Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu

Wanneer een werkgever onvoldoende doet aan de re-integratie van haar arbeidsongeschikte werknemer, riskeert zij een loonsanctie vanuit het UWV. Maar wat nu wanneer deze loonsanctie wordt opgelegd omdat de door de werkgever ingeschakelde Arbodienst steken heeft laten vallen bij de re-integratie? Kan de werkgever de hieruit voortvloeiende kosten met succes verhalen op de Arbodienst?

Ja, zo oordeelde de rechtbank Midden-Nederland recent.

Een werknemer is in maart 2014 arbeidsongeschikt geraakt. Haar arbeidsongeschiktheid duurt voort en de bedrijfsartsen van de Arbodienst stellen geen duidelijke diagnose (werkgerelateerde overbelastingsklachten). De werknemer re-integreert verschillende keren, maar valt telkens opnieuw uit en komt niet verder dan het werken van een aantal uren per week op arbeidstherapeutische basis. Toch ziet de Arbodienst geen aanleiding de werknemer door te verwijzen voor het stellen van een duidelijke diagnose en behandeling.

Verder dragen 3 verschillende bedrijfsartsen van de Arbodienst zorg voor de re-integratie. Ondanks dat de werknemer telkens opnieuw uitvalt en niet verder komt dan het werken van een aantal uren per week op arbeidstherapeutische basis, besluit een van deze bedrijfsartsen in september 2015 een werkhervattingsplan op te stellen waarbij de werknemer geacht wordt haar volledige arbeidsuren binnen 12 weken te hervatten. Als gevolg hiervan valt de werknemer opnieuw en volledig uit.

Het UWV legt een loonsanctie op, omdat de werknemer onvoldoende medisch begeleid is, er te laat een diagnose is gesteld en een onjuist werkhervattingsplan is opgesteld wat tot uitval heeft geleid. Omdat dit allemaal tekortkomingen betreffen die aan de Arbodienst te wijten zijn, stelt de werkgever de Arbodienst aansprakelijk voor de kosten die voortvloeien uit de loonsanctie (loon, verzuimbegeleiding, gedeelte transitievergoeding, pensioen, werkgeverspremies en collectieve verzekeringen, kosten schadebeperking).

De rechtbank is van oordeel dat de bedrijfsartsen de werknemer in een veel eerder stadium hadden moeten doorverwijzen voor een duidelijke diagnose en behandeling. Dit had op de weg gelegen van de bedrijfsartsen, nu in de eerste twee ziektejaren nauwelijks werkhervatting heeft plaatsgevonden. Door dit na te laten hebben de bedrijfsartsen niet gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht en is de Arbodienst toerekenbaar tekort geschoten jegens de werkgever.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de bedrijfsarts met het opstellen van het werkhervattingsplan in september 2015 niet de zorgvuldigheid in acht heeft genomen die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot verwacht mag worden. Zij verwijst hiervoor naar de beperkte werkhervatting van de werknemer en een eerdere langdurige uitval, waarbij een werkhervatting van 2x 2 uur al te veel was voor werknemer. De bedrijfsarts had de werknemer moeten doorverwijzen voor nadere diagnostiek. Daarnaast had het de bedrijfsarts, gelet op het ziekteverloop van de werknemer, duidelijk moeten zijn dat de werknemer niet veel druk aankon en gemakkelijk opnieuw uitviel.

Nu uit het arbeidsdeskundig rapport van het UWV verder volgt dat de tekortkomingen van de Arbodienst hebben geleid tot het opleggen van de loonsanctie, kan de werkgever de schade die voortvloeit uit de loonsanctie met succes op de Arbodienst verhalen.

Renée Huijsmans, advocaat team Arbeid, Medezeggenschap & Pensioen

Met ingang van 1 maart jl. is Robert Sanders bij ons in dienst getreden als advocaat. Sanders is een expert op het gebied van tuchtrecht en zal binnen de ondernemingsrechtpraktijk met name vrije beroepsbeoefenaren bijstaan die binnen hun vakgebied een tuchtrechtregeling kennen, zoals advocaten, notarissen, accountants en medici.

Robert Sanders studeerde rechten aan de Universiteit Leiden en startte zijn maatschappelijke carrière in 1995 als redacteur en uitgever. Gedurende veertien jaar richtte hij zich bij drie vooraanstaande uitgeverijen op het uitgeven van (onder meer) medische, fiscale, financiële en juridische vakbladen. In de tussentijd rondde hij aan de Universiteit Utrecht cum laude zijn bachelor Geschiedenis af. In 2009 stapte Robert over naar de Nederlandse orde van advocaten. Hij is expert in klacht- en tuchtrecht. Bij de NOvA heeft hij zich daarnaast ook beziggehouden met compliance- en governancevraagstukken. In 2017 promoveerde Robert aan de Universiteit van Amsterdam op het advocatentuchtrecht met het proefschrift ‘Orde en discipline’.

Robert Sanders: “In mijn praktijk zet ik me in voor vrije beroepsbeoefenaren die te maken krijgen met een klacht of claim die kan uitmonden in een tuchtzaak en/of een beroepsaansprakelijkheidsclaim, en ook met vragen van kantoren en beroepsorganisaties of men de compliance en governance voldoende op orde heeft. Na het onderzoeken van de rechtmatigheid en de redelijkheid van de klacht of claim bepaal ik samen met mijn cliënt de te volgen strategie. Waar mogelijk streef ik ernaar een zaak in goed onderling overleg op te lossen: soms door de tegenpartij op basis van argumenten te overtuigen van de onhoudbaarheid van zijn claim, soms door het treffen van een schikking. De gang naar de (tucht)rechter is wat mij betreft de laatste stap in het proces, waarbij mijn cliënt ook ten volle op mijn kennis en inzet kan rekenen.”

Ernst van Win, advocaat/partner: “Als patroon heb ik Robert tijdens zijn beroepsopleiding tot advocaat leren kennen als een nieuwsgierige, gedreven en hardwerkende advocaat die zich vastbijt in datgene waar hij mee bezig is. Dankzij zijn eerdere carrière kent hij zijn doelgroep en de organisatie daarvan als geen ander. Zijn ongeëvenaarde expertise op het gebied van het tuchtrecht is bovendien een absolute meerwaarde voor onze cliënten én voor ons kantoor.”

Bekend is geworden dat Shell de zogenaamde ‘403-verklaring’ heeft ingetrokken. Hoe zit het ook al weer met deze verklaring?

De 403-verklaring

De 403-verklaring is een verklaring waarmee een andere onderneming zich aansprakelijk stelt voor de schulden van een andere onderneming binnen de groep. In geval van een B.V. of N.V. wordt deze verklaring afgegeven na goedkeuring door de aandeelhouders, zo bepaalt de wet in artikel 2:403 lid 1 sub b BW:

“de leden of aandeelhouders na de aanvang van het boekjaar en voor de vaststelling van de jaarrekening schriftelijk hebben verklaard met afwijking van de voorschriften in te stemmen;”

Deze verklaring wordt vervolgens bij de Kamer van Koophandel gedeponeerd (aldus 2:403 lid 1 sub g BW).

Voor de onderneming die de 403-verklaring afgeeft, levert afgifte van deze verklaring een risico op. Vanzelfsprekend doet een onderneming dit niet zonder reden. Na afgifte van een 403-verklaring mogen de jaarrekeningen van alle ondernemingen waarvoor de 403-verklaring geldt, worden geconsolideerd. Wanneer bijvoorbeeld een moedermaatschappij enkele tientallen of zelfs honderden dochtervennootschappen heeft, scheelt dit bijzonder veel administratieve (en dus ook financiële) lasten.

Aansprakelijk voor alle schulden?

Regelmatig wordt gedacht dat de afgevende vennootschap dan voor alle schulden aansprakelijk is. Dit is echter onjuist. Zo geldt bijvoorbeeld dat de afgevende onderneming niet aansprakelijk is voor vorderingen uit hoofde van onrechtmatige daad – denk aan milieuschade – omdat de verklaring alleen geldt voor schulden die voortvloeien uit rechtshandelingen:

“(…) heeft verklaard zich hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de uit rechtshandelingen van de rechtspersoon voortvloeiende schulden” (sub f van artikel 2:403 BW)

Ook als Shell de verklaring niet had ingetrokken, zou Shell dus niet aansprakelijk zijn voor vorderingen op de NAM voor aardbevingsschade in Groningen. Hierbij moet een belangrijke nuance worden gemaakt. Als de NAM een schikking zou aangaan voor een claim als gevolg van aardbevingsschade, dan zou Shell wel aansprakelijk zijn geweest. Het aangaan van een schikking kwalificeert namelijk als een rechtshandeling.

Met de intrekking van de 403-verklaring beperkt Shell dus haar juridische ‘exposure’ voor de onverhoopte situatie dat de NAM niet aan haar financiële verplichtingen kan voldoen. Weliswaar vielen dus veroordelingen voor aardbevingsschade hier al buiten, maar Shell beschermt nu haar aandeelhouders wel voor schulden voorkomende uit rechtshandelingen (zoals schikkingen en overeenkomsten met zakelijke partijen).

Als laatste merken wij op dat intrekking van de 403-verklaring in beginsel geen terugwerkende kracht heeft. Voor reeds bestaande overeenkomsten blijft de aansprakelijkheid dus bestaan. Er zijn echter ook mogelijkheden om deze resterende aansprakelijk te beëindigen en zo de intrekking terugwerkende kracht te laten verkrijgen.  Heeft u vragen? Neem gerust contact op.

Menno de Wijs en Tim de Vries, advocaten ondernemingsrecht

In het magazine Zorgvisie verscheen deze maand een artikel van Janbert Heemstra en Sacha Krekel over de positie van een bestuurder die wordt geconfronteerd met disfunctionerende toezichthouders.

Wat is de positie van een bestuurder als die wordt geconfronteerd met disfunctionerende toezichthouders? Die vraag leeft in menige bestuurskamer. Hoewel de governancecodes in prachtige bewoordingen spreken over ‘aanspreekbaarheid’ en een ‘open cultuur’, staat de bestuurder niet sterk. Meestal staat in de statuten dat de raad van toezicht de bestuurder kan schorsen of ontslaan. Soms zelfs met de toevoeging ‘te allen tijde’. Komt een bestuurder in conflict met de raad van toezicht, dan loopt hij of zij dus het risico te worden geschorst of ontslagen. Onder de huidige wet kan een bestuurder proberen om het schorsings- of ontslagbesluit te laten vernietigen door de rechter. Maar buiten het geval dat het besluit in strijd met formele totstandkomingsvereisten was genomen, is de kans klein dat de rechter het besluit vernietigt. Klik hier om het hele artikel te lezen.

Janbert Heemstra is notaris en als partner verbonden aan De Clercq Advocaten Notariaat. Hij heeft een bijzondere affiniteit met jonge ondernemers en startups, maar zet zijn expertise ook graag in als adviseur voor gevestigde bedrijven.

Sacha Krekel is advocaat/partner Ondernemingsrecht en heeft veel ervaring met het adviseren en bijstaan van partijen in aansprakelijkheidskwesties, procedures en andere geschillen. Als advocaat heeft hij zich met name gespecialiseerd op het gebied van corporate litigation, met een focus op bestuurders- en beroepsaansprakelijkheid, geschillen tussen aandeelhouders en geschillen tussen bedrijven onderling. Daarnaast kan hij u als bestuurder of ondernemer adviseren over het voorkomen van geschillen en aansprakelijkheid en over het dusdanig inrichten van de corporate governance dat ook het toezicht adequaat werkt.

Wilt u op de hoogte blijven van al ons laatste nieuws? Volg ons op LinkedIn of schrijf u in voor de nieuwsbrief en ontvang de laatste updates in uw mailbox!

‘Wie stelt, bewijst’, zo wordt vaak gedacht. Ten onrechte. Het bewijsrecht kent vele nuanceringen en uitzonderingen. Om als advocaat strategisch te kunnen procederen is uitstekende kennis van het – vaak onderschatte – bewijsrecht van essentieel belang en kan dit voor de cliënt hét verschil maken in een procedure. In dit blog beperk ik mij tot voornoemd ezelsbruggetje dat al veel mensen op het verkeerde been heeft gezet.

De grondslag is te vinden in artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Daarin is echter niet opgenomen ‘wie stel, bewijst’, maar is opgenomen:

De partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, draagt de bewijslast van die feiten of rechten, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit.

Een partij hoeft dus alleen de feiten te bewijzen die noodzakelijk zijn voor het intreden van het rechtsgevolg waarop hij zich beroept. Die bewijslast is dus beperkter. Een minder misleidend ezelsbruggetje zou dus kunnen zijn ‘wie moet stellen, die moet bewijzen’. Daaruit blijkt tenminste enige nuance. Overigens hoeven niet alle feiten met 100% zekerheid te worden bewezen, voldoende is dat de rechter het ‘aannemelijk’ acht.

Een voorbeeld. De partij die zich ter vernietiging van een overeenkomst op wederzijdse dwaling beroept (art. 6:228 lid 1 sub c BW), dient bijvoorbeeld te stellen en – in geval van betwisting door de wederpartij – te bewijzen dat is voldaan aan de vereisten:

1. dat de overeenkomst tot stand is gekomen onder invloed van dwaling,

2. dat deze bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, en dat

3. de wederpartij van dezelfde onjuiste veronderstelling is uitgegaan als de dwalende.

Dit zijn dus de aspecten die degene die zich op wederzijdse dwaling beroept, zal moeten stellen en ingeval van betwisting door de wederpartij zal moeten bewijzen (lees: aannemelijk maken).

De wederpartij kan zich vervolgens verweren met een beroep op het zogenaamde kenbaarheidsvereiste. De wederpartij zal dan moeten bewijzen dat ook bij een juiste voorstelling van zaken hij niet had behoeven te begrijpen dat de dwalende daardoor de overeenkomst niet zou sluiten, aldus de Hoge Raad (klik).

 

Menno de Wijs, advocaat

Het mededingingsrecht verbiedt dat er prijsafspraken worden gemaakt tussen leverancier en afnemer die tot gevolg hebben dat de concurrentie op de vrije markt merkbaar wordt beperkt of verhinderd. De Duitse mededingingsautoriteit heeft recent een boete van in totaal € 10,9 miljoen opgelegd omdat een leverancier en afnemer toch verboden afspraken met elkaar maakten.

Zoals in een eerdere blog (klik hier) reeds aangegeven, verbiedt het mededingingsrecht dat er bepaalde afspraken tussen partijen worden gemaakt die de mededinging merkbaar beperken of verhinderen. Dit verbod ziet niet alleen toe op afspraken tussen concurrenten onderling (horizontale afspraken) maar ook op afspraken tussen leveranciers en afnemers (verticale afspraken). Doordat dergelijke verticale afspraken worden gemaakt loopt de consument in bepaalde gevallen het risico meer te moeten betalen voor producten of diensten dan als de verticale afspraak er niet was geweest.

Onlangs heeft de Duitse mededingingsautoriteit een boete van € 10,9 miljoen opgelegd aan kledingfabrikant Wellensteyn en modehuis Peek & Cloppenburg Düsseldorf omdat zij verboden prijsafspraken maakten. Zo sprak Wellensteyn onder meer met afnemers af dat zij bepaalde vaste minimumprijzen moesten hanteren bij de verkoop. Kleding mocht niet voor een lager bedrag verkocht worden dan deze minimumprijs. Deden afnemers dat toch dan werden zij niet meer bevoorraad door Wellensteyn. Peek & Cloppenburg ging niet alleen akkoord met deze prijsbinding, maar verzocht Wellensteyn eveneens op te treden tegen afnemers die niet meededen aan deze prijsafspraken. De Duitse mededingingsautoriteit greep in en merkte op dat dergelijke prijsafspraken verboden zijn.

Het voornoemde  voorbeeld van een verticale samenwerking betrof een distributieovereenkomst. Een ander voorbeeld van een verticale samenwerking betreft de franchiseovereenkomst. Ook bij een dergelijke samenwerking moet derhalve gekeken worden of de afspraken die franchisegever en franchisenemer onderling met elkaar maken niet verboden zijn onder het mededingingsrecht. Vooralsnog laat de Nederlandse mededingingsautoriteit een coulante houding zien ten aanzien van franchiseformules maar voorkomen is natuurlijk altijd beter dan genezen. De gevolgen van een overtreding van het mededingingsrecht zijn immers aanzienlijk.

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchise recht

In de zoektocht naar nieuwe zakelijke relaties wordt vaak gebruik gemaakt van (openbare) contactgegevens. Het gebruiken van deze contactgegevens voor acquisitie mag niet zomaar. Er moet rekening worden gehouden met privacywetgeving. De relevante bepalingen zijn terug te vinden in de huidige Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp), de toekomstige Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), die de Wbp in mei 2018 vervangt, en de Telecommunicatiewet (Tw).

Wbp en AVG

Laten we beginnen met de Wbp en de AVG. Op grond van deze wetgeving mogen persoonsgegevens alleen onder bepaalde voorwaarden worden verwerkt. Persoonsgegevens zijn gegevens die herleidbaar zijn tot een natuurlijk persoon. Een e-mailadres met daarin de naam verwerkt (zoals j.quik@declercq.com) is herleidbaar tot een natuurlijk persoon. Zonder al te veel moeite kun je er namelijk achter komen wie de medewerker is die aan dit e-mailadres verbonden is. Hetzelfde geldt voor een telefoonnummer indien daarbij is aangegeven dat Piet de Vries via dat nummer bereikbaar is. Deze gegevens mogen alleen worden gebruikt voor acquisitie indien de gegevens voor dit doel openbaar zijn gemaakt. Dit is meestal niet het geval. Contactgegevens van een website halen met als doel jouw product of dienst te verkopen is dan ook op grond van de Wbp en de AVG vaak niet toegestaan.

Dit kan anders zijn indien iemand zijn of haar visitekaartje aan jou heeft gegeven. Indien wordt afgesproken dat je informatie over jouw product of dienst zal toesturen, dan is het doel van het verstrekken van de gegevens acquisitie en mogen de gegevens dan ook worden gebruikt ten behoeve van dat doel. Wees ervan bewust dat je met het verzenden van een e-mail naar een dergelijk e-mailadres persoonsgegevens verwerkt en dat op dat moment verplichtingen ontstaan op grond van privacywetgeving.

Een algemeen telefoonnummer of e-mailadres, zoals info@declercq.com, zijn geen persoonsgegevens. De Wbp en de AVG zijn in dit geval niet van toepassing en je zou dus denken dat het gebruiken van deze gegevens voor acquisitie dan wel mogelijk is. Er moet echter rekening worden gehouden met de Tw.

Tw

In de Tw worden regels gesteld met betrekking tot het versturen van ongevraagde informatie via e-mail en het overbrengen van informatie via de telefoon. In het geval van acquisitie zijn deze bepalingen van toepassing, want over het algemeen wordt niet gevraagd om acquisitie.

Het versturen van e-mails met ongevraagde informatie aan een natuurlijk persoon is alleen toegestaan indien die persoon daar toestemming voor heeft gegeven.

Het versturen van e-mails met ongevraagde informatie aan een bedrijf mag zonder toestemming, indien gebruik wordt gemaakt van een e-mailadres dat door het bedrijf daarvoor is bestemd en bekend gemaakt. Als op een website staat aangegeven dat e-mailadres inkoop@bedrijfsnaam.nl mag worden gebruikt voor het sturen van aanbiedingen, dan mag dat worden gebruikt voor acquisitie.

Indien aan een natuurlijk persoon of een bedrijf al eens een product of dienst is verkocht, dan mag het daarbij verkregen e-mailadres worden gebruikt ten behoeve van acquisitie. Hierbij is wel van belang dat de acquisitie wordt gepleegd ten behoeve van een gelijksoortig product of dienst. Tevens is van belang dat met het verkrijgen van het e-mailadres de klant een opt-out wordt geboden om deze informatie te ontvangen of, indien de klant daar geen gebruik van heeft gemaakt, bij iedere e-mail een opt-out wordt geboden. Als de klant gebruik maakt van de opt-out dan dient het versturen van de ongevraagde informatie direct te worden gestopt. Ook moet aan de klant worden aangegeven dat hij of zij dergelijke e-mails niet meer zal ontvangen.

Voor het acquireren via de telefoon geldt dat dit is toegestaan, tenzij het telefoonnummer is opgenomen in het bel-me-niet-register of op andere wijze is aangegeven dat men dergelijke informatie niet wil ontvangen. Dit geldt alleen voor abonnees die natuurlijke personen zijn. Telefoonnummers van bedrijven, die zich niet kunnen inschrijven in het bel-me-niet-register, mogen wel worden gebruikt.

Conclusie

Zorg ervoor dat met het verkopen van producten en diensten geen gebruik wordt gemaakt van een e-mailadres of telefoonnummer dat herleidbaar is naar een individueel persoon. Dit is namelijk alleen toegestaan als dit bij het verstrekken van die gegevens is aangegeven. Hetzelfde geldt voor een algemeen c.q. zakelijk e-mailadres. In beginsel kan een algemeen telefoonnummer van een bedrijf worden gebruikt voor acquisitiedoeleinden.

Wilt u meer informatie over dit onderwerp? Neem dan contact op met Jennifer Quik of een van de andere specialisten van het team IT, IE & Privacy.

Het was deze maand behoorlijk onrustig in Faillissementsland. Niet omdat er nu zoveel bedrijven omvielen, gelukkig is het aantal faillissementen ten opzichte van een jaar geleden aanzienlijk gedaald, maar omdat er twee uitspraken zijn gedaan die flinke gevolgen hebben voor de ‘doorstartpraktijk’.

In de BFBN actueel van deze maand schreef Per van der Kooi een column over dit onderwerp. Wilt u het hele artikel lezen? Klik dan hier.

Meer informatie? Neem contact op.

 

Tweehonderdmiljard vierhonderdenvierentwintig miljoen en vierhonderdvijfennegentigduizend euro (€2.424.495.000,00) is de hoogte van de boete die Google van de Europese Commissie moet betalen. Google heeft, aldus de Commissie, haar eigen productzoek- en vergelijkings Google Shopping voorgetrokken boven andere (commerciële) diensten. Omdat Google een marktaandeel van 90% heeft, is hier sprake van misbruik van economische machtspositie. Waar het gaat om een langdurige en stelselmatige inbreuk, valt de boete hoog uit. De Commissie vestigt hiermee een nieuw boeterecord. De boete opgelegd aan Intel in 2009 van € 1.060.000.000,00 (nog steeds bestreden voor het Europese Hof van Justitie) wordt letterlijk en figuurlijk in de schaduw gesteld. De reactie van Google: zij is het niet eens met de redenering van de Europese Commissie en ‘overweegt’ in hoger beroep te gaan.

Vraag is natuurlijk, of dit nu een hoog boetebedrag is. Volgens de Europese Commissie is de opgelegde boete in overeenstemming met de boeterichtsnoeren, die uitgaan van een percentage van de relevante omzet met een maximum van (wereldwijde) omzet van Google’s moederbedrijf Alphabet Inc. Naast de boete is het Google verboden om nog langer te discrimineren tussen haar eigen dienst en vergelijkbare diensten van anderen op straffe van verbeurte van een last onder (een hoge) dwangsom.

Het is natuurlijk een enorm bedrag. Moet zo’n bedrag nu als absurd worden beschouwd, of niet? Een ‘normaal misdrijf’ kan op basis van (artikel 23, vierde lid) van ons wetboek van Strafrecht leiden tot een maximum boete van € 820.000,00, maar bij een rechtspersoon kan de bestraffing tot 10% van de jaaromzet van de rechtspersoon in het boekjaar voorafgaand aan de de uitspraak of de strafbeschikking oplopen, als dat boetemaximum van € 820.000,00 onvoldoende is. Alphabet Inc., het moederbedrijf van Google, rapporteerde over 2016 een omzet van $89.730.000.000,00, waarvan 99,9% afkomstig van Google. Zo bezien zal deze boete haar niet direct de das omdoen en is het bedrag niet onredelijk. Voor de deelnemers aan de Europese Unie is een dergelijke financiële bijdrage wel prettig. Ter vergelijking: Nederland, een grote nettobetaler in de EU, betaalde in 2015 3,4 miljard Euro aan de EU.

We moeten wel bedenken dat het niet de eerste keer is (eerder is een vervolging door Google geschikt) en dat Google elders voor vergelijkbare misstappen wordt vervolgd. In India heeft de mededingingstoezichthouder actie ondernomen tegen Google, in het verleden heeft Google moeten toestaan dat  in de Android-app store ook concurrerende zoekmachines werden aangeboden in Rusland. En nu krijgt Google ook te maken met andere claims. Behalve de boete zal Google waarschijnlijk te maken kunnen krijgen met claims van concurrenten of ook claims van consumenten. Een snelle zoektocht over internet – met behulp van Google – wijst uit dat men verwacht dat de problemen nog wel even zullen voortduren. De volgende vraag is natuurlijk welke gevolgen dit kan hebben voor het management van Google en eventuele bestuurdersaansprakelijkheid. Stel dat de boete in stand blijft, kan Google dan haar bestuurders aansprakelijk stellen voor de geleden schade? Voldoende voedsel voor internationale claimadvocaten, die op zoek kunnen naar de gunstigste jurisdictie. 

Dat een partij met een (extreem) dominante positie op een markt concurrenten moet toelaten tegen niet-discriminerende voorwaarden, is een uitgemaakte zaak. Vanuit mededingingsrechtelijk oogpunt is met name interessant, hoe de verschillende (product- en diensten-) markten worden afgebakend en ondanks die afbakening onderling samenhangen. 

Wordt ongetwijfeld vervolgd…

 

 

Robert-Jan van der Wart


 

Partner IT, IE en Privacy bij De Clercq Advocaten Notariaat

 

 

 

Natuurlijk ben je geniaal en in staat om je innovatie vorm te geven. Alleen jij weet hoe je innovatie er uiteindelijk uit moet zien en hoe de hoogste toegevoegde waarde kan worden gerealiseerd. Maar succesvolle innovatie vereist behalve out-of-the box denken ook gestructureerd, strategisch denken: de meeste innovators hebben op enig moment begeleiding in de marktbenadering, externe financiers en/of strategische partners nodig. Hoe behoud je dan grip op de innovatie en welke mate van invloed zal je moeten toestaan? En … hoe organiseer je dat? Dit zijn vragen die vaak pas in een te laat stadium gesteld worden en wij zien in de praktijk met regelmaat dat innovaties het om deze reden niet redden. Wat kan je doen of regelen om wel succesvol te zijn?

Tip 1

Stel de industriële en intellectuele eigendom veilig. Kort gezegd: ideeën zijn nauwelijks beschermd, voor technologie kan een octrooi worden aangevraagd en originele software is (in Europa) beschermd met een auteursrecht. Voor bescherming van een origineel en pakkend merk (zowel naam als logo) is deponering vereist en voor uiterlijke kenmerken (modelrecht) ook. Voor zover data beschermd kunnen worden, gebeurt dat ook van rechtswege. Zorg dat de rechten in één hand liggen en goed gedocumenteerd worden. Dat is belangrijk voor investeerders en potentiële overnamekandidaten. Voor (pilot-)klanten is het vaak net zo belangrijk, omdat deze aan continuïteit hechten. Het borgen van continuïteit vereist ook inzicht in de IE-rechten.

Tip 2

Bedenk goed als innovator of je ook de manager gaat zijn, die de tent nodig heeft bij snelle groei en – in een later stadium – consolidatie. Technische kennis en geniale ideeën gaan niet altijd samen met bedrijfskundig inzicht en ervaring. Verder heeft een onderneming in verschillende fasen verschillende soorten leidinggevenden nodig. Wat betekent dit voor je bestuursstructuur en eventueel toezicht daarop? Hoe ga je dit vormgeven? Krijg je de investeerders binnen, die jou voldoende vrijheid geven en hoe borg je die vrijheid om door te innoveren? Of wil je de tent opzetten en dan verkopen of verhuren? Hoe zorg je dat je vervangbaar bent?

Tip 3

Regelmatige evaluatie van je innovatie is van levensbelang. Als je langdurig samenwerkt in een partnership, bespreek dan goed hoe je de komende vijf jaar voor je ziet. En bespreek dat ten minste ieder jaar één keer. Langer dan vijf jaar vooruit kijken is vaak niet zinvol, omdat er teveel dingen in de markt en in een mensenleven kunnen gebeuren. De ene partner kan door familieomstandigheden bijvoorbeeld eerder belang hebben bij dividenduitkeringen dan de ander. Visies en behoeftes blijken met verloop van tijd te kunnen veranderen, waardoor tegengestelde belangen kunnen ontstaan. Spreek af en leg vast hoe je deze boven water wil krijgen en hoe je daarmee wil omgaan.

Tip 4

Hoe voorkom je dat je innovatie verlamd wordt door gebrek aan besluitvorming? Een 50/50-verhouding tussen 2 partners is zelden zaligmakend. Kleine meningsverschillen kunnen dan leiden tot het lamleggen van de onderneming. Maar een meerderheid voor de besluitvorming bij één van de partijen kan leiden tot gevoelens van onderwaardering bij de ander. Heb je een (of meer) betrouwbare derde(n), die je bindend kan laten adviseren? Heb je een escalatiemodel afgesproken, waar je allebei vertrouwen in hebt en zo ja, houd je je daar in de praktijk ook aan? Geschillen zijn vrijwel altijd terug te voeren op teleurgestelde verwachtingspatronen. En als je druk bezig bent met het ontwikkelen en vermarkten van (nieuwe) producten en diensten, met alles wat daarbij komt kijken, lijdt de relatie tussen zakenpartners daar allicht onder. Een goede vastlegging van een snelle en relatief goedkope escalatie- en geschillenregeling, die past bij een start-up, is van levensbelang en kan het verschil maken. Als je die niet hebt. Kan een juridisch geschil het einde van de innovatie betekenen, tenzij je beschikt over een goede ‘oorlogskas’. Maar die is er zelden, want alles wordt in het nieuwe product of de nieuwe dienst geïnvesteerd en verdere investeringen bij donkere wolken en bliksemschichten aan de hemel zijn lastig te krijgen.

Tip 5

Houd een logboek bij, waarin exact beschreven wordt welke ontwikkelingen zich voordoen en welke inzichten worden verworven; met wie op welk moment welke gesprekken worden gevoerd en welke kennis wordt gedeeld; met wie geheimhoudingsovereenkomsten worden aangegaan; met wie bepaalde intenties worden uitgesproken en met wie strategische allianties worden gesloten; welke marktontwikkelingen zich voordoen, die tot veranderingen in het product of de dienst leiden; welke (professionele of zakelijke) adviezen je ontvangt en wat je op basis daarvan beslist; wat er komt uit evaluaties en welke investeringsbeslissingen worden aangepast. Bij een goede afloop vormt zo’n logboek voor de onderneming een geweldig archief, op basis waarvan de waarde van de onderneming mede kan worden bepaald. Voor investeerders en financiers is zo’n logboek goed, omdat de administratie vaak nog niet zo geweldig op orde is. En als het idee flopt en de tent failliet gaat, kan het dienen om claims wegens bestuurdersaansprakelijkheid af te wenden.


Heeft u zicht op de risico’s en het juridische perspectief op de innovaties, die u onderneemt? Weet u waar u mee bezig bent op het gebied van beveiliging en privacy? Voldoet uw organisatie aan alle verplichtingen van de Wbp en bent u tijdig voorbereid op de invoering van de AVG, zodat u per 25 mei 2018 in overeenstemming daarmee handelt? Neem vrijblijvend contact met ons op om te bekijken hoe wij – of andere adviseurs, waarmee wij goede ervaringen hebben – u verder kunnen helpen bij het vergroten van het maatschappelijk vertrouwen in uw organisatie.

Robert-Jan van der Wart, advocaat/partner IT, IE & Privacy