Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu

Door het gebruik van leerlingvolgsystemen verwerken onderwijsinstellingen een grote hoeveelheid (bijzondere) persoonsgegevens van leerlingen, zoals verzuimgegevens en studieresultaten. Naar aanleiding van onderzoek bij een aantal grote onderwijsinstellingen, roept de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) iedereen op de werkwijze met leerlingvolgsystemen tegen het licht te houden en te zorgen dat de beginselen van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) in acht worden genomen. In het recent door de AP uitgevoerde onderzoek kwam met name het gebrek aan goede beveiliging en toegang van leerlingvolgsystemen naar voren als “valkuil”.

Beveiliging

Onderwijsinstellingen moeten – als verantwoordelijke – passende technische en organisatorische maatregelen nemen om persoonsgegevens te beveiligen tegen verlies of tegen enige vorm van onrechtmatige verwerking. Onder onrechtmatige verwerking wordt onder meer verstaan onbevoegde kennisneming, wijziging of verstrekking van gegevens.

De AP heeft in haar Richtsnoeren beveiliging van persoonsgegevens nader uitgewerkt wat onder ‘passende technische en organisatorische maatregelen’ moet worden verstaan. Voor onderwijsinstellingen is met name de Praktijkrichtlijn met beheersmaatregelen op het gebied van informatiebeveiliging van belang (NEN 27002).

Onderwijsinstellingen dienen onder andere beveiligingsmaatregelen te treffen om toegang tot persoonsgegevens van leerlingen in leerlingvolgsystemen voor bevoegde medewerkers te bewerkstelligen en onbevoegde toegang tot deze persoonsgegevens te voorkomen.

De volgende aspecten worden door de AP betrokken in de beoordeling of een onderwijsinstelling passende beveiligingsmaatregelen heeft getroffen:

  1. Er dienen procedures te zijn om medewerkers toegang te geven tot persoonsgegevens van leerlingen in het leerlingvolgsysteem die zij voor de uitvoering van hun taken nodig hebben;
    • er dient een formele registratie- en afmeldingsprocedure te zijn om toewijzing van de toegangsrechten aan de medewerkers mogelijk te maken alsmede een formele gebruikerstoegangsverleningsprocedure om toegangsrechten voor alle typen gebruikers toe te wijzen of in te trekken
    • deze procedures dienen te zijn geïmplementeerd.
  2. Er dienen logbestanden te worden gemaakt van gebeurtenissen die gebruikersactiviteiten, uitzonderingen en informatiebeveiligingsgebeurtenissen registreren.
  3. De logbestanden dienen regelmatig te worden beoordeeld.

Toegang

Volgens de privacy wetgeving mogen niet meer mensen toegang hebben tot de persoonsgegevens van leerlingen dan noodzakelijk. Voornoemde Richtsnoeren vereisen dat de medewerkers slechts toegang mogen verkrijgen tot persoonsgegevens van leerlingen in het leerlingvolgsysteem die zij voor de uitvoering van hun taken nodig hebben. Dit betekent dat er grenzen dienen te worden gesteld aan de kring van medewerkers die toegang verkrijgen tot persoonsgegevens van een leerling. Wanneer deze grenzen niet of onvoldoende worden gesteld, dan bestaat er het risico dat medewerkers van een onderwijsinstelling onrechtmatig (bijzondere) persoonsgegevens van leerlingen verwerken.

In het algemeen geldt dat niet alle medewerkers standaard en continu toegang nodig hebben tot persoonsgegevens van (alle) leerlingen voor de uitvoering van hun taken. Gelet hierop dient een onderwijsinstelling in ieder geval de volgende stappen te nemen bij het toewijzen van toegangsrechten aan een medewerker:

  1. Bepaal welke rol(len) een medewerker krijgt;
  2. Bepaal ten aanzien van welke (groep(en)) leerlingen de medewerker zijn taken gaat uitvoeren;
  3. Bepaal welke persoonsgegevens van de leerlingen de medeweker nodig heeft om zijn taken goed te kunnen uitvoeren;
  4. Bepaal binnen welke tijdsperiode de medewerker de persoonsgegevens van de leerlingen nodig heeft om zijn taken goed te kunnen uitvoeren.

Conclusie

Onderwijsinstellingen dienen ten minste formele procedures te hebben om medewerkers toegang te verlenen tot persoonsgegevens van leerlingen in het leerlingvolgsysteem. De toegangsverlening mag slechts betrekking hebben tot persoonsgegevens van leerlingen die de medewerkers voor de uitvoering van hun taken nodig hebben. Verder moeten er logbestanden worden gemaakt van gebeurtenissen binnen het leerlingvolgsysteem en deze logbestanden moeten regelmatig worden beoordeeld. Onderwijsinstellingen die hier niet aan voldoen, handelen in strijd met de privacywetgeving en kunnen forse boetes van de AP verwachten. Wees hier dus goed op voorbereid.

Contact

Wilt u meer weten over privacy in het onderwijs? Neemt u dan contact op met Anneloes Korremans  of een van de andere specialisten van het team IT, IE & Privacy.

Scholen hebben het niet makkelijk nu zij passend onderwijs moeten bieden aan leerlingen met uiteenlopende problematiek. Toch is het belangrijk om de zorgplicht per  individuele leerling na te komen. Ouders van leerlingen kunnen anders een schadevergoeding vorderen van de school. Dat sommige ouders niet aarzelen om naar de rechter te stappen, lezen we in een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant. De ouders van een dyslectische leerling vorderden een bedrag van € 24.387,50. Zij vonden dat de school onvoldoende begeleiding bood en hadden hun kind van school gehaald om het onderwijs te laten volgen bij een particuliere instelling. De rechtbank Oost-Brabant was het gedeeltelijk met de ouders eens.

In de uitspraak van de rechtbank lezen we dat de school wel veel heeft gedaan, maar toch niet voldoende om aan haar zorgplicht te voldoen. Zo bood de school wel begeleiding aan leerlingen met dyslexie, maar alleen aan leerlingen van klas 1. Verder bood de school aan leerlingen meer tijd voor toetsen, met het idee dat 80% van de leerlingen de toets in 80% van de tijd moest kunnen maken. Maar deze regel gold voor alle leerlingen. Voor dyslectische leerlingen was geen extra tijd hierboven op geregeld. De rechtbank vond deze maatregel niet toereikend voor dyslectische leerlingen. Volgens de rechtbank had de school de leerling actiever moeten begeleiden en bijvoorbeeld niet mogen afwachten of de leerling zelf om vergrote teksten zou vragen. Bovendien had de remedial teacher van de leerling deze vergrote teksten wel aanbevolen aan de school.

Dat de school haar zorgplicht heeft geschonden, betekent echter niet dat de school alle kosten voor particulier onderwijs moet vergoeden. De rechtbank wijst daartoe op de wettelijke plicht tot schadebeperking, die geldt voor iedereen die schade kan lijden. Iedereen is verplicht om de schadeposten zo laag mogelijk te houden – of de extra kosten voor eigen rekening te nemen. De rechtbank oordeelt dat de ouders wellicht een andere, minder dure keuze hadden kunnen maken. In plaats van te kiezen voor duur particulier onderwijs hadden de ouders misschien kunnen kiezen voor regulier onderwijs. De ouders hebben niet onderzocht of er reguliere scholen waren die de leerling wilden aannemen en dyslexie-aanpassingen konden bieden. Dat de ouders een snelle keuze hebben gemaakt in december om hun kind direct na de kerstvakantie te laten starten op een andere school, kan de rechtbank volgen. Maar voor de schooljaren daarna niet. Na de kerstvakantie 2012/2013 hadden de ouders ruim de tijd om naar goedkoper onderwijs uit te kijken. Hoewel de keuze voor niet nog een schoolwijziging begrijpelijk is, kunnen de kosten voor het particuliere onderwijs voor de schooljaren 2013/204 en verder, gelet op de schadebeperkingsplicht, niet voor rekening van de school komen.

Wel moet de school de helft van het schoolgeld voor het particulier onderwijs in de periode januari 2013 tot juli 2013 vergoeden. Dit is een bedrag van € 4.607,50.

Zorgplicht school
Wat had de school kunnen en moeten doen?

De school had zoals gezegd al veel gedaan om leerlingen met dyslexie te begeleiden. Wat had zij – volgens de rechtbank – nog meer kunnen doen?

De rechtbank benadrukt diverse keren dat ieder geval anders is en dat passende en concrete maatregelen steeds moeten worden toegespitst op de specifieke situatie van de individuele leerling. De ‘tips’ uit de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant zijn van belang; ook al weet een school nooit met zekerheid of deze voldoende heeft gedaan. De school is met de uitvoering van de tips in ieder geval op de goede weg.

Henriëtte van Baalen, advocaat/partner team Arbeid, Medezeggenschap & Pensioen

Vanuit een groeiende behoefte om gegevens van leerlingen op een efficiënte, veilige en met de nodige privacy waarborgen uit te wisselen, is op 1 februari jl. de Wet pseudonimisering  leerlinggegevens in werking getreden. Deze wet voorziet in een grondslag op basis waarvan onderwijsinstellingen het persoonsgebonden nummer eenmalig kunnen gebruiken om een pseudoniem te genereren. Met deze wet wordt aangesloten bij de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) die per 25 mei 2018 van toepassing is.

 Dataminimalisatie

Ook in het onderwijs is digitalisering niet meer weg te denken. Onderwijsinstellingen wisselen direct tot de persoon herleidbare gegevens uit met educatieve uitgevers en distributeurs. Dit is voor de werking van de leermiddelen echter niet altijd noodzakelijk. Bij het afnemen van digitale toetsen en examens lopen onderwijsinstellingen tegen vergelijkbare problemen aan. Vanuit het oogpunt van dataminimalisatie, een beginsel dat ook is vastgelegd in de AVG, mogen alleen de strikt noodzakelijke persoonsgegevens uitgewisseld worden. Pseudonimisering maakt dataminimalisatie mogelijk.

Pseudonimiseren

De Autoriteit Persoonsgegevens omschrijft het pseudonimiseren van persoonsgegevens als een methode om met persoonsgegevens te werken zonder daarbij te weten over welke personen de gegevens gaan. Het pseudonimiseren van persoonsgegevens zorgt er namelijk voor dat gegevens alleen nog herleidbaar zijn tot een specifiek persoon als er gebruik wordt gemaakt van aanvullende gegevens. Een pseudoniem (in de technische uitvoering bekend als ketenID’s) is een unieke identiteit voor onderwijsdeelnemers.

Met de invoering van de ketenID’s hoeven alleen nog maar die persoonsgegevens uitgewisseld te worden die nodig zijn voor het beoogde doel. Bij het gebruik van digitale leermiddelen hoeft dan bijvoorbeeld de geboortedatum of het geslacht van een leerling niet langer meegestuurd te worden om zeker te weten dat de school en de leverancier het over dezelfde leerling hebben. De onderwijsinstelling beschikt in juridische zin als verantwoordelijke over het PGN, pseudoniem en ketenID’s en weet om welke leerling het gaat. In de praktijk krijgen de partijen waarmee de school gegevens uitwisselt enkel een ketenID. Hiermee wordt beoogd aan de onwenselijke situatie van onnodige gegevensuitwisseling in het onderwijs een einde te maken, zo blijkt uit de memorie van toelichting.

Nummervoorziening

Om een pseudoniem en ketenID’s te genereren is er een centraal georganiseerde nummervoorziening gerealiseerd. Dit is een voorziening voor het aanmaken, wijzigen en verwijderen van een pseudoniem en ketenID’s. Onderwijsinstellingen sluiten met de beheerder van de nummervoorziening een bewerkersovereenkomst waarin de gegevensuitwisseling tussen de onderwijsinstelling en de nummervoorziening is vastgelegd.

Stichting Kennisnet is verantwoordelijk voor de realisatie van de nummervoorziening. De betrokken partijen en leveranciers werken nu samen aan een zorgvuldige invoering.

Zelfregulering

De wetgever heeft er bewust voor gekozen het gebruik van pseudoniemen niet te verplichten, maar de keuze voor passende maatregelen om de privacy van onderwijsdeelnemers te waarborgen aan de onderwijsinstelling als verantwoordelijke te laten. De wetgever acht het van belang dat een onderwijsinstelling, vanuit haar eigen ambities en visie op goed onderwijs, en in goed overleg met ouders en de medezeggenschapsraad, een zorgvuldige afweging maakt over de persoonsgegevens die zij van onderwijsdeelnemers ter beschikking stelt en voor welke doeleinden.

De wet bevat wel een evaluatiebepaling, die inhoudt dat de regering binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de wet verslag uitbrengt over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Mocht deze evaluatie aantonen dat de gekozen aanpak van zelfregulering onvoldoende effect sorteert, dan zal een nadere afweging plaatsvinden over de te nemen maatregelen, zoals het wettelijk voorschrijven van het gebruik van het pseudoniem/ketenID en/of van de aanvullende persoonsgegevens die mogen worden verstrekt.

Contact

Wilt u meer weten over dit onderwerp of privacy in het onderwijs in het algemeen? Neemt u dan contact op met Anneloes Korremans  of een van de andere specialisten van het team IT, IE & Privacy.

Beschuldigingen van seksuele intimidatie zijn niet niks. Ondanks protocollen, blijft het moeilijk om hardop te zeggen ‘tot hier en niet verder’. Aan de andere kant: iemand die beschuldigd wordt, kan zich moeilijk verweren. Getuigen ontbreken vaak. Het is het woord van de één tegen het woord van de ander. Niet alleen voor de direct betrokkenen is de situatie lastig; ook voor de werkgever. Hoe moet een school als werkgever omgaan met een klacht over seksuele intimidatie?

Een beschuldiging moet serieus worden genomen. Laat dat duidelijk zijn, daar willen we in deze blog niet aan tornen. Maar niet elke klacht leidt zonder meer tot ontslag. Eerst moet onderzocht worden wat er is gedaan of gezegd, en in welke context. Als een school het onderzoek niet juist uitvoert of te snelle stappen wil nemen, kan dit een averechts effect hebben. Voorbeelden hiervan zijn de uitspraken van de kantonrechter Rotterdam, die een ontbindingsverzoek afwees wegens gebrek aan bewijs, en van de kantonrechter Alkmaar, die aan de werknemer een billijke vergoeding toekende. Wat was er in die zaken aan de hand?

Gebrek aan bewijs

Een school verzocht de kantonrechter Rotterdam de arbeidsovereenkomst met een leerlingbegeleider te ontbinden na klachten van zes leerlingen over seksuele intimidatie. De school kon echter niet aantonen dat de klachten van de leerlingen, die vriendinnen/familie van elkaar bleken te zijn, op waarheid berustten. De leerlingen wilden desgevraagd niet als getuigen door de kantonrechter worden gehoord. De leerlingbegeleider maakte aannemelijk dat de leerlingen uit rancune jegens hem hadden gehandeld. Hij had daarvoor verklaringen van collega’s die steeds in hetzelfde lokaal als de leerlingbegeleider waren geweest. Omdat niet aannemelijk was dat de leerlingbegeleider misbruik had gemaakt van zijn machts- en afhankelijkheidspositie als leerlingbegeleider, werd de arbeidsovereenkomst niet ontbonden.

Te snel handelen

Ook een school in Alkmaar slaagde er niet in de arbeidsovereenkomst met een leraar die van seksuele intimidatie was beschuldigd, ontbonden te krijgen wegens (ernstig) verwijtbaar gedrag. De kantonrechter Alkmaar was het met de school eens dat bepaalde opmerkingen van de leraar geen humor waren, maar ongewenst seksueel getinte aandacht. De kantonrechter vond het verwijtbare gedrag echter niet zodanig dat om die reden de arbeidsovereenkomst moest worden ontbonden. De leraar had namelijk spijt betuigd en aangegeven dat hij zijn spreekstijl en houding zou aanpassen door zakelijker te zijn. Daarbij kwam dat de leraar overgeplaatst zou kunnen worden naar klassen met voornamelijk jongens en dat ook ander werk dan lesgeven beschikbaar was op de school. Omdat de arbeidsverhouding inmiddels was verstoord, ontbond de kantonrechter de arbeidsovereenkomst wel. De school had te snel aangestuurd op ontslag en niet opengestaan voor andere oplossingen, waardoor de school aan de leraar een billijke vergoeding moest betalen. Omdat het gedrag de leraar wordt aangerekend, kent de kantonrechter een vergoeding toe die 2/3e lager is dan hij zou hebben gedaan als de leraar niets te verwijten viel. De school moet de leraar € 15.024,90 bruto extra betalen naast de transitievergoeding.

Hoe dan wel?

Uit de aangehaalde uitspraken halen we de volgende aanwijzingen:

Nog een TIP: raadpleeg de van toepassing zijnde cao voor de formele regelgeving bij disciplinaire maatregelen en voorgenomen ontslag. De onderwijscao’s bepalen dat een werknemer zijn zienswijze mag geven voordat een maatregel wordt opgelegd. Daarnaast moet de werkgever de werknemer wijzen op de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij de Commissie van beroep.

Henriëtte van Baalen, advocaat/partner team Arbeid, Medezeggenschap & Pensioen

Onlangs berichtten wij u al dat zorginstellingen verplicht zijn een functionaris voor de gegevensbescherming (FG) aan te stellen. In deze kennisblog wordt stilgestaan bij de FG in het onderwijs, want ook daar is een FG verplicht.

Op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) is het met ingang van 25 mei 2018 verplicht een FG aan te stellen als wordt voldaan aan minimaal één van de volgende criteria:

In het onderwijs wordt ervan uitgegaan dat is voldaan aan minimaal één van de bovengenoemde criteria:

  1. Scholen vallen namelijk onder de definitie van publieke organisatie (artikel 37 AVG);
  2. Door het gebruik van leerlingvolgsystemen worden op grote schaal, regelmatig en systematisch persoonsgegevens verwerkt; en
  3. Scholen verwerken bijzondere persoonsgegevens van leerlingen, zoals het BSN en gegevens over gezondheid (ADHD/Dyslexie/etc.).

Kortom, ook scholen zijn verplicht om met ingang van 25 mei 2018 een FG aan te stellen.

In de AVG is verder opgenomen dat een ‘concern’ één FG mag benoemen, onder de voorwaarde dat daarmee eenvoudig contact op te nemen is. Hetzelfde zal gelden voor overkoepelende stichtingen en samenwerkingsverbanden in het onderwijs.

Belangrijke rol

In het onderwijs zijn digitale leermiddelen niet meer weg te denken en worden veel gegevens uitgewisseld. Denk daarbij aan uitwisseling met jeugdzorg, binnen het samenwerkingsverband en bij de overstap naar een andere school. Het overtreden van de privacywetgeving ligt daarmee op de loer. De FG zal daarom in het onderwijs een hele belangrijke rol krijgen en heeft bij voorkeur – naast kennis over de privacywetgeving – ook voldoende kennis over onderwijs(wetgeving). Voor meer informatie over de kwaliteiten, taken en bevoegdheden van een FG verwijs ik u naar dit blog.

De spoeling van geschikte kandidaten is dun, zodat het belangrijk is op tijd te beginnen met het werven of opleiden van een FG. Voor u het weet is het 25 mei aanstaande.

Contact

Wilt u meer weten over privacy in het onderwijs? Neemt u dan contact op met Anneloes Korremans  of een van de andere specialisten van het team IT, IE & Privacy.

In beginsel heeft een langdurig zieke werknemer bij ontslag recht op een transitievergoeding. Alhoewel de kantonrechter Eindhoven op 13 december 2016 heeft geoordeeld dat er reden kan zijn om een zieke werknemer een beperkte transitievergoeding te betalen, is het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch een andere mening toegedaan.

De arbeidsovereenkomst van een 64-jarige docent is opgezegd vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid. De docent ontvangt een IVA-uitkering. De wettelijke transitievergoeding van de docent bedraagt EUR 73.541,42.

Oordeel kantonrechter

De kantonrechter heeft de docent een – sterk gematigde – transitievergoeding toegekend van EUR 25.000,-. De kantonrechter verwijst hiervoor naar de gedachte achter de transitievergoeding: enerzijds het bieden van een compensatie voor ontslag, anderzijds het vergemakkelijken van de overgang naar een andere baan. De docent zal naar verwachting niet meer terugkeren op de arbeidsmarkt, gezien zijn leeftijd en de toegekende IVA-uitkering. Daarmee is zijn situatie vergelijkbaar met die van een AOW-gerechtigde werknemer. Deze laatste ontvangt geen transitievergoeding. In tegenstelling tot de AOW-gerechtigde werknemer, ontvangt de docent echter geen volledig inkomen tot aan zijn AOW-datum. Dit maakt dat aan hem een gematigde transitievergoeding wordt toegekend.

Oordeel Gerechtshof

De docent vordert in hoger beroep de volledige wettelijke transitievergoeding van EUR 73.541,42. Het Hof wijst deze vordering toe en wel om de volgende redenen. Het doel van de transitievergoeding (1. compensatie voor de gevolgen van ontslag en 2. het vergemakkelijken van de overgang naar een andere baan) rechtvaardigt geen uitzondering in geval van ontslag op grond van langdurige arbeidsongeschiktheid. Ook voor werknemers die langdurig (gedeeltelijk/volledig) arbeidsongeschikt zijn, kunnen deze voorzieningen van belang zijn voor het zoeken van ander werk. Volgens het Hof is niet uitgesloten dat de situatie van een volledig arbeidsongeschikte (zoals een IVA-uitkeringsgerechtigde) verbetert. Maar ook als er geen verbetering optreedt is het niet wenselijk om deze groep werknemers anders te behandelen.

Daarnaast zou een uitzondering in strijd zijn met het beginsel van gelijke behandeling.

Verder wijst het Hof op het feit dat er geen sprake is van het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. Zelfs al was dat het geval, is het geenszins vanzelfsprekend meer dat iemands dienstverband zonder meer eindigt bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. Het feit dat iemand de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt is dan ook onvoldoende reden hem – enkel op die grond – een lagere transitievergoeding toe te kennen.

Gelet op de bedoeling van de wetgever (lees: het doel van de transitievergoeding) vormt het feit dat een werknemer een vergoeding toegewezen krijgt – die in geen verband staat tot de door hem geleden schade of inkomensverlies – geen aanleiding hem een lagere transitievergoeding toe te kennen.

Het Hof ziet tot slot geen grond of omstandigheden om toekenning van de volledige wettelijke transitievergoeding onaanvaardbaar te achten of te matigen.

Conclusie

Het is duidelijk dat het Hof de kantonrechter op de vingers getikt heeft. Feit dat een werknemer (volledig) arbeidsongeschikt is of de AOW-gerechtigde leeftijd nadert, vormt in ieder geval geen reden om de transitievergoeding niet toe te kennen of te matigen in geval van beëindiging van het dienstverband door de werkgever. Met de wijsheid van nu had deze werkgever er beter aan gedaan het dienstverband van de docent slapende te houden tot aan diens AOW-gerechtigde leeftijd. In dat geval was zij geen transitievergoeding verschuldigd geweest.

Renée Huijsmans, advocaat

De huidige arbeidsrechtwetgeving maakt het basisscholen niet makkelijk om flexibel ziekte van leerkrachten op te vangen. Soms worden leerlingen zelfs naar huis gestuurd. Een ongelukkige situatie voor veel partijen. Eén van de redenen dat de school niet te vaak een invalkracht kan inzetten, is de ketenregeling.

De ketenregeling bepaalt dat een werknemer na verloop van tijd recht heeft op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Voor het basisonderwijs is vastgelegd in de CAO PO dat een invalkracht na maximaal drie jaar óf na zes contracten voor bepaalde tijd recht heeft op een vast dienstverband.

Er is nu gelukkig een lichtpuntje in het regeerakkoord. Er staat letterlijk “In het primair onderwijs worden tijdelijke contracten voor invalskrachten in verband met vervanging wegens ziekte uitgezonderd van de ketenbepaling.” We kijken uit naar de officiële wetswijziging. Zodra er meer over bekend is, melden we dat uiteraard op onze website.

Dat een schoolbestuur een niet al te afwachtende houding mag aannemen ten aanzien van het onderzoeken van incidenten op school en het verbinden van consequenties hieraan, blijkt uit de volgende uitspraak van de Geschillencommissie passend onderwijs.

Feiten en omstandigheden

Een leerling van een VO-school (13 jaar oud) wordt verdacht van het aanbieden van joints aan een medeleerling (oktober 2016) en het online verspreiden van blootfoto’s van 3 andere medeleerlingen (november 2016). Naar aanleiding hiervan wordt de leerling geschorst. Het schoolbestuur spreekt af met de leerling dat hij zijn lessen weer mag hervatten onder de voorwaarden dat hij geen drugs meer zal aanbieden, geen compromitterende foto’s van leerlingen zal verspreiden en geen druk zal uitoefenen op andere leerlingen. Indien uit het onderzoek van de (zeden)politie blijkt dat de leerling schuldig wordt bevonden aan strafbare feiten of wanneer hij zich niet houdt aan de gemaakte afspraken, zal het schoolbestuur de leerling verwijderen.

Medio april 2017 gaat het schoolbestuur alsnog tot verwijdering van de leerling over, omdat de politie de leerling een taakstraf heeft opgelegd voor sexting. De leerling vecht het verwijderingsbesluit aan.

Oordeel Geschillencommissie passend onderwijs

De Geschillencommissie passend onderwijs stelt vast dat de feiten die aan het verwijderingsbesluit ten grondslag liggen eind november 2016 al bekend waren bij het schoolbestuur. Deze feiten zijn ernstig. Eind november 2016 was het duidelijk voor het schoolbestuur dat de leerling met de blootfoto’s de privacy en de sociale veiligheid van de 3 medeleerlingen ernstig heeft aangetast en dat de nadelige effecten hiervan zich ook manifesteerden in de schoolomgeving, nu de foto’s (ook) aan leerlingen binnen de school waren verspreid. Het verbaast de Geschillencommissie dat het schoolbestuur de beslissing tot verwijdering van de leerling afhankelijk heeft gesteld van de uitkomsten van justitieel onderzoek en vervolging. Daardoor is de termijn waarop een beslissing door het schoolbestuur genomen zou worden voor onbekende duur opgeschoven, waardoor de leerling lang in onzekerheid verkeerde over zijn toekomst op school. Daarnaast houden justitieel onderzoek en vervolging verband met het handhaven van de rechtsorde, terwijl van het schoolbestuur een beslissing van geheel andere aard wordt verlangd, namelijk een in het kader van zijn verantwoordelijkheid voor de veiligheid en het pedagogische klimaat op school.

Verder speelt mee dat het schoolbestuur in november 2016 ook op de hoogte was van de joint die de leerling heeft aangeboden en van een vechtpartij die hij eerder organiseerde. Het schoolbestuur is toen niet overgegaan tot verwijdering, maar heeft een schorsing opgelegd en de leerling vervolgens opnieuw tot de school toegelaten. Het schoolbestuur heeft niet aangevoerd – en kan op basis van het opnieuw toelaten tot de school – niet aannemelijk maken, dat er sprake is van een onhoudbare of onveilige situatie op school. De Geschillencommissie verklaart het verzoek van de leerling (toelating tot de school en het treffen van maatregelen ter waarborging van de sociale veiligheid op school) dan ook gegrond.

Conclusie

Een schoolbestuur is gehouden zelf zorgvuldig onderzoek te doen naar incidenten op school en is hierbij niet afhankelijk van het onderzoek van politie/justitie. Bij haar eigen onderzoek dient het schoolbestuur rekening te houden met het feit dat zij zorg moet dragen voor een veilige omgeving voor haar leerlingen.

Twijfelt u over de door uw schoolbestuur te nemen maatregel, neem dan contact met ons op!

De school heeft een leerling extern geschorst, dat wil zeggen de toegang tot de school ontzegd. Vanaf de schorsing zit de leerling thuis en moet hij daar zijn schoolwerk maken. De reden is dat de leerling zich meerdere malen grensoverschrijdend heeft gedragen. Onder meer vechten en schelden, en het gezag van een leraar ondermijnen. De leerling is eerder al intern geschorst geweest.

De school heeft de ouders observatie van de leerling voorgesteld in een zogenaamde sluisklas, zodat kan worden bekeken welke structuur en ondersteuning de leerling nodig heeft. De ouders zijn het daar niet mee eens en geven aan geen vertrouwen meer te hebben in de school. Zij willen dat hun kind onderwijs kan volgen op een reguliere school en niet op een school voor voortgezet speciaal onderwijs. De school wacht de keuze van de ouders voor een andere school af. Ondertussen dienen de ouders een klacht in bij de Geschillencommissie passend onderwijs.

De Geschillencommissie heeft begrip voor de goede bedoelingen van de school, die niet te snel wil overgaan tot verwijdering. Maar, zo oordeelt de Geschillencommissie, de school handelt niet in lijn met de zorgplicht. De school had de regie moeten nemen, ook al wilden de ouders niet meer dat hun kind zou terugkeren op de school. Een schorsing mag wettelijk niet langer dan een week duren. In deze week had de school de leerling óf weer moeten toelaten óf moeten verwijderen. En wettelijk gezien is de maatregel van een thuisplaatsing niet mogelijk.

Verder meent de Geschillencommissie dat de maatregel niet proportioneel is, omdat de gezagsondermijning niet zodanig ernstig was dat hierdoor de veiligheid van de leerkrachten of medeleerlingen in het geding was. De school had moeten onderzoeken of zij op een andere manier meer structuur had kunnen bieden aan de leerling en/of nieuwe incidenten had kunnen voorkomen. Gelet op de regelgeving voor passend onderwijs had de school tijdig een onderzoek moeten starten naar extra ondersteuning voor de leerling. Daarbij had zij een ontwikkelingsperspectief moeten opstellen.

Ondanks de goede bedoelingen van de school is de klacht van de ouders over de externe schorsing gegrond. De Geschillencommissie doet geen nadere aanbevelingen, omdat de leerling binnenkort op een andere school voor regulier voorgezet onderwijs start.

Een leermoment voor de school die het juist zo goed had willen doen.

Henriëtte van Baalen

Met een scheidingspercentage van 39,6% krijgen ook steeds meer scholen te maken met gescheiden ouders. Maar hoe zit het nu eigenlijk met het recht op informatie van gescheiden ouders?

De school moet daarbij primair handelen in het belang van het kind.

De wet stelt bovendien dat de ‘niet met het gezag belaste ouder desgevraagd door derden die beroepshalve beschikken over informatie inzake belangrijke feiten en omstandigheden die de persoon van het kind of diens verzorging en opvoeding betreffen, daarvan op de hoogte wordt gesteld, tenzij die derde de informatie niet op gelijke wijze zou verschaffen aan degene die met het gezag over het kind is belast dan wel bij wie het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, of het belang van het kind zich tegen het verschaffen van informatie verzet’.

Bovenstaande omschrijving betreft ook docenten en directie van scholen.

Helder is dat de wet een onderscheid maakt tussen ouders met en ouders zonder gezag. De ouder met gezag heeft recht op meer informatie dan de ouder zonder gezag. Maar wat is nu precies het verschil? De ouder met gezag:

Een rechter kan het recht op informatie van een ouder zonder gezag beperken. Ook is het mogelijk dat informatieverstrekking niet in het belang van een kind is. Dit betreft een afweging die de school zelf kan en moet maken. Omdat de school een zelfstandige informatieplicht heeft, kan zij zich niet verschuilen achter de informatieplicht van de verzorgende ouder. Het informatierecht is een ‘hard’ recht van de ouder ten opzichte van de school.

De school zal zwaarwegende argumenten moeten hanteren om informatie te weigeren en die argumenten ook kenbaar moeten maken aan de ouder die om informatie vraagt. Daarbij moet elke schijn van partijdigheid worden vermeden.

Ter verduidelijking een overzicht van wie recht heeft op welke informatie:

Wie Alle informatie Beperkte informatie en op verzoek
Ouders getrouwd
Ouders gescheiden, beiden met gezag
Gezamenlijk gezag
Ouder zonder gezag
Beide ouders zonder gezag
Voogd/grootouders/pleegouders

 

Praktische tips voor bevoegd gezag en docenten

  1. Controleer op voorhand wie van de ouders belast is met gezag. Dit kan eenvoudigweg door deze vraag aan beide ouders voor te leggen. Bij twijfel kan het opvragen van een uittreksel uit het gezagsregister uitkomst bieden. Het gezagsregister is openbaar. Dit betekent dat iedereen een uittreksel uit het gezagsregister kan opvragen.
  2. Werk met een digitaal systeem voor wat betreft het verstrekken van informatie aan ouders met gezag. Op die manier hebben alle met het gezag belaste ouders, ook al zijn zij gescheiden, eenzelfde toegang tot de informatie met betrekking tot hun minderjarige kind.
  3. Denk op voorhand na over de informatie die verstrekt kan/moet worden aan ouders zonder gezag en hou er rekening mee dat deze informatie slechts op verzoek van deze ouder verstrekt worden. Handel hierbij primair in het belang van het kind.

Renée Huijsmans, advocaat.