Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu

Turboliquidatie is een vorm van ‘snelle’ ontbinding van rechtspersonen. Dat is een ontbinding zonder formele vereffeningsfase. Indien baten op het tijdstip van de ontbinding ontbreken en er niets te vereffenen valt, houdt de rechtspersoon op te bestaan (artikel 2:19 lid 4 BW). Eerder schreef ik een blog over een wetsontwerp dat inhoudt dat turboliquidatie aan een aantal voorwaarden moet voldoen (klik). Doel van een mogelijke nieuwe wet is dat schuldeisers beter worden beschermd als zij na een turboliquidatie onbetaald achterblijven.

Bij een ‘gewone’ ontbinding wordt een vereffenaar benoemd die de baten van de rechtspersoon te gelde maakt en de schulden voldoet. Pas als de vereffening eindigt, eindigt ook het bestaan van de rechtspersoon. Als achteraf blijkt dat er toch nog een bate was die niet in de vereffening was meegenomen, kan de vereffening door de rechtbank worden heropend om de bate alsnog te gelde te maken. De vennootschap ‘herleeft’ dan tijdelijk.

Een vereiste voor het toepassen van turboliquidatie is dus dat de rechtspersoon geen baten heeft en er niets te vereffenen valt. Maar wat als een rechtspersoon via een turboliquidatie wordt ontbonden en achteraf toch van het bestaan van een bate blijkt? Kan dan de heropening van de vereffening worden verzocht, net als bij een ‘gewone’ ontbinding van een rechtspersoon?

Deze vraag lag voor in een zaak die door de Rechtbank Noord-Holland werd behandeld (ECLI:NL:RBNHO:2022:2064). Na ontbinding van een besloten vennootschap door middel van turboliquidatie bleek dat de vennootschap een lening had verstrekt die nog niet was terugbetaald. De lening moet worden aangemerkt als een bate, maar de ontbonden vennootschap kon die niet meer opeisen omdat (ten onrechte) turboliquidatie was toegepast. De weduwe van de voormalig bestuurder en aandeelhouder verzocht de rechtbank om de ontbinding te heropenen (artikel 2:23c BW), zodat de lening alsnog kon worden geïncasseerd.

De rechtbank wijst het verzoek af. Omdat de vennootschap ten tijde van de turboliquidatie nog over een bate beschikte en verzoekster daarvan op de hoogte was, is de vennootschap nooit opgehouden te blijven bestaan. De wet bepaalt immers dat een rechtspersoon na ontbinding blijft voortbestaan voor zover dit voor de vereffening van zijn vermogen nodig is. Dat betekent voor deze zaak dat de vereffening niet kan (en dus ook niet hoeft) te worden heropend. De vennootschap kan de lening opeisen.

Tip voor ondernemers: wees zorgvuldig bij het nemen van een besluit tot turboliquidatie en vraag bij twijfel advies. Het ‘vergeten’ van een bate kan ervoor zorgen dat de vennootschap onbedoeld is blijven voortbestaan. Het onbetaald laten van schuldeisers kan (bestuurdersaansprakelijkheids-)risico’s met zich brengen.

Heeft u vragen? Neem contact op met Tim de Vries, advocaat Ondernemingsrecht.

De NOS kopte begin april dat honderdduizenden ondernemers in de problemen verkeren en dat de KVK een toename van het aantal faillissementen verwacht. Bovendien stijgen de prijzen en ontvangen coronasteun zal in sommige gevallen moeten worden terugbetaald. Kortom: een lastige periode breekt aan. Maar wat als de onderneming het onverhoopt toch failliet gaat? Wat betekent dit dan voor de bestuurder?

De wet geeft aan dat in geval van faillissement iedere bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk is voor het bedrag van de schulden voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest.

Maar wanneer heeft een bestuurder zijn taak kennelijk onbehoorlijk vervuld en wanneer is dan aannemelijk dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest? Ook hiervoor geeft de wet ons handvatten. Daaruit volgt dat indien het bestuur niet heeft voldaan aan (i) de boekhoudverplichting en (ii) de verplichting tot tijdige publicatie van de jaarrekening, wordt aangenomen dat het zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. Daarbij wordt dan vermoed dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. De bestuurder kan aanvoeren dat andere feiten en omstandigheden een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. Dat kan in sommige gevallen bijvoorbeeld de coronacrisis zijn. De boekhoudverplichting en de verplichting tot tijdige publicatie van de jaarrekening zijn dus belangrijk voor ondernemers die in zwaar weer verkeren. Voor de boekhoudverplichting wordt aangenomen dat daaraan voldaan is indien de boekhouding van zodanig niveau is dat men snel inzicht kan verkrijgen in de debiteuren- en crediteurenpositie op enig moment en dat deze posities een redelijk inzicht geven in de vermogenspositie.

Er bestaan nog wel uitzonderingen. Zo is de bestuurder die bewijst dat de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur niet aan hem te wijten is en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden niet aansprakelijk. De bestuurder dient dan alles te doen dat in zijn vermogen ligt om het onbehoorlijk bestuur af te wenden of zoveel mogelijk te beperken. In sommige gevallen kan dat ertoe leiden dat een bestuurder – indien hij het onbehoorlijk bestuur niet kan voorkomen – ontslag neemt.

Heeft u vragen over uw onderneming en/of uw positie als bestuurder? Neem dan contact op met Eveline Bakker

In een eerder blog is geschreven over welke informatie de bestuurder met aandeelhouders moet delen en dat dit per situatie bepaald moet worden. Een recente uitspraak van de rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2022:3129) verschaft meer duidelijkheid over de situatie waarin één van de aandeelhouders ook bestuurder is.

Casus

De zaak draaide om een bedrijf dat muziekfestivals organiseert. Het bedrijf had drie aandeelhouders – A, B en C – die ieder een derde van de aandelen hielden. A was naast aandeelhouder ook de enige bestuurder van het bedrijf. Op een bepaald moment is er onenigheid ontstaan tussen de aandeelhouders. B wenste daarom zijn aandelen te verkopen. De statuten van het bedrijf bevatten een blokkeringsregeling op grond waarvan B zijn aandelen eerst aan zijn medeaandeelhouders moet aanbieden. Zowel A als C wilden zijn aandelen overnemen. B heeft met A een koopovereenkomst gesloten waarin een koopprijs van € 1,2 miljoen is afgesproken. C weigerde echter af te zien van zijn statutaire recht om ook (de helft van) de aandelen van B over te nemen. Gedurende de onderhandelingen beklaagde C zich erover dat A als bestuurder een informatievoorsprong zou hebben op hem (en B). C heeft daarom een groot aantal financiële stukken opgevraagd van het bedrijf. A heeft niet alle informatie verstrekt. C weigerde daarom een verklaring af te leggen dat hij de aandelen niet wilde kopen.

Uitspraak rechtbank

A, B en het bedrijf hebben zich tot de rechtbank gewend om deze impasse te doorbreken. Ze vorderden, kort samengevat, dat C alsnog gedwongen werd een verklaring af te leggen dat hij niet langer de aandelen wenste te kopen. Volgens hen was C de koop ten onrechte aan het frustreren. De beschikbaarstelling van informatie is namelijk geen voorwaarde die in de statutaire blokkeringsregeling was opgenomen. C voerde aan dat hij externe financiering nodig heeft om de aandelen van B te kunnen kopen en dat hij daarvoor de financiële informatie nodig heeft. Anders dan A is hij geen bestuurder en heeft hij dus een informatieachterstand.

De rechtbank stelde vast dat op grond van de statuten C inderdaad geen recht had op de door hem gevraagde informatie. Wel volgde de rechtbank C in zijn standpunt dat hij een belang had bij de informatie. Dat is immers de enige manier waarop hij de financiering van de koop rond zou kunnen krijgen. Een andere vraag is of hij ook recht heeft op deze informatie. Hoewel niet op grond van de statuten, is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat hij deze informatierechten wel heeft op grond van de redelijkheid en billijkheid. Gelet op de omstandigheden dat beide aandeelhouders de aandelen wilden overnemen, waarbij één aandeelhouder in de hoedanigheid van bestuurder een informatievoorsprong heeft op de andere aandeelhouder, kan de aandeelhouder die geen bestuurder is nadere inlichtingen verlangen om financiering aan te trekken. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat vanaf het moment dat C de verzochte informatie had ontvangen, hij (conform de statuten) nog drie weken krijgt om de financiering rond te krijgen.

Het is dus van belang dat de bestuurder-aandeelhouder goed rekening houdt met de rechten van zijn medeaandeelhouders op informatieverschaffing, ook wanneer de statuten daar niet in voorzien. Zeker in de situatie dat een aandeelhouder, door zijn positie als bestuurder, een informatievoorsprong op zijn medeaandeelhouders heeft, is dat van belang. Overigens voelde de rechtbank zich in deze situatie wel zo vrij om zijn twijfels te uiten of het wenselijk zou zijn dat zowel A als C aandeelhouders zouden blijven. In de procedure was duidelijk geworden dat een goede samenwerking tussen beiden niet meer realistisch was. Wellicht was het uitkopen van C dan ook een betere optie geweest.

Heeft u vragen over de informatieverstrekking aan aandeelhouders? Neem dan contact op met Sonja Geldermans.

Eerder schreef ik een blog over het omzetten van schulden in aandelen en het belang van de zittende aandeelhouders (klik). In dit blog ga ik in op de situatie waarin een van de aandeelhouders van uw B.V. wil uittreden, of er juist wordt uitgebreid met een nieuwe aandeelhouder. Afspraken daarover kunnen vooraf worden vastgelegd in een aandeelhoudersovereenkomst. In beide gevallen is er een aantal aandachtspunten om rekening mee te houden.

Aandeelhoudersovereenkomst

In een aandeelhoudersovereenkomst leggen de aandeelhouders specifieke afspraken vast over hun samenwerking. Denk bijvoorbeeld aan non-concurrentie, afspraken over het nemen van belangrijke besluiten, dividendbeleid en een periodieke informatieplicht van het bestuur. Ook kan de aandeelhoudersovereenkomst voorzien in afspraken voor het geval in de toekomst een aandeelhouder uittreedt of toetreedt.

Uittreden van een aandeelhouder

Als een aandeelhouder uittreedt, betekent dat eigenlijk dat die aandeelhouder zijn aandelen verkoopt. In de statuten is vaak opgenomen dat de aandeelhouder eerst zijn aandelen aan de andere zittende aandeelhouders moet aanbieden, voordat hij zijn aandelen aan een externe partij mag overdragen. Gedachte hierachter is dat zittende aandeelhouders niet willen dat zij zomaar worden geconfronteerd met een nieuwe aandeelhouder die zij niet kennen.

In de statuten is vaak geregeld hoe de prijs van de aandelen wordt bepaald. In een aandeelhoudersovereenkomst kunnen aanvullende afspraken worden gemaakt. Daarin staat bijvoorbeeld dat de prijs die een aandeelhouder van de zittende aandeelhouders ontvangt afhankelijk is van de reden van zijn uittreden. Een aandeelhouder die zijn waarde voor de onderneming heeft bewezen en de afspraken is nagekomen (‘good leaver’) ontvangt een hogere prijs dan iemand die vertrekt vanwege bijvoorbeeld fraude, diefstal, ontslag als bestuurder of werknemer of het niet nakomen van de afspraken (‘bad leaver’). De bad leaver wordt ‘gestraft’ doordat hij slechts een beperkt gedeelte van de werkelijke waarde van zijn aandelen ontvangt.

Tip: maak in een aandeelhoudersovereenkomst afspraken over de bepaling van de prijs en een eventuele betalingsregeling. Voor de achterblijvende aandeelhouders is het vervelend als zij een bad leaver het volle pond voor de aandelen moeten betalen. Ook komt het voor dat zittende aandeelhouders de aandelen van een vertrekkende aandeelhouder wel willen kopen, maar dat niet in een keer kunnen betalen. Een vooraf afgesproken betalingsregeling kan uitsluitsel bieden.

Toetreden van een nieuwe aandeelhouder

Toetreding van een nieuwe aandeelhouder kan op twee manieren. De eerste is dat de vennootschap nieuwe aandelen uitgeeft. De nieuwe aandeelhouder koopt dan de aandelen van de vennootschap en betaalt daarvoor aan de vennootschap een koopsom. Reden voor uitgifte kan zijn dat de vennootschap hiermee eigen vermogen aantrekt en het geld kan gebruiken voor nieuwe investeringen of andere doeleinden.

De tweede optie is dat een of meer van de zittende aandeelhouders een gedeelte van hun aandelen leveren aan de nieuwe aandeelhouder. De koopsom die de nieuwe aandeelhouder dan moet betalen, is voor de verkopende aandeelhouders.

Tip: neem voor beide gevallen in de aandeelhoudersovereenkomst op dat een nieuwe aandeelhouder altijd pas aandelen mag verwerven (door uitgifte of door levering door de zittende aandeelhouders) als diegene eerst schriftelijk bevestigt zich aan de afspraken van de aandeelhoudersovereenkomst te zullen houden. Het is vervelend als een nieuwe aandeelhouder zich niet hoeft te houden aan bijvoorbeeld afspraken over de prijsbepaling bij zijn uittreden. Dat kan worden voorkomen door af te spreken dat die nieuwe aandeelhouder partij bij de aandeelhoudersovereenkomst moet worden, voordat hij aandelen mag krijgen. Ook staat vaak in een aandeelhoudersovereenkomst dat de aandeelhouders niet zullen investeren in of betrokken zullen zijn bij concurrerende ondernemingen. Daar moet ook een nieuwe aandeelhouder zich aan houden.

Conclusie

Als uw B.V. te maken krijgt met uittredende of toetredende aandeelhouders, kan discussie en onduidelijkheid ontstaan. Een goede aandeelhoudersovereenkomst bevat afspraken die deze discussie en onduidelijkheid voorkomen. Daarin staan namelijk de afspraken over de samenwerking tussen de aandeelhouders en wat er gebeurt als een zittende aandeelhouder uittreedt, of er juist een nieuwe aandeelhouder toetreedt.

Heeft u vragen over uw aandeelhoudersovereenkomst, of wilt u hulp bij het opstellen ervan? Neem contact op met Tim de Vries, advocaat ondernemingsrecht

On the first of January 2021 the Financial Restructuring Act, known in Dutch as the Wet Homologatie Onderhands Akkoord (hereafter: WHOA), entered in to force. The goal of the WHOA is to prevent bankruptcies of successful yet almost insolvent business entities. Expectations were high, as experts considered the WHOA as a major development in the Dutch insolvency practice. After a year it is time to evaluate, what were the effects of the WHOA, which developments stood out, and did it fulfil the expectations?

The WHOA proceedings

The WHOA enables businesses that are in financial distress, but nevertheless can survive after a debt restructuring, to offer a reorganization scheme to its creditors and shareholders in order to avoid an impending bankruptcy. It is comparable to a Chapter 11 or Scheme of arrangement procedure. If a company is still (partly) viable and the restructuring plan is ratified, the Court can declare the reorganization scheme binding to all creditors of the company, even to the ones who refuse to cooperate.

The impact of the WHOA in 2021

During the first 9 months of the WHOA no less than 134 initial statements were filed at several Courts across the Netherlands, with a request to start a procedure. The Court published 81 rulings, from which 10 reorganization schemes got approved and 5 got denied.

Although, it is difficult to draw a conclusion from these figures, we see that depositing a statement is not a guarantee for a successful approval. The Court will be very precise and strict in the examination of a reorganization scheme. Given that the approval will restrict the right of the creditors. Therefore, it is important to prepare a reorganization scheme with careful and professional attention. The debtor must thoroughly inform the creditor about his position, the financial situation, and the necessity of restructuring the company. Only then will the Court approve a scheme and bind the creditors to it.

On the other hand we see that a ‘cooling off period’ is granted relatively often. From the 31 request, 25 were granted. During this period no creditor can take enforcement action, receive any payments or set off.

 Recognition of the WHOA in Europe

Due to a recent change in the European Union (EU) Insolvency Regulation, the WHOA has now been admitted to the list of insolvency proceedings. This means that a WHOA procedures (a public procedure)  will have jurisdiction in other European member states, binding all European creditors to the arrangements of the reorganization scheme. On the other hand, foreign group entities with at least one entity based in or with close ties to the Netherlands can also use a WHOA procedure for their reorganization.

Importance

In the end it is fair to say that the WHOA has not, yet, made the impact as was expected. However, this could very well be calm before the storm. When the pandemic is over, companies could realize that restructuring is necessary and also the Europeanization of the WHOA could be a huge influence in the coming years. At least for now we can conclude that the WHOA is not an easy instrument to use. A simple deposition of your debts will not be enough. Therefore we advise to always come with a careful and well prepared plan in order to have a successful procedure.

Would you like to know more about the WHOA or do you have any questions about the aforementioned?

Feel free to contact Eveline Bakker, attorney-at-law

Het bestuur is belast met het besturen van de onderneming. Soms levert dat frictie op met de aandeelhouders. Zij kunnen worden gezien als de eigenaren van een onderneming, maar besturen de onderneming niet tenzij ze zelf naast aandeelhouder ook bestuurder zijn. Ook indien een aandeelhouder geen onderdeel uitmaakt van het bestuur van een onderneming, kan het natuurlijk goed zijn dat hij of zij graag op de hoogte wil blijven van wat er in de onderneming speelt.

De vraag rijst in welke mate en op welke momenten de aandeelhouder terecht aanspraak kan maken op informatie. Dat is in de eerste plaats het geval tijdens de aandeelhoudersvergadering. In de wet is geregeld dat de aandeelhouder recht heeft op informatie en dat het bestuur is gehouden deze te geven, tenzij een zwaarwichtig belang zich hiertegen verzet.

Het voorgaande kan in de praktijk lastig uitpakken. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat twee bevriende ondernemers een bedrijf opzetten, waarbij zij beiden 50 procent van de aandelen houden en 1 van deze twee ondernemers naast aandeelhouder ook bestuurder van de onderneming is. Het is goed denkbaar dat in een dergelijk kleine onderneming de aandeelhouder meer informatie verwacht. Op grond van bijzondere omstandigheden kan er sprake van zijn dat het bestuur van de onderneming uit eigen beweging informatie dient te verstrekken aan de aandeelhouder en ook op vragen van de aandeelhouder buiten de aandeelhoudersvergadering antwoord dient te geven. Deze laatste informatieverstrekking wordt gebaseerd op het gegeven dat de rechtspersoon en de betrokkenen zich jegens elkaar dienen te gedragen zoals door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Aangenomen kan worden dat als sprake is van een minder sterke scheiding tussen het bestuur en de aandeelhouder, dit sneller een doorlopend informatierecht kan rechtvaardigen. Niet iedere 50%- aandeelhouder kan, zonder ook een bestuursrol te hebben zonder meer aanspraak maken op een doorlopend informatierecht. De vraag is waar de grens ligt. Dat zal per geval en per situatie moeten worden bekeken.

Vraagt u zich af of u bepaalde informatie aan de aandeelhouder dient te verstrekken of heeft u andere vragen naar aanleiding hiervan? Neem dan contact op met Eveline Bakker.

Het einde van de coronacrisis lijkt in zicht te komen en daarmee ook het einde van de coronasteun die de afgelopen jaren door de overheid is uitgekeerd. Voor het overgrote deel is de steun bij noodlijdende bedrijven terechtgekomen. Helaas zijn er ook berichten over fraude of misbruik van coronasteun. Zo is het voorbeeld bekend van iemand die zijn coronasteun gebruikte voor de aanschaf van Pokémonkaarten… Wat kan een schuldeiser doen als een ondernemer de coronasteun niet heeft gebruikt om zijn kosten en schulden te betalen, maar dit aan hele andere zaken heeft besteed?

De overheid heeft verschillende vormen van coronasteun uitgekeerd. De Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) heeft als doel dat ondernemers hun vaste lasten, zoals huur en gas, licht en elektra kunnen blijven betalen. Of de coronasteun daar ook daadwerkelijk aan wordt besteed, wordt maar beperkt gecontroleerd. Een ondernemer kan dus zomaar een mooi zwembad in zijn achtertuin aanleggen van de ontvangen TVL.

Voor een schuldeiser wordt dit vooral een probleem als het bedrijf zijn kosten en schulden niet meer betaald of kan betalen. Als het bedrijf zelfs failliet gaat, bestaat het risico dat schuldeisers met lege handen achterblijven ondanks de door de overheid uitbetaalde coronasteun.

Toch zijn de schuldeisers in een dergelijke situatie niet geheel onbeschermd. Als een bedrijf failliet gaat zal een curator worden aangesteld. Een standaardtaak van de curator is het onderzoek naar de administratie en boeken. Als daaruit blijkt dat de ontvangen coronasteun op onjuiste wijze is besteed, zal de curator daar actie op kunnen ondernemen en het geld proberen terug te halen, desnoods door de ondernemer in privé aansprakelijk te stellen. Ook de schuldeiser zelf kan actie ondernemen en de ondernemer in privé aansprakelijk te houden wanneer een bedrijf haar schulden niet betaald.

Over het algemeen zal een ondernemer niet snel in privé aansprakelijk gesteld kunnen worden, maar is uitsluitend de het bedrijf, de B.V. of N.V., voor de schulden aansprakelijk. Privé-aansprakelijkheid is mogelijk indien een ondernemer verplichtingen aangaat waarvan hij weet dat het bedrijf daar niet aan kan voldoen. Ook wanneer de ondernemer bewerkstelligt of toelaat dat het bedrijf haar verplichtingen niet nakomt – bijvoorbeeld door de coronasteun anders te besteden dan waarvoor het bedoeld is – zou hij daarvoor aansprakelijk kunnen worden gehouden.

Wanneer een ondernemer dus de voorkeur geeft de ontvangen coronasteun te besteden aan een mooi zwembad in plaats van het betalen van de schuldeisers van zijn bedrijf loopt hij het risico om alsnog in privé aansprakelijk te worden gehouden.

Heeft u vragen over bestuurdersaansprakelijkheid? Neem dan contact op met Sonja Geldermans, advocaat Ondernemingsrecht.

 

Voor de Academie voor de Rechtspraktijk heeft onze collega Jan-Willem Kolenbrander een tweede podcast opgenomen over de Wet franchise. Deze wet is op 1 januari 2021 ingevoerd in het Burgerlijk Wetboek. Samen met Herman Knotter bespreekt Jan-Willem Kolenbrander diverse relevante onderwerpen over deze recent ingevoerde wet, zoals onder meer eenzijdige wijzigingsbedingen in de franchiseovereenkomst en het instemmingsrecht van franchisenemers (artikel 7:921 Burgerlijk Wetboek), het postcontractuele non-concurrentiebeding in de franchiseovereenkomst (artikel 7:920 lid 2 Burgerlijk Wetboek) en eventuele kwalificatie perikelen bij de franchiseovereenkomst.

De podcast is hier volledig te beluisteren.

Voor het vaktijdschrift Franchise+ heeft onze kantoorgenoot Jan-Willem Kolenbrander een artikel geschreven over het relatiebeding in de franchiseovereenkomst. Zoals bekend, valt een postcontractueel non-concurrentiebeding in een franchiseovereenkomst onder de werking van de Wet franchise. Maar geldt dat ook voor een relatiebeding? In het artikel probeert Jan-Willem Kolenbrander aan de hand van een recente uitspraak antwoord op deze vraag te geven. Het volledige artikel is via deze link te raadplegen.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Menno de Wijs, advocaat, m.dewijs@declercq.com

Gisteren heeft onze kantoorgenoot Jan-Willem Kolenbrander met Herman Knotter (LXA Advocaten) het tweede deel opgenomen van de podcast ‘Wet franchise: zegen of vloek?’ voor de Academie voor de Rechtspraktijk. Ook in deze tweede podcast bespreken Jan-Willem en Herman de stand van zaken ten aanzien van de Wet franchise, onder meer over het instemmingsrecht, eenzijdige wijzigingsbedingen en het postcontractuele non-concurrentiebeding in de franchiseovereenkomst. Binnenkort zal deze tweede podcast beschikbaar komen.

De eerste podcast is te beluisteren via deze link.