

“De accountant laat zich bij zijn afwegingen niet ongepast beïnvloeden.”

Ongepaste beïnvloeding kan ontstaan door bijvoorbeeld belangenverstrengeling. De accountant moet afzien van het verlenen van een professionele dienst als zijn objectiviteit in gevaar komt.

Dat is in onderhavige zaak volgens de Accountantskamer echter niet aan de orde. Met de aankoop en in bruikleen geven van de inventaris heeft de accountant weliswaar een belang van zijn cliënt (gelegen in de voortzetting van zijn onderneming) gediend, maar de Accountantskamer ziet niet in dat daarvan ook voor de uitvoering van zijn administratieve werkzaamheden een bedreiging is uitgegaan voor zijn objectiviteit ten opzichte van zijn cliënt en zijn dienstverlening. Dit klachtonderdeel wordt daarom ongegrond verklaard.

Hoger beroep?

Het gevolg van dit tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen? Een doorhaling uit de registers voor de duur van 10 jaar. Tegen de uitspraak staat nog hoger beroep open voor de accountant. Wordt dus mogelijk vervolgd.

Voor vragen over accountantstuchtrecht kunt u contact opnemen met advocaat Tucht- en klachtrecht Vera Balvers.

Over de toepasselijkheid van het EVRM op tuchtprocedures bestaat nauwelijks discussie. In het verleden heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens de rechtspraak van de tuchtrechter dan ook kritisch onder de loep genomen. Zo werd het Nederlandse Hof van Discipline achteraf vanuit Straatsburg gecorrigeerd in de zaken Steur (EHRM 28 oktober 2003, NJ 2004, 555) en Veraart (EHRM 30 november 2006, NJ 2007, 368). Recent heeft het EHRM zich gebogen over de motivering van het Azerbeidzjaanse Hooggerechtshof voor de schrapping van advocaat Aslan Ismayilov (EHRM 12 maart 2020, Aslan Ismayilov t. Azerbeidzjan, application 18498/15).

De casus in het kort: Ismayilov is aan het begin van het verhaal advocaat in Bakoe. In een echtscheidingszaak waarin hij optreedt ontstaat door een misverstand de situatie dat stukken bij de rechtbank worden ingediend terwijl juist op datzelfde moment een schikking tot stand is gekomen. Ismayilov gaat hoogstpersoonlijk naar de rechtbank om bij de behandelend rechter de stukken terug te vragen. In de werkkamer van de rechter ontstaat een incident, waarbij de rechter Ismayilov beschuldigt van laakbaar gedrag en hem verhindert de kamer te verlaten. Nadat de rechter een aantal rechtbankmedewerkers heeft opgetrommeld laat hij een van hen een verklaring opstellen dat de advocaat hem heeft beledigd en bedreigd. Ismayilov dient een klacht in tegen de rechter waarin hij deze vergelijkt met de beruchte Volkscommissarissen uit de tijd van de Sovjet-Unie. Die klacht wordt afgewezen en de rechter trekt vervolgens zelf aan de bel bij de orde van advocaten. De tuchtcommissie van de Azerbeidzjaanse Bar Association (ABA) onderzoekt de zaak en besluit Ismayilov bij de rechtbank voor schrapping voor te dragen. Hangende de procedure wordt Ismayilov als advocaat geschorst.

In de rechtsgang die daarop volgt draagt Ismayilov een aantal bewijsmiddelen aan en hij verzoekt om de betrokken rechtbankmedewerkers te laten horen. Het Hooggerechtshof komt daar in hoger beroep uiteindelijk gedeeltelijk aan tegemoet, maar wijst een aantal verweren als irrelevant af. Na een terugverwijzing eindigt de procedure met een bekrachtiging door het Hooggerechtshof van de schrapping van Ismayilov.

Ismayilov wendt zich dan tot het EHRM met de klacht dat onder meer artikel 6 EVRM is geschonden. Er is volgens Ismayilov geen sprake geweest van een eerlijk proces omdat het gerecht zijn schrapping niet naar behoren heeft gemotiveerd en slechts de bevindingen van de tuchtcommissie van de ABA heeft overgenomen: “The domestic courts had failed to assess the relevant evidence submitted by him, which clearly contradicted the findings of the ABA Disciplinary Commission’s opinion”, aldus de klager.

Het EHRM heeft bij de beoordeling in deze zaak uiteengezet waaraan een adequate motivering moet voldoen:

“Without requiring a detailed answer to every argument advanced by the complainant, this obligation presupposes that parties to judicial proceedings can expect to receive a specific and explicit reply to the arguments which are decisive for the outcome of those proceedings.” (§ 42)

In diezelfde paragraaf haakt het EHRM aan bij het beginsel van goede rechtspleging, inhoudend dat

“…judgments of courts and tribunals should adequately state the reasons on which they are based. The extent to which this duty to give reasons applies may vary according to the nature of the decision and must be determined in the light of the circumstances of the case.”

De motivering van de tuchtzaak dient dus aan te sluiten bij de aangevoerde argumenten en verweren. Het EHRM overweegt dat het Hooggerechtshof de schrapping heeft gebaseerd op drie gronden (het ontbreken van een opdrachtbevestiging, Ismayilovs betrokkenheid bij twee advocatenkantoren die waren gevestigd op hetzelfde adres en ten slotte op onrechtmatige toegang tot de werkkamer en belediging van de rechter). Ismayilov had daartegen een aantal met bewijsmiddelen onderbouwde argumenten aangevoerd, waarop het Hooggerechtshof echter geen reactie had gegeven (zie §§ 43-46).

Omdat het Hooggerechtshof (en de (tucht)rechter in eerste aanleg) op een aantal van die aspecten niet is ingegaan komt het EHRM tot het oordeel dat artikel 6 EVRM is geschonden:

“The Court considers that the foregoing considerations are sufficient to enable it to conclude that the domestic courts fell short of their obligation under Article 6 § 1 to provide adequate reasons for their decisions, in view of their failure to give reasons in respect of those of the applicant’s arguments which were decisive for the outcome of the case.”

Ook een tuchtrechtelijke beslissing – en naar mag worden aangenomen zeker als die leidt tot schrapping van een advocaat – dient volgens het EHRM adequaat gemotiveerd te zijn en in te gaan op de dragende argumentatie van de beklaagde. Ook in de Nederlandse tuchtrechtspraak is dat van belang nu de wetgever nog altijd niet heeft voorzien in een wettelijke regeling voor herziening. Dat laatste was naar aanleiding van de Veraartzaak door de Nederlandse regering wel toegezegd als algemene herstelmaatregel; de minister van Justitie gaf destijds aan bezig te zijn met het ontwerpen van een Kaderwet tuchtprocesrecht, waarin uitdrukkelijk zou worden voorzien in de mogelijkheid van herziening om onherroepelijke beslissingen van de tuchtrechter naar aanleiding van een verdragschending te repareren. Die Kaderwet is er echter tot nu toe niet gekomen.

Meer weten? Neem gerust contact op met tuchtrechtspecialist Robert Sanders.

Hoe moet een deurwaarder momenteel te werk gaan bij het betekenen van exploten in verband met de coronacrisis? Moet de deurwaarder zijn werkwijze aanpassen in verband met het coronavirus? De rechtbank Amsterdam heeft daar op 7 april 2020 een uitspraak over gedaan (zie ECLI:NL:RBAMS:2020:2153). Die uitspraak bespreek ik in deze blog.

Ambtshandeling deurwaarder

Eén van de belangrijkste ambtshandelingen van de deurwaarder is het betekenen van exploten. Het betekenen van exploten is in veel gevallen wettelijk verplicht. Bovendien is bijvoorbeeld een dagvaardingsprocedure aanhangig vanaf het moment dat de dagvaarding betekend is.

Art. 45 tot en met 66 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (hierna: “Rv”) bepalen hoe, wanneer en waar exploten betekend moeten worden. Zo bepaalt artikel 46 Rv dat de deurwaarder een afschrift van zijn exploot geeft aan degene voor wie het bestemd is in persoon of aan een huisgenoot van diegene voor wie het exploot bestemd is.

In gesloten envelop betekenen in verband met coronavirus?

In onderhavige zaak vermeldt de dagvaarding dat in verband met het coronavirus is betekend op de manier als omschreven in artikel 47 lid 1 Rv. Dat artikel bepaalt dat indien het voor de deurwaarder niet mogelijk is het exploot in persoon uit te reiken, hij een afschrift in gesloten envelop mag achterlaten. In het exploot moet de deurwaarder dan wel vermelden waarom het feitelijk onmogelijk was om het exploot in persoon af te geven.

Volgens de kantonrechter te Amsterdam was in de dagvaarding geen afdoende toelichting gegeven waarom in deze zaak de noodzaak aanwezig was om de dagvaarding in gesloten envelop achter te laten en waarom dus niet is betekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 46 lid 1 Rv. Daarom is sprake van een gebrek in de betekening dat nietigheid meebrengt.

Afwijkende betekening moet worden gemotiveerd

De rechter neemt daarbij in aanmerking dat de door de overheid uitgevaardigde maatregelen in verband met het coronavirus op zichzelf niet beletten dat een exploot in persoon of aan een huisgenoot wordt betekend. Onder bijzondere omstandigheden kan daartoe wel een belemmering bestaan, maar dat moet dan dus wel in het exploot worden vermeld.

Herstel gebrek in dagvaarding

De eisende partij wordt door de rechtbank wel in de gelegenheid gesteld het gebrek te herstellen. De gedaagde partij dient, onder meebetekening van het onderhavige vonnis en aanhechting aan het exploot van de eerder uitgebrachte dagvaarding, opnieuw op te roepen. Daarbij moet worden aangezegd dat zal worden voortgeprocedeerd op de oorspronkelijke dagvaarding. Bij het uitbrengen van het herstelexploot dient eisende partij de wettelijke dagvaardingstermijn in acht te nemen.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Vera Balvers, advocaat Tucht- en klachtrecht bij De Clercq.


Blogserie ‘De juridische gevolgen van het coronavirus’

Wilt u meer informatie over de juridische gevolgen van het coronavirus? Onze specialisten volgen de ontwikkelingen op de voet en houden u via kennisblogs steeds op de hoogte. Alle relevante informatie op het gebied van Arbeidsrecht, Medezeggenschapsrecht, Ondernemingsrecht, vastgoed en bestuursrecht en IT, IE & Privacy leest u in onze uitgebreide blogserie ‘De juridische gevolgen van het coronavirus’. Bij nieuwe ontwikkelingen wordt deze uiteraard steeds direct aangevuld. Voor een overzicht van alle blogs in deze blogserie, klik hier.

Juridische Corona Helpdesk

De gevolgen van het coronavirus (COVID-19) zijn immens. De maatschappelijke impact is nog niet te overzien. Wat betekent dat voor uw onderneming of organisatie? Met het oog op al uw vragen en vanuit een integrale aanpak vanuit al onze teams opent De Clercq een Juridische Corona Helpdesk. Onze specialisten zijn per direct 24/7 bereikbaar voor al uw vragen. Chat live of ontvang een kort advies per mail. Meer info? Klik hier!

Advocaten mogen geen tegenstrijdige belangen behartigen en moeten ervoor waken dat zich ook in de toekomst geen belangenconflict zal voordoen. Het optreden tegen een (voormalige) cliënt is daarom in principe niet toegestaan. Maar dit verbod is niet absoluut. Check in 3 stappen wanneer sprake is van een uitzondering op de hoofdregel van het tegenstrijdig belang.

Tegenstrijdig belang: de hoofdregel

In gedragsregel 15 over belangenconflicten komen de kernwaarden partijdigheid en vertrouwelijkheid samen, namelijk als basis voor het verbod voor de advocaat (en zijn kantoor) om 1. voor meer dan één partij te werken als sprake is van een tegengesteld belang en 2. om tegen een cliënt of voormalige cliënt op te treden (lid 1). Een advocaat dient er zelfs naar te streven om te voorkomen überhaupt in een situatie te belanden waarin sprake is van een tegenstrijdig belang (lid 2). Doet zich toch een niet aanstonds overbrugbaar belangenconflict voor? In dat geval zal de advocaat niet meer voor de voormalige bij de zaak betrokken partijen mogen optreden. De advocaat zal dan dus afscheid moeten nemen van zijn beide cliënten.

De cliënt moet er namelijk op kunnen vertrouwen dat zijn advocaat alleen zijn belangen behartigt en niet ook die van de wederpartij. Ook moet de cliënt erop kunnen vertrouwen dat vertrouwelijke informatie die hij aan zijn advocaat heeft verstrekt later niet tegen hem wordt gebruikt. Het optreden voor twee of meer cliënten in dezelfde zaak waarbij de belangen parallel lopen is uiteraard wel toegestaan.

Uitzondering op verbod: 3 stappen

Zoals gezegd is het verbod niet absoluut. Als aan alle drie de voorwaarden uit lid 3 van gedragsregel 15 is voldaan is het de advocaat toegestaan af te wijken van het verbod uit lid 1. Check daarom of aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  1. Tegen een (voormalige) cliënt kan alleen worden opgetreden als het (nu en in de toekomst) niet gaat over dezelfde zaak of belangen van die (voormalige) cliënt;
  2. De advocaat beschikt niet over enige vertrouwelijke informatie van die (voormalige) cliënt die op enigerlei wijze van belang kan zijn de behandeling van de zaak;
  3. Niet is gebleken van redelijke bezwaren van die (voormalige) cliënt.

Let op: deze voorwaarden zijn dus cumulatief!

In twijfelgevallen is het vaak beter om het zekere voor het onzekere te nemen en niet langer voor de betreffende cliënt(en) op te treden. De schijn van belangenverstrengeling dient namelijk eveneens te worden voorkomen. Eventueel kan het (niet bindende) advies van de deken worden ingewonnen over een mogelijk tegenstrijdig belang, al blijft het de eigen (tuchtrechtelijke) verantwoordelijkheid van de advocaat om zich al dan niet te onttrekken. Ook als het alleen gaat om het geven van advies.

Instemming (voormalige) cliënt

Daarnaast geldt nog een uitzondering om af te wijken van de hoofdregel om op te treden tegen een (voormalige) cliënt. Namelijk als die (voormalige) cliënt instemt met een afwijking van het verbod. Daarbij is wel van belang dat beide partijen van voldoende informatie zijn voorzien om tot een goede afweging van de belangen te kunnen komen (‘informed consent’). Partijen moeten bovendien voldoende gelijkwaardig zijn en de instemming moet ook (procedureel) op behoorlijke wijze tot stand zijn gekomen. Daarmee moet machtsmisbruik voorkomen worden.

Essentieel is daarom dat de advocaat toeziet op een goede informatievoorziening naar beide partijen toe. Een inkoppertje: het schriftelijk vastleggen van de instemming in het dossier én naar de betrokken partijen voorkomt problemen achteraf.

Het is de advocaat in principe toegestaan om bij een bestaande of nieuwe cliënt aan te kaarten dat de zaak alleen in behandeling kan worden genomen als een al bestaande of voormalige cliënt daarmee instemt (lid 5). Pas na instemming van degene die de nieuwe opdracht wil verstrekken mag de advocaat contact opnemen met de bestaande of voormalige cliënt om te vragen of aan die zijde bezwaren bestaan. Tot een dergelijk overleg gaat de advocaat echter niet over indien de aard van de concrete relatie met de bestaande cliënt of concrete omstandigheden van het geval zich daartegen verzetten. Voorzichtigheid is dus geboden.

Meer informatie of overleg? Neem contact op met Vera Balvers.

Het inbrengen van een bewijsstuk in een procedure dat mogelijk in strijd met de wet is verkregen hoort niet. Toch handelt een advocaat niet per se tuchtrechtelijk verwijtbaar door in de dagvaarding citaten op te nemen afkomstig van op onrechtmatige wijze verkregen geluidsopnamen. Ook het overleggen van de geluidsopnamen zelf en de transcriptie daarvan is niet onbetamelijk. Lees in dit blog waarom de advocaat geen tuchtrechtelijk verwijt werd gemaakt.

Recente uitspraak Raad van Discipline

Dat geen sprake is van een tuchtrechtelijk verwijt volgt uit een recente beslissing van de Raad van Discipline te Amsterdam (vindplaats: ECLI:NL:TADRAMS:2019:251). Verweerder in deze procedure stond als advocaat zijn cliënt (“de man”) bij die in een echtscheiding verwikkeld was. De (ex-)echtelieden hadden een geschil over de verdwijning van verschillende goederen uit de voormalige echtelijke woning, waaronder een bedrag van € 12.900,- uit de kluis. De man beschuldigde de vrouw ervan het geldbedrag te hebben verduisterd.

Heimelijk opnemen gesprek

Verweerder schreef namens de man in een brief aan de vrouw, dat de man na een aantal gebeurtenissen in 2015 en 2016 aanleiding had gezien om opnameapparatuur in het huis te installeren. De vrouw had daar geen weet van. Uit de gemaakte opnames en een verklaring van de kluisleverancier is gebleken dat de vrouw onder een valse voorstelling van zaken de kluis heeft laten openen. Zij heeft het in de kluis aanwezige geldbedrag ontvreemd zonder toestemming of medeweten van de man.

 Onrechtmatig verkregen bewijs

De man en de vrouw zijn vervolgens in een gerechtelijke procedure terecht gekomen. In de dagvaarding heeft verweerder ter onderbouwing van het standpunt van de man citaten afkomstig van de geluidsopnamen opgenomen. Ook heeft verweerder de opnamen, die dus zonder medeweten van de vrouw waren gemaakt, en het transcript daarvan in de procedure overgelegd als bewijs ter onderbouwing van het standpunt van zijn cliënt.

De vrouw meent dat voornoemd handelen van een advocaat tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Het zou de advocaat niet zijn toegestaan mogelijk in strijd met de wet verkregen bewijs, in dit geval de heimelijk gemaakte geluidsopnamen, aan de rechter voor te leggen. De Raad van Discipline oordeelt daar echter anders over.

Maatstaf tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen

De klacht ziet op het handelen van een advocaat van een wederpartij. Het uitgangspunt daarbij is dat aan die advocaat een grote mate van vrijheid toekomt om de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een tegenpartij worden beperkt, tenzij diens belangen onnodig en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. In het algemeen hoeft de advocaat niet af te wegen of het beoogde voordeel voor zijn cliënt opweegt tegen het nadeel van de wederpartij. Uit gedragsregel 2 volgt dat de advocaat zich steeds laat leiden door het belang van zijn cliënt en niet door enig ander belang. Maar partijdigheid betekent niet dat de advocaat alles doet wat zijn cliënt verlangt. De advocaat mag echter bijvoorbeeld geen middelen inzetten die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die een onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.

Bewijswaardering voorbehouden aan civiele rechter

De Raad merkt daarbij nog op dat het overigens aan de civiele rechter voorbehouden is om het bewijsstuk toe te laten of niet. Een advocaat die een hem door zijn cliënt ter beschikking gesteld bewijsstuk in het geding brengt, zal dan ook, uitgezonderd bijzondere omstandigheden, in het algemeen niet tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Van zulke bijzondere omstandigheden was hier volgens de Raad geen sprake. Verweerder voerde met succes aan dat het niet mogelijk was om op andere wijze dan door middel van de geluidsopnamen te bewijzen dat klaagster gelden heeft ontvreemd uit de kluis. Zodat er voor de cliënte van verweerder een belang bestond om gebruik te maken van de geluidsopnamen en deze over te leggen. De klacht wordt daarom ongegrond verklaard. Van een tuchtrechtelijk verwijt aan het adres van de advocaat is geen sprake.

Conclusie

Samengevat oordeelde de Raad van Discipline dat een advocaat het belang van zijn cliënt altijd voorop moet stellen en op basis daarvan moet handelen. De belangen van de wederpartij mogen door dat handelen echter niet onevenredig worden geschaad. In een civiele procedure een beroep doen op mogelijk onrechtmatig verkregen bewijs is dus toegestaan, mits geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Van een tuchtrechtelijk verwijt van de advocaat was dus geen sprake. Niet bekend is of tegen deze beslissing hoger beroep is ingesteld.

Meer informatie? Neem contact op met Vera Balvers.

Dat het voor advocaten geldende tuchtrecht ook kan doorwerken in een civielrechtelijke verhouding, zelfs de verhouding met een wederpartij die niet de rechtzoekende cliënt is, blijkt uit een recent (tussen)arrest van het Gerechtshof Den Haag.

Ter uitvoering van een rechtsbijstandverzekering heeft een schaderegelingskantoor een advocatenkantoor opdracht verleend om de verzekerde werkgever bij te staan in het geschil met het UWV. Over de declaraties ontstaat vervolgens discussie tussen de schaderegelaar en het advocatenkantoor.

Het advocatenkantoor start een civiele procedure bij de rechtbank en wordt in het gelijk gesteld. De schaderegelaar neemt de declaraties van het kantoor nog eens onder de loep en gaat in hoger beroep. Het schaderegelingskantoor vordert onder meer een verklaring voor recht dat de verstrekte opdracht rechtsgeldig is ontbonden dan wel het kantoor wegens excessief declareren het bedrag terug te laten betalen. De vordering tot ontbinding wordt gebaseerd op het toerekenbaar tekortschieten van het advocatenkantoor, omdat (i) in strijd met de overeenkomst van opdracht en zonder het financieel belang van de cliënt te dienen kansloze procedures zijn gestart, (ii) er geen plan van aanpak is opgesteld, (iii) het geschil niet effectief en ook niet efficiënt is behandeld en (iv) niet verrichte werkzaamheden zijn gedeclareerd.

In hoger beroep oordeelt het gerechtshof dat de rechtbank met juistheid tot uitgangspunt heeft genomen dat het advocatenkantoor (ook in de relatie tot de schaderegelaar) dient te handelen zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat in de gegeven omstandigheden verwacht mag worden. Dat de procedures niet tot het gewenste resultaat hebben geleid, betekent volgens het hof nog niet dat deze procedures bij voorbaat kansloos of onnodig zijn geweest. Ook de omstandigheid dat er geen plan van aanpak was opgesteld, kan ruim anderhalf jaar na de aanvang van de werkzaamheden geen grond zijn voor ontbinding zijn van de overeenkomst van opdracht.

De vraag is vervolgens wat de inhoud is van de overeenkomst van opdracht tussen het advocatenkantoor en de schaderegelaar. Het toepasselijke uurtarief is daarbij niet in geschil. Partijen hebben echter wel over en weer elkaars opdrachtbevestigingen niet geaccepteerd. Naar oordeel van het hof moet de overeenkomst in redelijkheid worden uitgelegd in die zin dat voor het overige de voorwaarden gelden die in de advocatuur gebruikelijk zijn. Daarbij zoekt het hof aansluiting bij de voor de advocatuur geldende wet- en regelgeving, waaronder met name de Advocatenwet en de ten tijde van het verrichten van de werkzaamheden geldende Gedragsregels 1992. Het hof volgt niet het standpunt van de schaderegelaar dat de polisvoorwaarden van de oorspronkelijke verzekering rechtstreeks van toepassing zijn op de overeenkomst van opdracht. Voor zover deze polisvoorwaarden bepalingen bevatten die niet een weergave zijn van de voor de advocatuur geldende wet- en regelgeving kunnen deze niet (rechtstreeks) aan het advocatenkantoor worden tegengeworpen, aldus het hof.

Het hof stelt vast dat de declaraties voor een aantal werkzaamheden niet voor betaling in aanmerking komen. Bij de declaraties voor de werkzaamheden die wel voor betaling in aanmerking komen, neemt het hof de gedragsrechtelijke maatstaf tot uitgangspunt dat een advocaat bij het vaststellen van zijn declaratie een, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijk salaris in rekening behoort te brengen. De stelling van het advocatenkantoor dat het hier om advocatentuchtrecht zou gaan en dat deze maatstaf bij de beoordeling van het geschil over de hoogte van de declaratie bij de civiele rechter geen rol speelt, gaat volgens het hof niet op. Met ingang van 1 januari 2015 is de begrotingsprocedure op grond van de Wet tarieven in burgerlijke zaken (WTBZ) vervallen en is de civiele rechter bevoegd om over geschillen met betrekking tot de hoogte van de declaraties van advocaten te oordelen.

Het hof komt tot de slotsom dat de door het kantoor in rekening gebrachte declaraties niet voldoen aan het uitgangspunt van de redelijkheid van de declaratie nu het advocatenkantoor kosten in rekening heeft gebracht die niet voor vergoeding in aanmerking komen. Welk salaris wel redelijk is, moet worden beantwoord aan de hand van het volledige (proces)dossier in de zaak tegen het UWV met de declaraties en de daarop betrekking hebbende urenspecificaties. Het hof waagt zich daar niet direct zelf aan, maar geeft partijen de gelegenheid om een deskundige voor te dragen. Bij voorkeur iemand met ervaring in het begroten van declaraties zoals dat plaatsvond onder de begrotingsprocedure van de WTBZ. Wordt vervolgd.

Robert Sanders, advocaat tuchtrecht

Link naar de uitspraak: Gerechtshof Den Haag 17 september 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2392

In februari van dit jaar heeft de algemene raad van de Nederlandse orde van advocaten de nieuwe Gedragsregels voor advocaten gepubliceerd. Deze geactualiseerde Gedragsregels 2018 treden in de plaats van de vertrouwde gedragsregels die sinds 1992 het optreden van advocaten in goede banen hebben geleid. Deze herijkingsoperatie geeft bij wijze van overdenking aanleiding tot de vraag welke betekenis en functie die gedragsregels hebben binnen het materiële advocatentuchtrecht en welk rechtskarakter aan deze regels kan worden toegekend.

In dit artikel gaat Robert Sanders in op die vragen, waarbij hij ook kort de ontstaansgeschiedenis van de gedragsregels zal behandelen en aan de orde zal komen in hoeverre de gedragsregels voor de advocatuur ook buiten het tuchtrecht betekenis hebben.

Wilt u het hele artikel lezen? Klik dan hier.

Robert Sanders

Robert Sanders is expert op het gebied van tuchtrecht en staat binnen de ondernemingsrechtpraktijk van De Clercq met name vrije beroepsbeoefenaren bij die binnen hun vakgebied een tuchtrechtregeling kennen, zoals advocaten, notarissen, accountants en medici.

Als beroepsbeoefenaar geconfronteerd met een klacht? Grote vraag is dan, als de tuchtrechter de klacht gegrond verklaart, in welke gevallen dat ook kan leiden tot beroepsaansprakelijkheid.

Op 20 februari 2018 oordeelde het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over de civielrechtelijke aansprakelijkheid van een accountant voor het opstellen van een persoonsgericht forensisch rapport. In een eerdere tuchtrechtprocedure was de Accountantskamer al tot het oordeel gekomen dat de accountant in dat kader tuchtrechtelijk verwijtbaar had gehandeld door in het rapport tot conclusies te komen waarvoor onvoldoende feitelijke grondslag bestond. Voor dit tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen legde de Accountantskamer de maatregel van berisping op. Dat oordeel werd in hoger beroep bekrachtigd.

Naar aanleiding van deze tuchtrechtelijke beslissing is de klager in kwestie  een civiele procedure gestart. Opvallend genoeg betrof dit een kort geding. Klager, die nu als eiser optrad, stelde vorderingen in voor een bedrag van € 750.000,- als voorschot op een schadevergoeding en tevens voor een bedrag van € 25.000,- als voorschot op een volledige proceskostenvergoeding. Ter onderbouwing van de vordering stelde eiser dat hij door het handelen van de accountant en het bewuste rapport geen werk meer heeft kunnen vinden van vergelijkbaar niveau. De geclaimde schade zou bestaan uit gederfde inkomsten en reputatieschade.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam wees de vorderingen van de klager af. Onvoldoende aannemelijk was dat in de bodemprocedure zou komen vast te staan dat de accountant onrechtmatig had gehandeld. Daarop ging eiser in hoger beroep.

In hoger beroep overwoog het hof allereerst dat voor een voorziening in kort geding, inhoudende de betaling van een geldsom, terughoudendheid op zijn plaats is. Ook overwoog het hof dat de civiele rechter aan de tuchtrechtelijke uitspraken belang kan hechten, maar dat deze uitspraken niet behoeven te worden gevolgd. Het feit dat tuchtrechtelijk verwijtbaar is gehandeld, leidt niet steeds tot de conclusie dat ook sprake is van civielrechtelijke aansprakelijkheid. Net zoals de voorzieningenrechter oordeelde het hof in onderhavige kwestie dat, zelfs als het onrechtmatig handelen van de accountant zou komen vast te staan, daarmee de causaliteit tussen de door appellant gestelde schade en het vermeend onrechtmatig handelen nog niet is gegeven. De vorderingen werden dan ook integraal afgewezen.

De uitspraak van het hof is illustratief voor een zaak waarin het tuchtrecht als ‘voorfase’ van een civiele procedure op grond van beroepsaansprakelijkheid wordt gebruikt. Dat het één niet noodzakelijkerwijs tot het ander hoeft te leiden, wordt hiermee echter bevestigd. Dat hangt samen met de omstandigheid dat het tuchtrecht een ander doel dient dan het civiele (aansprakelijkheids)recht, waardoor ook aan andere normen wordt getoetst. Ook gaat de sfeer van de bewijsvoering in deze procedures niet gelijk op.

Heeft u vragen over het voeren van verweer tegen een klacht, het indienen van een klacht, een daarmee verband houdende beroepsaansprakelijkheidsprocedure of de gevolgen daarvan? Neem dan contact met ons op.

Robert Sanders, advocaat team Ondernemingsrecht