Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Inleiding

Als een rechter een partij veroordeelt tot het doen of nalaten van een bepaalde handeling dan kan de rechter op verzoek van de eisende partij daaraan ook een dwangsom verbinden. Voldoet de veroordeelde partij niet aan het opgelegde gebod of verbod dan worden dwangsommen verbeurd. Het opleggen van een dwangsom is dan uiteraard bedoeld om de veroordeelde partij voldoende te ‘prikkelen’ om het vonnis stipt na te komen. Bijna altijd zal de rechter een maximum hangen aan het bedrag dat een veroordeelde partij via dwangsommen kan verbeuren. Soms wordt van dit maximumbedrag gedacht dat dit een soort afkoopsom zou zijn. En dat de veroordeelde partij – na betaling van dit maximumbedrag – het vonnis niet meer hoeft na te komen. Ten onrechte, blijkt ook uit een recente uitspraak.

De casus

In deze zaak ging het om het volgende. Een sport- en fitnessketen had bedrijfsruimte gehuurd op de begane grond van een complex om een sportschool te kunnen exploiteren. Op de eerste verdieping van dit complex woonden mensen. De verhuurder van deze woningen ontving herhaaldelijk klachten van de bewoners over overlast van de onderliggende sportschool. De door de keten genomen maatregelen mochten helaas niet baten.

De verhuurder stapte vervolgens naar de rechter. Bij rechterlijk vonnis werd de keten veroordeeld om de exploitatie van de sportschool te staken en gestaakt te houden. Zou de keten dat niet doen, dan zou zij een dwangsom verbeuren van € 1.000 voor elke dag dat de exploitatie van de sportschool zou voortduren, met een maximum van € 50.000 aan dwangsommen.

Ondanks dit vonnis staakte de keten de exploitatie van de sportschool niet, maar voldeed zij een bedrag van € 50.000 aan de verhuurder onder de vermelding “penalty court“. Kennelijk omdat de keten van mening was dat het bedrag van € 50.000 een soort van afkoopsom zou zijn en dat verdere nakoming van het vonnis daardoor niet meer nodig was.

Ten onrechte, oordeelt de kort geding rechter in Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2019:1260 – klik hier voor het volledige vonnis). Een rechterlijk vonnis moet immers stipt nageleefd worden en dat doet de keten niet door de exploitatie in strijd met het vonnis voort te zetten. De eerste rechter dacht dat een dwangsom van € 1.000 per dag met een maximum van € 50.000 een voldoende prikkel voor de keten zou moeten zijn om haar de exploitatie van de sportschool te doen staken. Dat blijkt in de praktijk echter niet het geval te zijn. De kort geding rechter overweegt dan ook dat er kennelijk onvoldoende prikkel is uitgegaan van die eerdere (maximale) dwangsom en hij verhoogt de maximale dwangsom van € 50.000 naar € 250.000. De reeds door de keten verbeurde dwangsommen van € 50.000 maken daar overigens geen onderdeel van uit, dus in theorie kan de verhuurder op basis daarvan totaal € 300.000 aan dwangsommen opeisen als de keten onwelwillend blijft om aan het vonnis te voldoen.

Kortom

Een gebod of verbod in een rechterlijk vonnis dient stipt nageleefd te worden door de veroordeelde partij. Als deze partij daaraan niet voldoet, en er zijn dwangsommen opgelegd door de rechter, dan kan hij dwangsommen verbeuren tot een bepaald maximum. Zoals uit voorgaande uitspraak blijkt, heeft het dan geen zin voor de veroordeelde partij om de (maximale) dwangsom te voldoen aan de eisende partij om vervolgens het vonnis te (blijven) overtreden. De eisende partij kan dan naar de rechter stappen om een verhoging van de maximale dwangsom te vorderen.

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchise recht

In februari van dit jaar heeft de algemene raad van de Nederlandse orde van advocaten de nieuwe Gedragsregels voor advocaten gepubliceerd. Deze geactualiseerde Gedragsregels 2018 treden in de plaats van de vertrouwde gedragsregels die sinds 1992 het optreden van advocaten in goede banen hebben geleid. Deze herijkingsoperatie geeft bij wijze van overdenking aanleiding tot de vraag welke betekenis en functie die gedragsregels hebben binnen het materiële advocatentuchtrecht en welk rechtskarakter aan deze regels kan worden toegekend.

In dit artikel gaat Robert Sanders in op die vragen, waarbij hij ook kort de ontstaansgeschiedenis van de gedragsregels zal behandelen en aan de orde zal komen in hoeverre de gedragsregels voor de advocatuur ook buiten het tuchtrecht betekenis hebben.

Wilt u het hele artikel lezen? Klik dan hier.

Robert Sanders

Robert Sanders is expert op het gebied van tuchtrecht en staat binnen de ondernemingsrechtpraktijk van De Clercq met name vrije beroepsbeoefenaren bij die binnen hun vakgebied een tuchtrechtregeling kennen, zoals advocaten, notarissen, accountants en medici.

Als beroepsbeoefenaar geconfronteerd met een klacht? Grote vraag is dan, als de tuchtrechter de klacht gegrond verklaart, in welke gevallen dat ook kan leiden tot beroepsaansprakelijkheid.

Op 20 februari 2018 oordeelde het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over de civielrechtelijke aansprakelijkheid van een accountant voor het opstellen van een persoonsgericht forensisch rapport. In een eerdere tuchtrechtprocedure was de Accountantskamer al tot het oordeel gekomen dat de accountant in dat kader tuchtrechtelijk verwijtbaar had gehandeld door in het rapport tot conclusies te komen waarvoor onvoldoende feitelijke grondslag bestond. Voor dit tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen legde de Accountantskamer de maatregel van berisping op. Dat oordeel werd in hoger beroep bekrachtigd.

Naar aanleiding van deze tuchtrechtelijke beslissing is de klager in kwestie  een civiele procedure gestart. Opvallend genoeg betrof dit een kort geding. Klager, die nu als eiser optrad, stelde vorderingen in voor een bedrag van € 750.000,- als voorschot op een schadevergoeding en tevens voor een bedrag van € 25.000,- als voorschot op een volledige proceskostenvergoeding. Ter onderbouwing van de vordering stelde eiser dat hij door het handelen van de accountant en het bewuste rapport geen werk meer heeft kunnen vinden van vergelijkbaar niveau. De geclaimde schade zou bestaan uit gederfde inkomsten en reputatieschade.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam wees de vorderingen van de klager af. Onvoldoende aannemelijk was dat in de bodemprocedure zou komen vast te staan dat de accountant onrechtmatig had gehandeld. Daarop ging eiser in hoger beroep.

In hoger beroep overwoog het hof allereerst dat voor een voorziening in kort geding, inhoudende de betaling van een geldsom, terughoudendheid op zijn plaats is. Ook overwoog het hof dat de civiele rechter aan de tuchtrechtelijke uitspraken belang kan hechten, maar dat deze uitspraken niet behoeven te worden gevolgd. Het feit dat tuchtrechtelijk verwijtbaar is gehandeld, leidt niet steeds tot de conclusie dat ook sprake is van civielrechtelijke aansprakelijkheid. Net zoals de voorzieningenrechter oordeelde het hof in onderhavige kwestie dat, zelfs als het onrechtmatig handelen van de accountant zou komen vast te staan, daarmee de causaliteit tussen de door appellant gestelde schade en het vermeend onrechtmatig handelen nog niet is gegeven. De vorderingen werden dan ook integraal afgewezen.

De uitspraak van het hof is illustratief voor een zaak waarin het tuchtrecht als ‘voorfase’ van een civiele procedure op grond van beroepsaansprakelijkheid wordt gebruikt. Dat het één niet noodzakelijkerwijs tot het ander hoeft te leiden, wordt hiermee echter bevestigd. Dat hangt samen met de omstandigheid dat het tuchtrecht een ander doel dient dan het civiele (aansprakelijkheids)recht, waardoor ook aan andere normen wordt getoetst. Ook gaat de sfeer van de bewijsvoering in deze procedures niet gelijk op.

Heeft u vragen over het voeren van verweer tegen een klacht, het indienen van een klacht, een daarmee verband houdende beroepsaansprakelijkheidsprocedure of de gevolgen daarvan? Neem dan contact met ons op.

Robert Sanders, advocaat team Ondernemingsrecht

Het uitkeren van dividend is aan een aantal wettelijke formaliteiten onderhevig. Waar moet u als ondernemer op letten?

  1. Oproep aandeelhouders

Wettelijk uitgangspunt is dat de algemene vergadering van aandeelhouders bevoegd is tot bestemming van de winst en tot vaststelling van de uitkeringen (art. 2:216 lid 1 BW). Alle vergadergerechtigden moeten voor de vergadering worden opgeroepen op de wijze die in de statuten is opgenomen, met vermelding van de te behandelen onderwerpen en inachtneming van de oproeptermijn. Schending van de oproepingsvereisten kan leiden tot vernietiging van besluiten die ter vergadering zijn genomen, waaronder dus besluiten tot het uitkeren van dividend.

  1. Beperkte balanstest

De algemene vergadering mag het besluit tot uitkering van dividend slechts nemen voor zover het eigen vermogen van de vennootschap groter is dan de wettelijke of statutaire reserves (de zogenoemde gebonden reserves). Dit wordt de beperkte balanstest genoemd.

  1. Goedkeuring bestuur en uitkeringstest

Een besluit tot dividenduitkering heeft geen gevolgen zolang het bestuur geen goedkeuring heeft verleend (art. 2:216 lid 2 BW). Het bestuur weigert slechts de goedkeuring indien het weet of redelijkerwijs behoort te voorzien dat de vennootschap na de uitkering niet zal kunnen blijven voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden. Als vuistregel wordt vaak een periode van één jaar aangehouden waarin de vennootschap niet in betalingsproblemen mag komen. Het bestuur moet dus toetsen of de uitkering niet evident onverantwoord is. Dit wordt ook wel de liquiditeits- of uitkeringstest genoemd. Het moment van uitkering is hierbij beslissend.

  1. Schriftelijk vastleggen

Belangrijk: leg zowel het besluit van de algemene vergadering tot dividenduitkering als de goedkeuring van het bestuur schriftelijk vast. Ter voorkoming van aansprakelijkheidsstelling doet het bestuur er goed aan vast te leggen op basis van welke cijfers en andere gegevens zij goedkeuring aan het uitkeringsbesluit verleent.

Gevolgen niet-naleving voorschriften

Indien de vennootschap na een dividenduitkering niet kan voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden, zijn de bestuurders die dat ten tijde van de uitkering wisten of redelijkerwijs behoorden te voorzien jegens de vennootschap hoofdelijk verbonden voor het tekort dat door de uitkering is ontstaan, met de wettelijke rente vanaf de dag van de uitkering (art. 2:216 lid 3 BW). Het doel van deze regel is dat schuldeisers van de vennootschap worden beschermd; om deze reden gelden deze regels ook voor de uitkering van interim-dividend. De aangesproken bestuurder mag de vordering van de vennootschap niet verrekenen met eventuele vorderingen die de bestuurder op de vennootschap heeft.

Overigens gaan ook aandeelhouders niet altijd vrijuit. Een aandeelhouder die een uitkering ontving terwijl deze in strijd was met de beperkte balanstest of zonder dat het bestuur de uitkering heeft goedgekeurd, dient dit bedrag terug te betalen. Daarnaast geldt dat een aandeelhouder die een uitkering heeft ontvangen waarvan hij wist of redelijkerwijs behoorde te voorzien dat de vennootschap na de uitkering in betalingsproblemen zou komen, aansprakelijk is voor maximaal het bedrag dat hij als uitkering heeft ontvangen. Zie voor een voorbeeld van een zaak waarin niet volgens de wettelijke vereisten dividend was uitgekeerd en een bestuurder/aandeelhouder € 47.500 moest terugbetalen het arrest van het Hof Den Haag van 21 februari 2017 (ECLI:NL:GHDHA:2017:304).

Kortom: bij het proces van dividenduitkering is zorgvuldigheid geboden.

Heeft u vragen of wilt u kennismaken? Neem contact op met Tim de Vries, advocaat ondernemingsrecht.

Afgelopen week is op rechtspraak.nl een uitspraak gepubliceerd waarin de rechter toetst of een werkgever verplicht is om aan te sluiten bij een bedrijfstakpensioenfonds. In deze zaak stond ik met succes het Bedrijfstakpensioenfonds bij (klik).

Via een verplichtstellingsbesluit voorkomt de minister dat aan werknemers geen of slechts een beperkte pensioentoezegging wordt gedaan. De inhoud van een verplichtstellingsbesluit komt tot stand na onderhandelingen tussen sociale partners. Dit verplichtstellingsbesluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant. De vraag is vervolgens welke werkgevers onder dat verplichtstellingsbesluit vallen. Wat is de reikwijdte? Afgelopen jaren heeft ons kantoor letterlijk honderden werkgevers getoetst aan verplichtstellingsbesluiten. De argumenten die de revue passeren zijn talrijk.

In de nu gepubliceerde uitspraak oordeelde de rechter dat ondanks een nauwe band van een werkgever met haar moedervennootschap, de werkgever toch als onderneming kwalificeerde. De gestelde omstandigheden dat de moedervennootschap de in- en verkoopprijzen bepaalde, een verbod had opgelegd om goederen te verkopen die niet van de moedervennootschap afkomstig waren en dat de werkgever financieel afhankelijk was van de moedervennootschap, maakten geen verschil. De rechter geeft aan dat iedere andere uitleg zou betekenen dat de werkgever, door middel van interne afspraken met haar moedervennootschap, onder deelname aan het verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfonds uit zou kunnen komen en dat dit een onaannemelijk – en ongetwijfeld onwenselijk – rechtsgevolg is.

Menno de Wijs, advocaat Compliance & Litigation

Zowel een eigendomsvoorbehoud als een pandrecht kunnen van grote waarde zijn indien een debiteur haar schuld niet voldoet. Zo zorgt een eigendomsvoorbehoud ervoor dat een koper geen eigenaar wordt van aan hem geleverde goederen zonder te betalen (art: 3:92 BW). Blijft betaling uit, dan kun je als verkoper de geleverde goederen eenvoudigweg weer ophalen.

Ook een pandrecht zorgt voor zekerheid (art. 3:296 BW). Blijft betaling van een vordering uit, dan kun je hetgeen is verpand executeren. Zeker in het geval van een faillissement biedt een eigendomsvoorbehoud of een pandrecht grote voordelen. Buiten de reguliere schuldeisers om kunnen deze rechten worden ingeroepen. Dat kan het verschil maken tussen winst of verlies.

Pandrecht op een beperkt eigendomsrecht?

Kan een koper goederen die onder een eigendomsvoorbehoud zijn geleverd al verpanden aan een derde? Geen vreemde vraag, want door het eigendomsvoorbehoud is de koper (nog) geen onvoorwaardelijk eigenaar.

De koper kan in die situatie zijn voorwaardelijke eigendom onder dezelfde voorwaarden verpanden, zo heeft de Hoge Raad geoordeeld (klik). Er ontstaat een pandrecht dat pas effect krijgt op het moment dat de koper het onvoorwaardelijke eigendomsrecht verkrijgt (door betaling van de koopsom aan de verkoper). Zelfs na faillissement kan een dergelijk pandrecht nog ontstaan, mits het pandrecht op het voorwaardelijke eigendomsrecht is gevestigd voordat het faillissement intrad.

De voordelen van eigendomsvoorbehouden en pandrechten zijn voorbehouden aan hen die dit bij de totstandkoming van een overeenkomst bedingen. Aandacht hiervoor is dus essentieel.

Menno de Wijs, advocaat Compliance & Litigation

 

Per van der Kooi schreef een column in Beton Centraal, het nieuwe magazine van Betonhuis. Betonhuis is het kennis-, informatie- en innovatiecentrum van de Nederlandse betonsector.

In het artikel gaat hij in op de toepasselijkheid van algemene voorwaarden en op de geldigheid van aansprakelijkheidsbeperkingen.

Bottomline: de aansprakelijkheid is (toch) niet steeds beperkt…

Wilt u de column lezen, klik dan hier.

Onlangs is wederom bevestigd door een rechter dat de Dienstenrichtlijn ook van toepassing is op detailhandel. De Dienstenrichtlijn is in 2006 in werking getreden en is bedoeld om binnen Europa grensoverschrijdend dienstenverkeer te bevorderen. Ondanks de naam van deze richtlijn blijkt uit recente rechtspraak dat de Dienstenrichtlijn ook geldt voor detailhandel. En dat heeft weer gevolgen voor winkeliers.

In 2006 is in Europa de Dienstenrichtlijn in werking getreden. Het doel van deze richtlijn is onder meer om grensoverschrijdend dienstenverkeer binnen Europa te bevorderen en dienstverleners te stimuleren om in andere Europese landen zaken te doen. Administratieve procedures voor dienstverlener worden daarbij zoveel mogelijk vereenvoudigd. Zo dient bijvoorbeeld elk Europees land één loket te hebben waar dienstverleners hun zaken met de overheid kunnen regelen. Certificaten en diploma’s die geldig zijn in het ene Europese land dienen op grond van deze richtlijn ook geldig te zijn in andere Europese landen. Ook hebben dienstverleners op basis van de Dienstenrichtlijn een duidelijke informatieverplichting richting hun afnemers.

De Dienstenrichtlijn ziet toe op bijna alle dienstverleners. Dat zijn ondernemers die ‘diensten verlenen’. Dat doet vermoeden dat enkel dienstverlenende beroepen als schilders, glazenwassers en loodgieters daaronder zouden vallen, maar uit recente rechtspraak blijkt dat detailhandel ook onder de Dienstenrichtlijn kan vallen. In dat kader kan gewezen worden op de navolgende rechtszaak. Een eigenaar van bedrijfspanden wilde in de gemeente Appingedam bedrijfsruimte verhuren aan een schoenen- en kledingzaak. Aldus de gemeente was dit echter niet mogelijk, omdat het bestemmingsplan dat verbood. De eigenaar beriep zich vervolgens op de Dienstenrichtlijn en stelde zich op het standpunt dat het verbod strijdig was met de Dienstenrichtlijn.  Toen partijen uiteindelijk bij de Raad van State aanbelandden (ECLI:NL:RVS:2018:2062 – klik hier voor de uitspraak) werd onder meer door de Raad van State aan het Europese Hof van Justitie gevraagd of detailhandel, zoals de verkoop van schoenen- en kleding, wel onder de Dienstenrichtlijn valt. ‘Ja’ antwoordt het Hof van Justitie aan de Raad van State: detailhandel valt ook onder de Dienstenrichtlijn.

Het voorgaande heeft tot gevolg dat bepaalde regels die voortvloeien uit de Dienstenrichtlijn ook van toepassing zijn op winkeliers. Dat betekent onder meer dat een winkelier bij het ter hand stellen van zijn algemene voorwaarden gebruik kan maken van de bredere mogelijkheden die de wet uit hoofde van de Dienstenrichtlijn biedt. Naast het onder andere feitelijk ter hand stellen van de algemene voorwaarden en het toezenden van deze voorwaarden op eerste verzoek, kan de winkelier op grond van voorgaande uitspraak aanvullend ook aansluiting zoeken bij artikel 6:230c Burgerlijk Wetboek. Daardoor is het bijvoorbeeld ook mogelijk dat de algemene voorwaarden ter hand worden gesteld aan een klant als zij “gemakkelijk toegankelijk” zijn op de plaats waar de dienst plaatsvindt of de overeenkomst wordt gesloten (lees: de winkel). Denk daarbij aan een stapeltje algemene voorwaarden bij de kassa. Ook mag een winkelier op grond van de Dienstenrichtlijn zijn algemene voorwaarden op een elektronische manier aanbieden aan de klant, zoals een website, mits deze voorwaarden gemakkelijk toegankelijk zijn. Met de huidige technologische ontwikkelingen zou het zelfs mogelijk moeten zijn dat een klant automatisch de algemene voorwaarden ontvangt op zijn mobiele telefoon op het moment dat hij de winkel betreedt.

Hoe om te gaan met hun algemene voorwaarden is één van de zaken waar winkeliers goed naar moeten kijken nu blijkt dat de Dienstenrichtlijn van toepassing is op detailhandel. Winkeliers doen er om die reden goed aan om voornoemde inzichten te verwerken in hun business teneinde discussies over (de toepasselijkheid van) hun algemene voorwaarden met de klant zoveel mogelijk te verkleinen.

Wilt u meer informatie over dit onderwerp? Neem dan contact op met een van onze adviseurs. Zij denken graag met u mee!

Richella Soetens

Jan-Willem Kolenbrander

Teun Pouw

In een interview met Wouter Kurpershoek voor Magna Charta magazine, vertelt Ernst van Win over Governance. Governance ofwel goed bestuur is essentieel voor de continuïteit van een organisatie. Dat geldt voor het bestuur en toezicht van de onderneming, en dat hoort thuis op de agenda van de medezeggenschap. Dat geldt echter evenzeer voor het (goed) bestuur en de organisatie van de OR zelf. Het belang daarvan en hoe je dat bereikt is onderwerp van dit interview.

Ernst van Win is actief op het breukvlak van arbeid en onderneming en in de medezeggenschap. Het vinden van de beste oplossing voor zijn cliënten staat voor hem met stip bovenaan. Dat doet hij dan ook met de nodige bevlogenheid en vasthoudendheid. Daarnaast beschikt Ernst over het vermogen tot relativeren, wat hem regelmatig goed van pas komt in zijn werk als zakelijk mediator.

Wanneer een werkgever onvoldoende doet aan de re-integratie van haar arbeidsongeschikte werknemer, riskeert zij een loonsanctie vanuit het UWV. Maar wat nu wanneer deze loonsanctie wordt opgelegd omdat de door de werkgever ingeschakelde Arbodienst steken heeft laten vallen bij de re-integratie? Kan de werkgever de hieruit voortvloeiende kosten met succes verhalen op de Arbodienst?

Ja, zo oordeelde de rechtbank Midden-Nederland recent.

Een werknemer is in maart 2014 arbeidsongeschikt geraakt. Haar arbeidsongeschiktheid duurt voort en de bedrijfsartsen van de Arbodienst stellen geen duidelijke diagnose (werkgerelateerde overbelastingsklachten). De werknemer re-integreert verschillende keren, maar valt telkens opnieuw uit en komt niet verder dan het werken van een aantal uren per week op arbeidstherapeutische basis. Toch ziet de Arbodienst geen aanleiding de werknemer door te verwijzen voor het stellen van een duidelijke diagnose en behandeling.

Verder dragen 3 verschillende bedrijfsartsen van de Arbodienst zorg voor de re-integratie. Ondanks dat de werknemer telkens opnieuw uitvalt en niet verder komt dan het werken van een aantal uren per week op arbeidstherapeutische basis, besluit een van deze bedrijfsartsen in september 2015 een werkhervattingsplan op te stellen waarbij de werknemer geacht wordt haar volledige arbeidsuren binnen 12 weken te hervatten. Als gevolg hiervan valt de werknemer opnieuw en volledig uit.

Het UWV legt een loonsanctie op, omdat de werknemer onvoldoende medisch begeleid is, er te laat een diagnose is gesteld en een onjuist werkhervattingsplan is opgesteld wat tot uitval heeft geleid. Omdat dit allemaal tekortkomingen betreffen die aan de Arbodienst te wijten zijn, stelt de werkgever de Arbodienst aansprakelijk voor de kosten die voortvloeien uit de loonsanctie (loon, verzuimbegeleiding, gedeelte transitievergoeding, pensioen, werkgeverspremies en collectieve verzekeringen, kosten schadebeperking).

De rechtbank is van oordeel dat de bedrijfsartsen de werknemer in een veel eerder stadium hadden moeten doorverwijzen voor een duidelijke diagnose en behandeling. Dit had op de weg gelegen van de bedrijfsartsen, nu in de eerste twee ziektejaren nauwelijks werkhervatting heeft plaatsgevonden. Door dit na te laten hebben de bedrijfsartsen niet gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht en is de Arbodienst toerekenbaar tekort geschoten jegens de werkgever.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de bedrijfsarts met het opstellen van het werkhervattingsplan in september 2015 niet de zorgvuldigheid in acht heeft genomen die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot verwacht mag worden. Zij verwijst hiervoor naar de beperkte werkhervatting van de werknemer en een eerdere langdurige uitval, waarbij een werkhervatting van 2x 2 uur al te veel was voor werknemer. De bedrijfsarts had de werknemer moeten doorverwijzen voor nadere diagnostiek. Daarnaast had het de bedrijfsarts, gelet op het ziekteverloop van de werknemer, duidelijk moeten zijn dat de werknemer niet veel druk aankon en gemakkelijk opnieuw uitviel.

Nu uit het arbeidsdeskundig rapport van het UWV verder volgt dat de tekortkomingen van de Arbodienst hebben geleid tot het opleggen van de loonsanctie, kan de werkgever de schade die voortvloeit uit de loonsanctie met succes op de Arbodienst verhalen.

Renée Huijsmans, advocaat team Arbeid, Medezeggenschap & Pensioen