Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu

Vanwege de hoge inflatie, oplopende energiekosten en gebrek aan personeel overwegen veel ondernemers hun bedrijf stop te zetten. In sommige gevallen is een ondernemer aangewezen op faillissement, maar er bestaan andere wijzen van beëindiging. Een van deze mogelijkheden is de zogenaamde ‘turboliquidatie’, waarbij een onderneming zonder baten op eenvoudige, snelle en goedkope wijze beëindigd kan worden. Deze wijze van beëindiging brengt ook risico’s met zich mee zoals blijkt uit een recent vonnis van de rechtbank Rotterdam.

In een eerder blog is ingegaan op de voorwaarden voor een turboliquidatie. De turboliquidatie is een ‘snelle’ ontbinding van een rechtspersoon. De rechtspersoon heeft geen baten (meer) en vereffening is daardoor niet nodig. Een enkele opgave bij de Kamer van Koophandel van het feit dat de rechtspersoon is opgehouden te bestaan en uitschrijving uit het handelsregister is voldoende. Het is niet vereist dat de rechtspersoon geen schulden heeft. Het komt dan ook voor dat een of meer schuldeisers onbetaald blijven bij een turboliquidatie. Hierdoor kan een turboliquidatie ook misbruikt worden door een bestuurder die schuldeisers (bewust) onbetaald wil laten. Daarom is recent een wetsvoorstel ingediend om de transparantie en rechtsbescherming van schuldeisers te versterken. Mijn collega heeft hier eerder een blog over geschreven.

Bij een turboliquidatie is het dus toegestaan om schuldeisers onbetaald te laten. Een schuldeiser zal daar over het algemeen niet blij mee zijn. In een recente zaak van de rechtbank Rotterdam besloot de schuldeiser het er niet bij te laten zitten en actie te ondernemen. De bestuurder (ook enig aandeelhouder) van de ontbonden bedrijven werd persoonlijk aansprakelijk gesteld voor de onbetaalde facturen. In beginsel is een bestuurder niet persoonlijk aansprakelijk bij turboliquidatie. Dat is anders wanneer hem daarbij een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Daar was in deze zaak volgens de rechter sprake van.

Allereerst bleek dat de bestuurder een printer – die eigendom was van de schuldeiser – niet had teruggeven, terwijl de schuldeiser dat wel had geëist. De printer moest alsnog teruggeven worden en ook was de bestuurder schadevergoeding verschuldigd voor de periode dat deze ten onrechte niet was teruggeven. Daarnaast was gebleken dat voorafgaand aan de turboliquidatie – toen al bekend was dat niet alle schuldeisers betaald konden worden – de vorderingen van groepsmaatschappijen volledig zijn betaald en die van de (externe) schuldeiser niet. De bestuurder was daarom verplicht schadevergoeding te betalen aan de schuldeiser aangezien deze benadeeld was door de turboliquidatie.

Het beëindigen van een onderneming vereist de nodige zorgvuldigheid. Wanneer er nog baten aanwezig zijn of voorafgaand aan de ontbinding betalingen aan de bestuurder of aanverwante bedrijven hebben plaatsgevonden, kan dat reden zijn voor een onbetaalde schuldeiser om (juridische) actie te ondernemen tegen de bestuurder en zo alsnog betaling af te dwingen.

Heeft u vragen over het stoppen van uw onderneming, of bent u schuldeiser van een ontbonden rechtspersoon? Neem contact op met Sonja Geldermans, advocaat Ondernemingsrecht.

Op 21 april 2021 werd de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD) voorgesteld door de Europese Commissie. Indien de richtlijn wordt aangenomen, worden organisaties verplicht te rapporteren over de milieu impact en de sociale impact van hun bedrijfsactiviteiten. Het doel van de richtlijn is om investeerders meer inzicht te geven over de duurzame investeringen van bedrijven, om zo duurzame en inclusieve groei te bewerkstelligen.

Wat is de Corporate Sustainability Reporting Directive?

De CSRD is het vervolg op de al bestaande Non Financial Reporting Directive (NFRD). Deze richtlijn verplicht beursgenoteerde bedrijven, banken en verzekeraars om een ‘niet-financiële verklaring’ op te nemen in hun bestuursverslag. Daarmee dienen de bedrijven transparantie te bieden over duurzaamheidsrisico’s die zij lopen, de impact die zij hebben op mens en milieu, hun diversiteits- en personeelsbeleid en hun omgang met mensenrechten en corruptie.

Met de intreding van de CSRD zullen de eisen op het gebied van niet-financiële transparantie niet alleen gelden voor grote beursgenoteerde bedrijven, maar ook voor veel mkb’ers. De regelgeving, gekoppeld aan de EU Green Deal, moet zorgen voor meer relevante en vergelijkbare informatie over duurzaamheidsbeleid en -resultaten. Daarmee komt meer zicht op de voortgang van Europa en Europese bedrijven ten opzichte van de doelen uit het Parijse Klimaatakkoord. Hiervoor is integratie van financiële en niet-financiële gegevens binnen verslaglegging van bedrijven van belang, om te zorgen dat bedrijven beter kunnen sturen op bredere waarden.

Wat betekent de CSRD voor bedrijven?

De nieuwe, strengere richtlijn voorziet in een eenduidige verslaggevingsstandaard in Europa. Die moet duidelijkheid verschaffen over de manier waarop niet-financiële informatie moet worden gerapporteerd. Daarmee worden de rapportage-eisen uitgebreid en wordt de goedkeuring door derden, zoals de accountant, voor niet-financiële verklaringen verplicht gesteld. Volgens de CSRD moet een bedrijf processen opzetten om informatie voor rapportagedoeleinden op de juiste wijze te verzamelen. De voorgestelde richtlijn moet ertoe leiden dat de verslaglegging van ondernemingen in het kader van de CSRD-richtlijn vollediger en doeltreffender wordt.

Op welke bedrijven is de CSRD van toepassing?

De CSRD is van toepassing op alle grote bedrijven die onder de EU-wetgeving vallen of beursgenoteerd zijn in de EU. Daarnaast is de CSRD ook van toepassing op wereldwijde bedrijven die activiteiten en/of effecten hebben in Europa.

Grote bedrijven zijn bedrijven die op de balansdatum de grensbedragen voor ten minste twee van de onderstaande drie criteria overschrijden:

  1. € 20 miljoen balanstotaal;
  2. € 40 miljoen netto omzet
  3. 250 of meer medewerkers.

Voor grote ondernemingen gaan de verplichtingen vanaf 2025 gelden. Voor de beursgenoteerde mkb-bedrijven is dit een jaar later.

Heeft u een bedrijf met meer dan 250 medewerkers of heeft u een beursgenoteerd mkb-bedrijf, dan is het verstandig om met de CSRD rekening te houden. Heeft u vragen over de CSRD? Neem contact op met Tim de Vries, advocaat Ondernemingsrecht.

De Belastingdienst heeft op grond van het bodemrecht de mogelijkheid om beslag te leggen op alle bodemzaken van de belastingplichtige. Hoewel de Belastingdienst daarmee een sterke positie heeft, zijn er manieren om beslaglegging te voorkomen.

Wat is bodembeslag?

Indien een belastingplichtige zijn zakelijke belastingschulden (bijvoorbeeld loonbelasting of omzetbelasting) niet betaalt, kan de Belastingdienst deze belastingschuld verhalen door beslag te leggen op de bodemzaken van deze belastingplichtige. Bodemzaken zijn alle roerende zaken die bestemd zijn om deze bodem duurzaam te dienen. Voorbeelden hiervan zijn machines of de bedrijfsinventaris. De voorraad of andere zaken die de bodem niet duurzaam dienen, zijn geen bodemzaken.

Indien de machine van een derde zich bevindt op de bodem van de belastingplichtige, is het mogelijk dat de Belastingdienst hier beslag op legt indien deze belastingplichtige zijn zakelijke belastingschulden niet voldoet. De Belastingdienst kan dit beslag zowel voorafgaand aan het faillissement, als na het faillissement leggen. Het eigendom van derden valt namelijk niet onder het faillissementsbeslag.

Voorkomen van bodembeslag

Voor het voorkomen van bodembeslag is het van belang dat de derde beschikt over het reële eigendom van de bodemzaak. Dit houdt in dat de betreffende bodemzaak juridisch eigendom is van de derde en dat deze zaak in economisch opzicht in overwegende mate aan de derde toebehoort. In de meeste gevallen van huur, bruikleen en operational lease is hier sprake van. De overeenkomst moet dan wel aan een aantal voorwaarden voldoen. In het geval van huurkoop, eigendomsvoorbehoud en financial lease is geen sprake van reëel eigendom. Als u beschikt over reëel eigendom, zal de Belastingdienst u niet in de weg staan en uw eigendomsrecht respecteren.

Indien de derde geen eigenaar meer is van de bodemzaak, maar bijvoorbeeld pandhouder of financial lessor, dan kan de betreffende derde de bodemzaak niet zonder meer van de bodem verwijderen. Sinds 2013 bestaat namelijk de verplichting om – als u geen reëel eigenaar bent – bij de Belastingdienst melding te maken van uw voornemen om de bodemzaak te verwijderen. De Belastingdienst heeft dan vier weken de tijd om te besluiten of er wel of geen beslag wordt gelegd. Wordt er geen beslag gelegd, of laat de Belastingdienst niets van zich horen, dan heeft u vier weken de tijd om uw rechten uit te oefenen en de bodemzaak van de bodem te verwijderen.

Wat als het beslag reeds gelegd is?

Indien toch beslag is gelegd op de bodemzaak, kan de derde binnen zeven dagen in beroep bij de Belastingdienst. Ook in dat geval zal de Belastingdienst het eigendomsrecht respecteren indien sprake is van reëel eigendom.

Vragen?

Heeft u vragen naar aanleiding van dit onderwerp? Neem dan contact op met Eveline Bakker

In 2020 zijn aan het begin van de coronacrisis een groot aantal tijdelijke spoedwetten ingevoerd in verband met de coronamaatregelen. Eén daarvan was de Tijdelijke Wet COVID-19 Justitie en Veiligheid (“Tijdelijke wet”) die specifieke regels voor verenigingen, BV’s en NV’s bevat. Tweeënhalf jaar later zijn veel van deze ’tijdelijke’ wetten nog altijd van kracht.

Hoewel de Tijdelijke wet in eerste instantie op 1 september 2020 zou vervallen, is deze meerdere malen verlengd. De meest recente verlenging was het 13e (!) verlengingsbesluit. Daarmee is de nieuwe vervaldatum van de wet 1 oktober 2022 geworden.

In eerdere blogs is de inhoud van de Tijdelijke wet al behandeld, zoals de mogelijkheid om digitale aandeelhoudersvergaderingen te houden (blog) en de mogelijkheid van het bestuur om de termijn voor het opstellen van de jaarrekening te verlengen (blog). Bij veel vennootschappen zijn digitale aandeelhoudersvergaderingen inmiddels gewoon geworden. Het is belangrijk te benadrukken dat digitale aandeelhoudersvergadering alleen zijn toegestaan op grond van deze Tijdelijke wet of wanneer de statuten van de vennootschap deze mogelijkheid bieden. Wanneer de Tijdelijke wet niet meer wordt verlengd, zullen vennootschappen zonder een statutaire regeling dus weer fysieke aandeelhoudersvergaderingen moeten houden.

Deze maatregelen blijven in ieder geval tot en met 1 oktober 2022 van kracht. Mogelijk blijven ze ook na 1 oktober 2022 van kracht, maar daar zal wel een (14e) verlengingsbesluit voor nodig zijn.

Heeft u vragen? Neem dan contact op met Sonja Geldermans, advocaat Ondernemingsrecht.

In 2019 schreef ik een blog over een wetsontwerp voor het stellen van voorwaarden aan turboliquidatie (klik). Op 7 juli 2022 is het voorstel voor de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie ingediend. Het wetsvoorstel beoogt het vertrouwen in turboliquidaties te verbeteren door de transparantie te vergroten, de rechtsbescherming van schuldeisers te verbeteren en misbruik ervan effectiever te bestrijden.

Wat is turboliquidatie?

Turboliquidatie is een ‘snelle’ ontbinding van rechtspersonen. Dat betekent een ontbinding zonder formele vereffeningsfase. Indien baten op het tijdstip van de ontbinding ontbreken, houdt de rechtspersoon op te bestaan. Dit geldt ook als hij schulden heeft. Een vereffeningstermijn na ontbinding ontbreekt, alsook de aanstelling van een vereffenaar, omdat er geen baten zijn en er niets meer valt te vereffenen. Het moment van ontbinding valt in dat geval direct samen met het moment waarop de rechtspersoon ophoudt te bestaan. De regeling

biedt in de praktijk ruimte aan bestuurders om alle baten die er binnen de rechtspersoon zijn te gelde te maken en met de opbrengst daarvan de schulden zoveel mogelijk af te lossen. Op deze wijze kunnen zij toewerken naar een situatie waarin de rechtspersoon betrekkelijk snel en eenvoudig kan worden beëindigd.

De wet stelt bij de toepassing van de turboliquidatie geen nadere eisen aan de verantwoording (aan schuldeisers) over het ontbreken van baten of de afwezigheid van schulden. Het bestuur doet enkel opgave bij de Kamer van Koophandel (KvK) van het feit dat de rechtspersoon is opgehouden te bestaan en verzoekt om uitschrijving uit het handelsregister. De turboliquidatie wordt daarom beschouwd als een snelle, eenvoudige en goedkope wijze om een rechtspersoon op te heffen.

Het wetsvoorstel – wat gaat er veranderen en waarom?

De wetgever verwacht dat een aanzienlijk aantal ondernemers gebruik zal maken van turboliquidatie, mede als consequentie van de economische gevolgen van de coronacrisis. Door de COVID-19 uitbraak zijn veel ondernemers lange tijd – in meer of mindere mate – belemmerd in hun bedrijfsvoering. Ondanks de financiële steun- en herstelpakketten zijn veel ondernemers ingeteerd op hun reserves en/of hebben betalingsachterstanden opgelopen. Daarom wordt voorzien dat een toenemend aantal ondernemers zal willen stoppen en dat ook het aantal onregelmatigheden zal toenemen. Het nieuwe artikel 2:19b BW zal worden ingevoerd.

Indien turboliquidatie wordt toegepast, moet het bestuur binnen 14 dagen na ontbinding de volgende stukken deponeren bij het handelsregister:

  1. een balans en een staat van baten en lasten met betrekking tot het boekjaar waarin de rechtspersoon is ontbonden en het voorgaande boekjaar als er op het moment van ontbinding over dat jaar nog geen jaarrekening openbaar is gemaakt;
  2. een beschrijving van:

3. de jaarrekeningen over voorgaande boekjaren die nog niet zijn gepubliceerd.

Nadat het bestuur deze deponeringen heeft gedaan, stelt het eventuele schuldeisers hiervan direct schriftelijk op de hoogte. Het gaat erom dat de schuldeisers spoedig kennis kunnen nemen van de beëindiging en de mogelijkheid om financiële gegevens van de rechtspersoon te raadplegen. De verantwoordingsverplichting van het bestuur beoogt schuldeisers door middel van informatie in een betere positie te brengen. Schuldeisers zijn daardoor beter in staat om procedures tot herstel te verkennen. Denk aan de heropening van de vereffening, het indienen van een faillissementsverzoek of het aanspreken van het bestuur op grond van bestuurdersaansprakelijkheid. Met de informatie kunnen schuldeisers in een eventuele procedure aan de bewijslast voldoen. Als het bestuur deze verantwoordingsverplichting niet is nagekomen, krijgen schuldeisers een inzagerecht in de bewaarde administratie van de rechtspersoon, dat met machtiging van de kantonrechter kan worden uitgeoefend.

Bestuursverbod

Op dit moment bepaalt artikel 106a Faillissementswet dat op verzoek van de curator of het openbaar ministerie in een aantal gevallen aan een bestuurder van een failliete vennootschap een bestuursverbod kan worden opgelegd. In aanvulling daarop geeft het wetsvoorstel Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie een aantal nieuwe omstandigheden waaronder het openbaar ministerie aan de rechtbank kan verzoeken om een bestuursverbod op te leggen. In het geval waarbij schulden achterblijven kan een bestuursverbod van maximaal vijf jaar worden opgelegd, als de bestuurder:

  1. niet aan de voorgestelde deponeringsverplichting heeft voldaan;
  2. in aanloop naar de ontbinding doelbewust één of meer schuldeisers aanmerkelijk heeft benadeeld, of
  3. herhaaldelijk betrokken is geweest bij een ontbinding zonder baten met achterlating van schulden of bij een faillissement en hem daarvan een persoonlijk verwijt treft.

Op 14 september 2022 wordt het wetsvoorstel in de Tweede Kamer behandeld. De voorgestelde regeling wordt in eerste instantie twee jaar van kracht, maar kan in een structurele regeling worden omgezet. Het is nog niet bekend wanneer de regeling in werking treedt.

Heeft u vragen over het stoppen van uw onderneming, of bent u schuldeiser van een ontbonden rechtspersoon? Neem contact op met Tim de Vries, advocaat Ondernemingsrecht.

Het bedrijf Allgo voerde een arbitrageprocedure tegen A en B, twee (klein)dochterbedrijven van het familiebedrijf X. Allgo heeft de procedure gewonnen en A en B zijn veroordeeld tot betaling van € 350.000. Inmiddels bleek alles van waarde uit A en B te zijn gehaald en werd de vordering van Allgo niet betaald. Allgo liet het er niet bij zitten en heeft de bestuurders van A en B, waaronder X, aansprakelijk gesteld. Het Gerechtshof Amsterdam moest hierover een oordeel geven.

Wat is er gebeurd?

Naast de oprichters van X, waren ook hun kinderen en kleinkinderen betrokken bij de bedrijfsvoering. De kinderen waren voor een groot deel verantwoordelijk voor de financiering van X als zogenaamde ‘familiecrediteuren’. Zij hadden hiervoor een hypotheekrecht gevestigd op een tweetal panden die eigendom waren van A en B. Gedurende de arbitrageprocedure besloten deze familiecrediteuren achterstallige rente op te eisen. X gaf aan de rente niet te kunnen betalen, waardoor de leningen onmiddellijk opeisbaar werden en de familiecrediteuren aangaven hun hypotheekrecht te zullen executeuren. De panden van A en B zijn vervolgens onderhands verkocht aan een aantal van de familiecrediteuren die deze vervolgens terug verhuurden aan A en B. Ook de inventarissen en handelsnamen van A en B zijn verkocht aan een andere onderneming (al dan niet toevallig gelieerd aan een aantal familieleden) en weer terug verhuurd.

De familiecrediteuren werden volledig terugbetaald, maar Allgo bleef onbetaald achter. Ze laat het er niet bij zitten en besluit de bestuurders van A en B aansprakelijk te stellen, omdat zij benadeeld zou zijn door de verkoop van de panden en de inventaris én doordat daarna de regresvorderingen die A en B op X hadden, zijn gecedeerd aan hun aandeelhouder (een dochterbedrijf van X).

Wat oordeelde het Hof?

  1. De verkoop van de panden en de inventaris

Volgens Allgo waren de panden voor een te lage prijs verkocht en is zij daardoor benadeeld. Het Hof kwam tot andere oordeel. Hoewel de gang van zaken met de familiecrediteuren en de onderhandse verkoop ‘opmerkelijk’ was, bleek uit taxaties dat de panden en inventaris voor hun marktwaarde zijn verkocht. Gelet daarop had Allgo onvoldoende toegelicht waarom de prijzen niet marktconform zouden zijn. Van benadeling was dus geen sprake.

  1. Kapitaalvermindering en cessie regresvorderingen

Allgo had echter niet alleen bezwaar tegen de verkoop van de panden. Met de opbrengst werden namelijk de familiecrediteuren van X voldaan. A en B kregen daardoor regresvorderingen op X. De aandeelhouder van A en B heeft vervolgens besloten tot kapitaalvermindering door het aandelenkapitaal van € 2,2 miljoen naar € 1,- terug te brengen. De aandeelhouder werd terugbetaald doordat A en B de regresvorderingen die zij op X hadden aan haar cedeerde. De bestuurders van A en B hebben daaraan meegewerkt.

De rechter kwam tot het oordeel dat op dit punt wel sprake is van verhaalsfrustratie. X kon niet aantonen dat de regresvorderingen geen waarde hadden en er geen zicht bestond op verhaal bij X. De regresvorderingen waren gewoon opgenomen in de boeken van A en B. Het was ook niet uitgesloten dat X verhaal zou bieden. Door de cessies is het laatste actief weggehaald uit A en B. De bestuurders hebben daaraan meegewerkt terwijl ze vanwege de lopenede arbitrageprocedure hadden moeten voorzien dat ze geen verhaal aan Allgo zouden kunnen bieden voor een (waarschijnlijke) veroordeling. Aangezien de regresvorderingen het bedrag van € 350.000,- ver te boven gingen, heeft de rechter het volledige bedrag als schadevergoeding toegewezen. De bestuurders moeten dus de volledige vordering van Allgo voldoen.

Heeft u vragen over bestuurdersaansprakelijkheid? Neem contact op met Sonja Geldermans, advocaat ondernemingsrecht

Turboliquidatie is een vorm van ‘snelle’ ontbinding van rechtspersonen. Dat is een ontbinding zonder formele vereffeningsfase. Indien baten op het tijdstip van de ontbinding ontbreken en er niets te vereffenen valt, houdt de rechtspersoon op te bestaan (artikel 2:19 lid 4 BW). Eerder schreef ik een blog over een wetsontwerp dat inhoudt dat turboliquidatie aan een aantal voorwaarden moet voldoen (klik). Doel van een mogelijke nieuwe wet is dat schuldeisers beter worden beschermd als zij na een turboliquidatie onbetaald achterblijven.

Bij een ‘gewone’ ontbinding wordt een vereffenaar benoemd die de baten van de rechtspersoon te gelde maakt en de schulden voldoet. Pas als de vereffening eindigt, eindigt ook het bestaan van de rechtspersoon. Als achteraf blijkt dat er toch nog een bate was die niet in de vereffening was meegenomen, kan de vereffening door de rechtbank worden heropend om de bate alsnog te gelde te maken. De vennootschap ‘herleeft’ dan tijdelijk.

Een vereiste voor het toepassen van turboliquidatie is dus dat de rechtspersoon geen baten heeft en er niets te vereffenen valt. Maar wat als een rechtspersoon via een turboliquidatie wordt ontbonden en achteraf toch van het bestaan van een bate blijkt? Kan dan de heropening van de vereffening worden verzocht, net als bij een ‘gewone’ ontbinding van een rechtspersoon?

Deze vraag lag voor in een zaak die door de Rechtbank Noord-Holland werd behandeld (ECLI:NL:RBNHO:2022:2064). Na ontbinding van een besloten vennootschap door middel van turboliquidatie bleek dat de vennootschap een lening had verstrekt die nog niet was terugbetaald. De lening moet worden aangemerkt als een bate, maar de ontbonden vennootschap kon die niet meer opeisen omdat (ten onrechte) turboliquidatie was toegepast. De weduwe van de voormalig bestuurder en aandeelhouder verzocht de rechtbank om de ontbinding te heropenen (artikel 2:23c BW), zodat de lening alsnog kon worden geïncasseerd.

De rechtbank wijst het verzoek af. Omdat de vennootschap ten tijde van de turboliquidatie nog over een bate beschikte en verzoekster daarvan op de hoogte was, is de vennootschap nooit opgehouden te blijven bestaan. De wet bepaalt immers dat een rechtspersoon na ontbinding blijft voortbestaan voor zover dit voor de vereffening van zijn vermogen nodig is. Dat betekent voor deze zaak dat de vereffening niet kan (en dus ook niet hoeft) te worden heropend. De vennootschap kan de lening opeisen.

Tip voor ondernemers: wees zorgvuldig bij het nemen van een besluit tot turboliquidatie en vraag bij twijfel advies. Het ‘vergeten’ van een bate kan ervoor zorgen dat de vennootschap onbedoeld is blijven voortbestaan. Het onbetaald laten van schuldeisers kan (bestuurdersaansprakelijkheids-)risico’s met zich brengen.

Heeft u vragen? Neem contact op met Tim de Vries, advocaat Ondernemingsrecht.

De NOS kopte begin april dat honderdduizenden ondernemers in de problemen verkeren en dat de KVK een toename van het aantal faillissementen verwacht. Bovendien stijgen de prijzen en ontvangen coronasteun zal in sommige gevallen moeten worden terugbetaald. Kortom: een lastige periode breekt aan. Maar wat als de onderneming het onverhoopt toch failliet gaat? Wat betekent dit dan voor de bestuurder?

De wet geeft aan dat in geval van faillissement iedere bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk is voor het bedrag van de schulden voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest.

Maar wanneer heeft een bestuurder zijn taak kennelijk onbehoorlijk vervuld en wanneer is dan aannemelijk dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest? Ook hiervoor geeft de wet ons handvatten. Daaruit volgt dat indien het bestuur niet heeft voldaan aan (i) de boekhoudverplichting en (ii) de verplichting tot tijdige publicatie van de jaarrekening, wordt aangenomen dat het zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. Daarbij wordt dan vermoed dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. De bestuurder kan aanvoeren dat andere feiten en omstandigheden een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. Dat kan in sommige gevallen bijvoorbeeld de coronacrisis zijn. De boekhoudverplichting en de verplichting tot tijdige publicatie van de jaarrekening zijn dus belangrijk voor ondernemers die in zwaar weer verkeren. Voor de boekhoudverplichting wordt aangenomen dat daaraan voldaan is indien de boekhouding van zodanig niveau is dat men snel inzicht kan verkrijgen in de debiteuren- en crediteurenpositie op enig moment en dat deze posities een redelijk inzicht geven in de vermogenspositie.

Er bestaan nog wel uitzonderingen. Zo is de bestuurder die bewijst dat de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur niet aan hem te wijten is en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden niet aansprakelijk. De bestuurder dient dan alles te doen dat in zijn vermogen ligt om het onbehoorlijk bestuur af te wenden of zoveel mogelijk te beperken. In sommige gevallen kan dat ertoe leiden dat een bestuurder – indien hij het onbehoorlijk bestuur niet kan voorkomen – ontslag neemt.

Heeft u vragen over uw onderneming en/of uw positie als bestuurder? Neem dan contact op met Eveline Bakker

In een eerder blog is geschreven over welke informatie de bestuurder met aandeelhouders moet delen en dat dit per situatie bepaald moet worden. Een recente uitspraak van de rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2022:3129) verschaft meer duidelijkheid over de situatie waarin één van de aandeelhouders ook bestuurder is.

Casus

De zaak draaide om een bedrijf dat muziekfestivals organiseert. Het bedrijf had drie aandeelhouders – A, B en C – die ieder een derde van de aandelen hielden. A was naast aandeelhouder ook de enige bestuurder van het bedrijf. Op een bepaald moment is er onenigheid ontstaan tussen de aandeelhouders. B wenste daarom zijn aandelen te verkopen. De statuten van het bedrijf bevatten een blokkeringsregeling op grond waarvan B zijn aandelen eerst aan zijn medeaandeelhouders moet aanbieden. Zowel A als C wilden zijn aandelen overnemen. B heeft met A een koopovereenkomst gesloten waarin een koopprijs van € 1,2 miljoen is afgesproken. C weigerde echter af te zien van zijn statutaire recht om ook (de helft van) de aandelen van B over te nemen. Gedurende de onderhandelingen beklaagde C zich erover dat A als bestuurder een informatievoorsprong zou hebben op hem (en B). C heeft daarom een groot aantal financiële stukken opgevraagd van het bedrijf. A heeft niet alle informatie verstrekt. C weigerde daarom een verklaring af te leggen dat hij de aandelen niet wilde kopen.

Uitspraak rechtbank

A, B en het bedrijf hebben zich tot de rechtbank gewend om deze impasse te doorbreken. Ze vorderden, kort samengevat, dat C alsnog gedwongen werd een verklaring af te leggen dat hij niet langer de aandelen wenste te kopen. Volgens hen was C de koop ten onrechte aan het frustreren. De beschikbaarstelling van informatie is namelijk geen voorwaarde die in de statutaire blokkeringsregeling was opgenomen. C voerde aan dat hij externe financiering nodig heeft om de aandelen van B te kunnen kopen en dat hij daarvoor de financiële informatie nodig heeft. Anders dan A is hij geen bestuurder en heeft hij dus een informatieachterstand.

De rechtbank stelde vast dat op grond van de statuten C inderdaad geen recht had op de door hem gevraagde informatie. Wel volgde de rechtbank C in zijn standpunt dat hij een belang had bij de informatie. Dat is immers de enige manier waarop hij de financiering van de koop rond zou kunnen krijgen. Een andere vraag is of hij ook recht heeft op deze informatie. Hoewel niet op grond van de statuten, is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat hij deze informatierechten wel heeft op grond van de redelijkheid en billijkheid. Gelet op de omstandigheden dat beide aandeelhouders de aandelen wilden overnemen, waarbij één aandeelhouder in de hoedanigheid van bestuurder een informatievoorsprong heeft op de andere aandeelhouder, kan de aandeelhouder die geen bestuurder is nadere inlichtingen verlangen om financiering aan te trekken. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat vanaf het moment dat C de verzochte informatie had ontvangen, hij (conform de statuten) nog drie weken krijgt om de financiering rond te krijgen.

Het is dus van belang dat de bestuurder-aandeelhouder goed rekening houdt met de rechten van zijn medeaandeelhouders op informatieverschaffing, ook wanneer de statuten daar niet in voorzien. Zeker in de situatie dat een aandeelhouder, door zijn positie als bestuurder, een informatievoorsprong op zijn medeaandeelhouders heeft, is dat van belang. Overigens voelde de rechtbank zich in deze situatie wel zo vrij om zijn twijfels te uiten of het wenselijk zou zijn dat zowel A als C aandeelhouders zouden blijven. In de procedure was duidelijk geworden dat een goede samenwerking tussen beiden niet meer realistisch was. Wellicht was het uitkopen van C dan ook een betere optie geweest.

Heeft u vragen over de informatieverstrekking aan aandeelhouders? Neem dan contact op met Sonja Geldermans.

Eerder schreef ik een blog over het omzetten van schulden in aandelen en het belang van de zittende aandeelhouders (klik). In dit blog ga ik in op de situatie waarin een van de aandeelhouders van uw B.V. wil uittreden, of er juist wordt uitgebreid met een nieuwe aandeelhouder. Afspraken daarover kunnen vooraf worden vastgelegd in een aandeelhoudersovereenkomst. In beide gevallen is er een aantal aandachtspunten om rekening mee te houden.

Aandeelhoudersovereenkomst

In een aandeelhoudersovereenkomst leggen de aandeelhouders specifieke afspraken vast over hun samenwerking. Denk bijvoorbeeld aan non-concurrentie, afspraken over het nemen van belangrijke besluiten, dividendbeleid en een periodieke informatieplicht van het bestuur. Ook kan de aandeelhoudersovereenkomst voorzien in afspraken voor het geval in de toekomst een aandeelhouder uittreedt of toetreedt.

Uittreden van een aandeelhouder

Als een aandeelhouder uittreedt, betekent dat eigenlijk dat die aandeelhouder zijn aandelen verkoopt. In de statuten is vaak opgenomen dat de aandeelhouder eerst zijn aandelen aan de andere zittende aandeelhouders moet aanbieden, voordat hij zijn aandelen aan een externe partij mag overdragen. Gedachte hierachter is dat zittende aandeelhouders niet willen dat zij zomaar worden geconfronteerd met een nieuwe aandeelhouder die zij niet kennen.

In de statuten is vaak geregeld hoe de prijs van de aandelen wordt bepaald. In een aandeelhoudersovereenkomst kunnen aanvullende afspraken worden gemaakt. Daarin staat bijvoorbeeld dat de prijs die een aandeelhouder van de zittende aandeelhouders ontvangt afhankelijk is van de reden van zijn uittreden. Een aandeelhouder die zijn waarde voor de onderneming heeft bewezen en de afspraken is nagekomen (‘good leaver’) ontvangt een hogere prijs dan iemand die vertrekt vanwege bijvoorbeeld fraude, diefstal, ontslag als bestuurder of werknemer of het niet nakomen van de afspraken (‘bad leaver’). De bad leaver wordt ‘gestraft’ doordat hij slechts een beperkt gedeelte van de werkelijke waarde van zijn aandelen ontvangt.

Tip: maak in een aandeelhoudersovereenkomst afspraken over de bepaling van de prijs en een eventuele betalingsregeling. Voor de achterblijvende aandeelhouders is het vervelend als zij een bad leaver het volle pond voor de aandelen moeten betalen. Ook komt het voor dat zittende aandeelhouders de aandelen van een vertrekkende aandeelhouder wel willen kopen, maar dat niet in een keer kunnen betalen. Een vooraf afgesproken betalingsregeling kan uitsluitsel bieden.

Toetreden van een nieuwe aandeelhouder

Toetreding van een nieuwe aandeelhouder kan op twee manieren. De eerste is dat de vennootschap nieuwe aandelen uitgeeft. De nieuwe aandeelhouder koopt dan de aandelen van de vennootschap en betaalt daarvoor aan de vennootschap een koopsom. Reden voor uitgifte kan zijn dat de vennootschap hiermee eigen vermogen aantrekt en het geld kan gebruiken voor nieuwe investeringen of andere doeleinden.

De tweede optie is dat een of meer van de zittende aandeelhouders een gedeelte van hun aandelen leveren aan de nieuwe aandeelhouder. De koopsom die de nieuwe aandeelhouder dan moet betalen, is voor de verkopende aandeelhouders.

Tip: neem voor beide gevallen in de aandeelhoudersovereenkomst op dat een nieuwe aandeelhouder altijd pas aandelen mag verwerven (door uitgifte of door levering door de zittende aandeelhouders) als diegene eerst schriftelijk bevestigt zich aan de afspraken van de aandeelhoudersovereenkomst te zullen houden. Het is vervelend als een nieuwe aandeelhouder zich niet hoeft te houden aan bijvoorbeeld afspraken over de prijsbepaling bij zijn uittreden. Dat kan worden voorkomen door af te spreken dat die nieuwe aandeelhouder partij bij de aandeelhoudersovereenkomst moet worden, voordat hij aandelen mag krijgen. Ook staat vaak in een aandeelhoudersovereenkomst dat de aandeelhouders niet zullen investeren in of betrokken zullen zijn bij concurrerende ondernemingen. Daar moet ook een nieuwe aandeelhouder zich aan houden.

Conclusie

Als uw B.V. te maken krijgt met uittredende of toetredende aandeelhouders, kan discussie en onduidelijkheid ontstaan. Een goede aandeelhoudersovereenkomst bevat afspraken die deze discussie en onduidelijkheid voorkomen. Daarin staan namelijk de afspraken over de samenwerking tussen de aandeelhouders en wat er gebeurt als een zittende aandeelhouder uittreedt, of er juist een nieuwe aandeelhouder toetreedt.

Heeft u vragen over uw aandeelhoudersovereenkomst, of wilt u hulp bij het opstellen ervan? Neem contact op met Tim de Vries, advocaat ondernemingsrecht