Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu

Eerder schreef ik een blog over het algemene juridisch kader van bestuurdersaansprakelijkheid. Uitgangspunt is dat indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is daarnaast ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap, indien de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

In sommige gevallen beschikt een schuldeiser over onvoldoende gegevens en informatie om te kunnen beoordelen of hij met succes een bestuurder aansprakelijk kan stellen. Hij beschikt dan niet over voldoende bewijs. In dergelijke gevallen kan de schuldeiser (in kort geding) eisen dat de schuldenaar inzage geeft in administratie en andere bescheiden van de vennootschap, zodat hij zijn rechtspositie kan bepalen (art. 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). In kort geding is een dergelijke vordering toewijsbaar indien:

Is aan deze voorwaarden voldaan, dan bestaat desalniettemin geen gehoudenheid tot overlegging van bescheiden indien daarvoor gewichtige redenen bestaan, zoals bijvoorbeeld het geval kan zijn bij vertrouwelijke, medische of financiële gegevens. Ook kan de vordering alsnog worden afgewezen indien de schuldeiser de gegevens bijvoorbeeld via een andere weg kan verkrijgen. De rechter maakt altijd een belangenafweging.

Een recent kort geding dat werd behandeld door de Rechtbank Oost-Brabant (ECLI:NL:RBOBR:2019:5932) is een voorbeeld van deze procedure. In die zaak wenste een schuldeiser inzage in de administratie van zijn schuldenaar (een vennootschap), omdat hij vermoedde dat de bestuurder van de schuldenaar onrechtmatig had gehandeld. De schuldeiser wenste onder andere inzage in een koopovereenkomst, waarmee de schuldenaar zijn activa had verkocht aan een derde partij en daardoor vermoedelijk andere verplichtingen niet kon nakomen. In die koopovereenkomst was een geheimhoudingsbeding opgenomen. Om die reden verweerde de schuldenaar zich met de stelling dat hij jegens de derde gehouden was tot geheimhouding. De rechter ging aan dit verweer voorbij, omdat deze afspraak tussen de schuldenaar en de derde geldt en niet aan de schuldeiser kan worden tegengeworpen.

De schuldenaar werd verplicht inzage te geven in de koopovereenkomst van de activatransactie en de vermindering van zijn reserves. Aan de hand van deze gegevens kan de schuldeiser zijn rechtspositie bepalen en beoordelen of hij een vordering tegen de bestuurder kan instellen.

Heeft u vragen over bestuurdersaansprakelijkheid? Neem contact op met Tim de Vries, advocaat ondernemingsrecht.

De Raad van State laat via haar website (klik hier) weten dat zij op 11 december jl. het wetsvoorstel Wet Franchise heeft vastgesteld. De Raad van State is onafhankelijk adviseur van de regering en het parlement over wetgeving, dus ook over onderhavige franchise wetgeving.

Nu de raad het voorstel heeft vastgesteld, kan het door de Staatssecretaris worden doorgestuurd naar de Staten-Generaal. Zowel de Tweede Kamer als de Eerste Kamer zullen zich dan buigen over dit wetsvoorstel.

Een overzicht van het oorspronkelijke voorstel Wet Franchise is hier te raadplegen. Daarop zijn blijkens het consultatieverslag wetsvoorstel Wet Franchise enige aanpassingen gekomen.

Heeft u vragen over franchise of franchisewetgeving? Neem contact op met Jan-Willem Kolenbrander.

Zoals ik al in mijn artikel ‘McBankroet – franchise en faillissement’ (klik hier voor het artikel) had opgemerkt, is een faillissement van de franchisegever voor haar franchisenemers een vervelende aangelegenheid. De (ontwikkeling van de) formule komt feitelijk tot een stilstand en de franchisenemers geraken in een onzekere situatie voor wat betreft hun toekomst. Een franchisegever die failliet gaat, kan bij bestaande franchisenemers dus de nodige kopzorgen veroorzaken. Uit een recente kwestie, die aanhangig was gemaakt bij de Hoge Raad,  blijkt echter dat een failliete franchisegever ook kopzorgen kan veroorzaken bij haar voormalige franchisenemers.

In deze kwestie stelden franchisenemers zich op het standpunt dat hun franchisegever onjuiste c.q. onvolledige informatie had verstrekt ten tijde van het ondertekenen van de franchiseovereenkomsten. De franchisenemers vernietigden vervolgens de franchiseovereenkomsten op grond van dwaling en bedrog. Zij stapten naar de rechtbank en vroegen de rechter om te oordelen dat de franchisegever onrechtmatig jegens hen had gehandeld. De franchisegever, op haar beurt, vroeg de rechter om de ex-franchisenemers te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding vanwege contractbreuk. De rechtbank stelde de ex-franchisenemers in het gelijk, vernietigde de franchiseovereenkomsten en verklaarde voor recht dat de franchisegever onrechtmatig had gehandeld. De vorderingen van de franchisegever werden afgewezen.

De franchisegever legde zich niet neer bij dit oordeel en ging in hoger beroep bij het gerechtshof. Kort na het indienen van haar beroepschrift ging de franchisegever echter failliet en werd de procedure ten aanzien van de vorderingen van de franchisenemers op de franchisegever stilgelegd (geschorst). De franchisenemers vroegen om ontslag van instantie, zodat dat deel van de zaak kon worden afgewikkeld, maar dat verzoek werd niet gehonoreerd. De curator van de failliete franchisegever droeg vervolgens de (vermeende) vorderingen van de franchisegever op de franchisenemers over op twee nieuwe partijen die verder zouden procederen. De franchisenemers dienden een verweerschrift in ten aanzien van de vorderingen van de failliete franchisegever. Er werd door de franchisenemers echter geen verweer gevoerd tegen de stellingen die de failliete franchisegever had ingenomen ten aanzien van hun eigen vorderingen, omdat die kwestie immers was stilgelegd. Bij pleidooi vroegen de franchisenemers wederom om ontslag van instantie aan de zijde van de franchisegever voor dat gedeelte van de procedure.

In haar eindarrest wees het gerechtshof nogmaals het verzoek om ontslag van instantie af. Verder vernietigde het hof het vonnis van de rechtbank ten aanzien van de vorderingen van de ex-franchisenemers, omdat zij – zie hiervoor – geen inhoudelijk verweer hadden gevoerd tegen de stellingen van de franchisegever. De vorderingen van de (opvolgers van de) failliete franchisegever werden om die reden toegewezen.

‘Ten onrechte’, oordeelt de Hoge Raad in cassatie ten gunste van de ex-franchisenemers (zie: ECLI:NL:HR:2019:1917 – klik hier voor het volledige arrest). De procedure ten aanzien van de vorderingen van de ex-franchisenemers zelf was immers stilgelegd vanwege het faillissement van de franchisegever. Verder hadden de franchisenemers tot tweemaal toe (tevergeefs) om ontslag van instantie gevraagd aan het hof ten aanzien van dit gedeelte van de procedure. Desalniettemin heeft het hof een eindoordeel gegeven, waarbij louter de stellingen van de franchisegever zijn gebruikt, zonder de ex-franchisenemers eerst in de gelegenheid te stellen alsnog te reageren op deze stellingen. Daarmee heeft het hof in de visie van de Hoge Raad het beginsel van ‘hoor en wederhoor’ geschonden. De zaak moet dan ook worden overgedaan bij een ander gerechtshof volgens de Hoge Raad.

Deze zaak toont aan dat het faillissement van een franchisegever voor de nodige kopzorgen kan zorgen, ook bij ex-franchisenemers. Wederom zullen zij genoodzaakt zijn om een (dure en langdurige) gerechtelijke procedure te voeren om te voorkomen dat zij alsnog enig geldbedrag moeten betalen aan de (opvolgers van de) failliete franchisegever. En dat terwijl hun eigen vorderingen waarschijnlijk hoe dan ook nimmer verhaalbaar zijn vanwege de failliete boedel. Niet iets om blij van te horen derhalve.

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchise recht

Voor het franchise vakblad Franchise+ heb ik onlangs een artikel geschreven over de Wet Franchise, meer specifiek over de regeling in het wetsvoorstel waardoor franchisegevers minder gemakkelijk wijzigingen kunnen doorvoeren in hun franchiseformule. In het artikel betoog ik dat franchisenemers uiteraard beschermd dienen te worden tegen (te) lichtvaardige wijzigingen in de formule, maar dat franchisenemers uiteindelijk ook niet gebaat zijn bij een franchiseformule die onvoldoende flexibiliteit heeft om de concurrenten op kortere en langere termijn het hoofd te bieden. Het volledige artikel is via deze link te raadplegen.

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchise recht

Een vennootschap kan schade lijden als gevolg van wangedrag van een derde jegens de vennootschap. De vermogensschade van een vennootschap kan tot gevolg hebben dat een aandeelhouder schade lijdt, omdat de waarde van zijn aandelen vermindert. Komt deze afgeleide schade voor vergoeding in aanmerking?

Sinds het arrest van de Hoge Raad in de zaak ABP/Poot (ECLI:HR:1994:ZC1564) uit 1994, geldt de volgende hoofdregel: indien aan een naamloze of besloten vennootschap door een derde vermogensschade wordt toegebracht door het niet behoorlijk nakomen van contractuele verplichtingen jegens de vennootschap of door gedragingen die tegenover de  vennootschap onrechtmatig zijn, heeft alleen de vennootschap het recht uit dien hoofde van de derde vergoeding van deze aan haar toegebrachte schade te vorderen.

Afgeleide schade

Voorbeeld: indien een klant of leverancier van de vennootschap zijn verplichtingen tot betaling of levering niet nakomt, is de vennootschap de aangewezen partij om de schade die daardoor ontstaat bij de klant of leverancier te verhalen. De gedragingen van de klant of leverancier kunnen tot gevolg hebben dat de vennootschap vermogensschade lijdt, die door de vennootschap op de klant of leverancier kan worden verhaald. De vermogensschade van de vennootschap kan vermindering van de waarde van de aandelen meebrengen. Deze schade, die de aandeelhouder lijdt, wordt afgeleide schade genoemd.

Uit de rechtspraak volgt dat de aandeelhouders in beginsel op grond van voor hen ontstaan nadeel niet een eigen vordering tot schadevergoeding tegen de derde (in het voorbeeld: de klant of leverancier) geldend kunnen maken. Voorts heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de aandeelhouder slechts recht heeft op vergoeding van door hem in deze hoedanigheid geleden schade, als deze schade het gevolg is van schending van een jegens hem geldende specifieke zorgvuldigheidsverplichting. Dit laatste geldt ook indien een bestuurder onnodig en desbewust het faillissement van de vennootschap heeft veroorzaakt voor zijn eigen gewin. Indien de bestuurder van een vennootschap zich aldus gedraagt, leidt dit tot vermindering van de waarde van de aandelen in de vennootschap, of zelfs tot waardeloosheid daarvan, en dus tot afgeleide schade van de aandeelhouder(s) van die vennootschap. Indien geen bijkomende omstandigheden zijn gesteld, zoals het opzet om die aandeelhouder aldus te benadelen, kan echter niet worden gesteld dat de bestuurder dusdoende tevens een specifieke zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden tegenover die aandeelhouder, aldus de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2007:AZ0419 (Tuin Beheer/Houthoff)).

Een aandeelhouder die schadevergoeding wenst wegens waardedaling van aandelen, dient dus concreet toe te lichten dat en hoe de derde door haar handelen een jegens de aandeelhouder specifiek in acht te nemen zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden.

Recent voorbeeld afgeleide schade

In een zaak die recent door het Hof Amsterdam is behandeld (ECLI:NL:GHAMS:2019:3978), is de aandeelhouder daar niet in geslaagd. De aandeelhouder was van mening dat door toedoen van de bestuurder haar aandelen waardeloos waren geworden. De aandeelhouder baseerde dat op de volgende omstandigheden, die volgens haar leidden tot het oordeel dat sprake is van onbehoorlijk bestuur:

Volgens de aandeelhouder bestaat de door haar geleden schade erin dat zij, indien geen gelden aan de vennootschap waren onttrokken, als aandeelhouder dividenduitkeringen zou hebben kunnen ontvangen en/of dat bij een tijdige en ordelijke liquidatie van de vennootschap aan haar mogelijk een gedeelte van het resterend batig saldo zou zijn toegekomen.

Het hof gaat niet in de redenering van de aandeelhouder mee. Volgens het hof betreffen genoemde gedragingen telkens het (ernstig verwijtbaar) tekortschieten van de bestuurder in de nakoming van de op haar jegens de vennootschap rustende verplichting tot een behoorlijke vervulling van haar taak. Oftewel, voor de schade die is ontstaan als gevolg van de onbehoorlijke taakvervulling zou de vennootschap (bij faillissement: de curator) de bestuurder kunnen aanspreken. Dat en waarom dit tevens een schending van een jegens de aandeelhouder in acht te nemen specifieke zorgvuldigheidsverplichting zou opleveren, heeft de aandeelhouder onvoldoende onderbouwd. Dat de bestuurder bij haar handelen het opzet zou hebben gehad om de aandeelhouder te benadelen is niet gebleken. De vordering van de aandeelhouder is daarom niet toewijsbaar.

Heeft u vragen? Neem contact op met Tim de Vries, advocaat ondernemingsrecht.

Op 8 juni 2016 is het wetsvoorstel Bestuur en Toezicht Rechtspersonen ingediend. Dit wetsvoorstel beoogt de regeling voor het bestuur en toezicht bij verenigingen, coöperaties, onderlinge waarborgmaatschappijen en stichtingen te verduidelijken. Onderdeel daarvan is bijvoorbeeld een tegenstrijdig belangregeling. Onlangs wees de Rechtbank Gelderland op 11 juni 2019 (ECLI:NL:RBGEL:2019:3247) een vonnis waarbij de rechtbank – vooruitlopend op het wetsvoorstel – al rekening heeft gehouden met dit wetsvoorstel.

Eisers in deze kwestie zijn bewoners van bungalowpark Wighenerhorst. Zij zijn lid van de Vereniging van Eigenaars Bungalowpark Wighenerhorst (VVE). Exploitant van het bungalowpark is de vennootschap onder firma Bungalowpark Wighenerhorst (VOF).

De VVE en de VOF zijn verenigd in een samenwerkingsstichting. Hierin kunnen zij gezamenlijk overleg voeren over zaken die het bungalowpark aangaan. Het bestuur van de stichting bestaat uit twee leden van de VVE en twee leden van de VOF. Het vijfde bestuurslid is een derde.

Op enig moment dient de vijfde bestuurder van de stichting een vordering in van € 26.164,51 voor door hem ten behoeve van de stichting verrichte werkzaamheden. De VVE en VOF krijgen onenigheid over het al dan niet accorderen van deze vordering. Partijen komen hier niet uit, zodat een procedure bij de Rechtbank Gelderland aanhangig wordt gemaakt. De leden van het bestuur die de VOF vertegenwoordigen wensen namens de stichting geen verweer te voeren tegen de ingediende vordering. Dat ligt anders voor de bestuursleden die de bewoners van het park vertegenwoordigen. Daarmee is sprake van een patstelling; er is geen beslissende stem die zorgt voor een meerderheid voor het besluit om al dan niet verweer te voeren.

Omdat de termijn voor het voeren van verweer in de betreffende procedure dreigt te verstrijken, starten de bestuursleden die de VVE vertegenwoordigen een kort geding en zij vorderen dat de leden die de vof vertegenwoordigen alle noodzakelijke handelingen verrichten die nodig zijn om de stichting in de gelegenheid te stellen verweer te voeren tegen de ingediende vordering.

De Rechtbank Gelderland overweegt dat iedere bestuurder gehouden is tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Daarbij dienen bestuurders zich te richten naar het belang van de rechtspersoon, de stichting in dit geval. Het belang van de stichting is het verkrijgen, beheren en onderhouden van de infrastructuur op het park. Omdat de vordering tot betaling zich tegen de stichting richt, is het in het belang van de stichting daar verweer tegen te kunnen voeren. Bovendien is de Rechtbank Gelderland gebleken dat de bestuursleden die de VOF vertegenwoordigen mogelijk een eigen belang hebben bij de toewijzing van de vordering van € 26.164,51. Nu daarmee sprake is van een tegenstrijdig belang, bepaalt de Rechtbank Gelderland – vooruitlopend op het wetsvoorstel – dat de twee bestuursleden die de VOF vertegenwoordigen geen deel mogen uitmaken van de beraadslaging en besluitvorming omtrent het voeren van verweer tegen de vordering. Resultaat hiervan is dat de stichting verweer kan voeren tegen de vordering van het vijfde bestuurslid.

Heeft u vragen over het wetsvoorstel of een eventueel tegenstrijdig belang? Neem dan contact op met Eveline Bakker.

Casus: het bestuur van een failliete vennootschap treft, buiten de boedel en curator om, een schikking met de schuldeisers. Vervolgens eist de curator betaling van zijn salaris. Over deze zaak liet de Rechtbank Noord-Holland zich onlangs uit (ECLI:NL:RBNHO:2019:7773).

Wat was er gebeurd?

Vennootschap A B.V. gaat failliet. Haar bestuurder en enig aandeelhouder is B B.V. C is middellijk bestuurder van B B.V.

Voorafgaand aan het faillissement van A worden betalingen aan B verricht. De rechtbank oordeelt in 2012 dat B en C hoofdelijk aansprakelijk zijn op grond van onbehoorlijk bestuur, bestaande uit het verrichten van selectieve betalingen. De hoogte van de schade wordt in die procedure niet vastgesteld. Daarvoor worden partijen verwezen naar een schadestaatprocedure. Vooruitlopend op die schadestaatprocedure worden B en C hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een voorschot aan de curator.

In 2017 treffen B en C, buiten de boedel en curator om, een schikking met de schuldeisers van de failliete vennootschap A. De schuldeisers hebben daarop alle ter verificatie ingediende vorderingen ingetrokken. Het gerealiseerde boedelactief in het faillissement is  niet toereikend om het salaris van de curator te voldoen en de curator vordert van B en C betaling van zijn salaris.

Verweer B en C

B en C hebben als meest verstrekkende verweer gevoerd dat de curator in zijn vorderingen niet ontvankelijk dient te worden verklaard. In essentie hebben B en C aan dit verweer ten grondslag gelegd dat inmiddels met alle schuldeisers in het faillissement van A een regeling is getroffen en alle ter verificatie ingediende vorderingen zijn ingetrokken. De curator komt in de onderhavige schadestaat slechts nog op voor de betaling van zijn eigen salaris en niet meer voor de belangen van de gezamenlijke schuldeisers. Aan de curator komt daarom ook geen zogenaamde Peeters/Gatzen-vordering (meer) toe en dient hij in zijn vorderingen niet ontvankelijk te worden verklaard, aldus B en C.

Oordeel rechtbank

De rechtbank oordeelt dat tot het instellen van een Peeters/Gatzen-vordering (in de zin van het arrest van de Hoge Raad van 14 januari 1983 (NJ 1983,597)), de curator uit hoofde van de hem in art. 68 lid 1 Fw gegeven opdracht bevoegd is op te treden indien door een derde onrechtmatig is gehandeld jegens de gezamenlijke schuldeisers van de gefailleerde en ten gevolge van dat onrechtmatig handelen de gezamenlijke schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden zijn benadeeld. Volgens de rechtbank is in het vonnis van 2012 reeds vastgesteld dat de curator een Peeters/Gatzen-vordering jegens B en C toekomt.

Anders dan B en C aanvoeren, brengt de omstandigheid dat zij met de schuldeisers buiten de boedel om een regeling hebben getroffen niet met zich dat daardoor de curator is beroofd van zijn Peeters/Gatzen-vordering. Ook niet indien – zoals hier het geval – de curator in zijn hoedanigheid van boedelcrediteur uitsluitend nog procedeert voor de voldoening van zijn eigen salaris en strikt genomen niet meer ten behoeve van “de gezamenlijke (preferente en concurrente) schuldeisers” die ten tijde van het wijzen van het vonnis in 2012 nog een vordering ter verificatie hadden ingediend. De onderhavige schadestaatsprocedure vloeit immers rechtstreeks voort uit die procedure. De grondslag van de vordering van de curator heeft als gevolg van de sindsdien buiten de boedel om getroffen regelingen geen wijziging ondergaan. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat de curator ontvankelijk is in zijn vorderingen.

Tot slot oordeelt de rechtbank dat causaal verband bestaat tussen de schade en benadeling van de boedel. Voor matiging op grond van art. 6:109 BW is evenmin ruimte, nu hiervoor onvoldoende is gesteld om te concluderen dat de schade tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden.

Slotsom is dat de rechtbank de vordering van de curator toewijst.

Heeft u vragen? Neem contact op met Tim de Vries, advocaat ondernemingsrecht.

Tussen een koper en een verkoper van een bedrijf in lederproducten ontstaat een geschil over een geschonden garantie. De kopende partij wendt zich tot de Ondernemingskamer met het verzoek een enquêteprocedure te starten (ECLI:NL:GHAMS:2019:3262).

Wat is er gebeurd?

De kopende partij vindt dat zij door de verkoper onjuist is voorgelicht tijdens de onderhandelingen over de overname. Kort samengevat is de koper van mening dat de in de boekhouding vermelde waarde van de voorraad te hoog was. Volgens de koper was de incourante voorraad te hoog gewaardeerd en waren onjuiste fysieke tellingen van halffabricaten verricht. In de koopovereenkomst heeft de verkoper de garantie afgegeven dat de voorraden getrouw waren gewaardeerd. Nu dat niet zo blijkt te zijn, heeft ede verkoper een garantie geschonden en dient zij de schade te vergoeden, aldus de koper. De verkoper is het hier niet mee eens.

Enquêteprocedure

De koper gaat naar de Ondernemingskamer. Zij stelt dat sprake is van een geraffineerd systeem van manipulatie van de boekhouding. Daarom zijn er volgens de koper gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid en juiste gang van zaken binnen de vennootschap. Zij verzoekt de Ondernemingskamer om een deskundige te benoemen, die onderzoek zal doen naar het beleid en de gang van zaken. Dit is een zogenoemde enquêteprocedure (art. 2:345 BW). Deze procedure wordt doorgaans ingesteld om conflicten en geschillen binnen een vennootschap te onderzoeken en herstellen, om openheid van zaken te krijgen of om misstanden aan het licht te brengen. De Ondernemingskamer heeft verschillende bevoegdheden en kan bijvoorbeeld bestuurders ontslaan en benoemen of bepaalde besluiten vernietigen.

Volgens de verkoper is sprake van een zuiver vermogensrechtelijk geschil dat niet raakt aan de positie van de vennootschap en het functioneren van haar organen. Een enquêteprocedure is daarom niet de aangewezen route.

Wat zegt de Ondernemingskamer?

De Ondernemingskamer gaat mee in het betoog van de verkoper. Zij is van mening dat de kern van de zaak een geschil over de nakoming van de koopovereenkomst betreft. Een onderzoek naar de feitelijke achtergrond van een dergelijk geschil van vermogensrechtelijke aard behoort in beginsel niet tot de doeleinden van het enquêterecht. Dit is slechts anders indien het vermogensrechtelijke geschil ook de positie van de vennootschap en het functioneren van haar organen raakt. Dat zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn als inderdaad sprake is van een geraffineerd systeem van manipulatie van de boekhouding. Dat dit laatste het geval is, is door de koper echter onvoldoende aannemelijk gemaakt.

De slotsom is dat het verzoek om een enquêteprocedure wordt afgewezen. Wellicht kan de koper zich nog tot de gewone burgerlijke rechter wenden om haar schade te verhalen.

Heeft u vragen? Neem contact op met Tim de Vries, advocaat ondernemingsrecht

In een eerdere blog ben ik ingegaan op de aansprakelijkheid van een bestuurder die aan de vennootschap betaalde voorschotten wegsluisde. In een recente uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2019:5636) ging het om een incassobureau dat geïncasseerd geld niet afdroeg aan de opdrachtgever. Volgens de opdrachtgever is sprake van bestuurdersaansprakelijkheid.

Wat is er gebeurd?

Een autobedrijf geeft in 2011 aan een incassobureau de opdracht om openstaande vorderingen van het autobedrijf op derden te incasseren. Op briefpapier dat het incassobureau gebruikt, staat dat zij gebruik maakt van een derdenrekening. In 2017 zegt het autobedrijf de overeenkomst van opdracht op. Zij verzoekt het incassobureau de lopende dossiers over te dragen en het geïncasseerde geld dat het incassobureau onder zich houdt af te dragen. Het gaat om een bedrag van ongeveer € 40.000,-. Als het incassobureau hier geen gehoor aan geeft, gaat het autobedrijf over tot dagvaarding.

Juridisch kader

Het autobedrijf vordert betaling van zowel het incassobureau als van de bestuurder. Volgens vaste rechtspraak geldt dat indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, uitgangspunt is dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een persoonlijk ernstig verwijt kan sprake zijn als de bestuurder betaling en verhaal frustreert.

Wat oordeelde het hof?

In dit geval had de bestuurder de bedragen die zij voor het autobedrijf had geïncasseerd gebruikt voor de eigen bedrijfsvoering. Personeel werd betaald en tekorten in de bedrijfsvoering werden aangezuiverd. De bestuurder voerde aan dat het een bestuurder van een rechtspersoon in beginsel vrij staat om te kiezen welke schuldeiser van gelijke rangorde eerst wordt betaald en welke later en dat het belang van de onderneming mee kan brengen dat eerst die schuldeisers worden betaald die nodig zijn om het voortbestaan van de vennootschap te waarborgen. Het hof geeft aan dat dit betoog in het algemeen juist is, maar dat de bestuurder in dit geval die keuzevrijheid niet had. De geïncasseerde gelden vormden namelijk geen omzet die het incassobureau had behaald in de zin van een beloning voor verrichte diensten, maar waren bestemd om – na aftrek van een incassovergoeding – aan het autobedrijf te worden afgedragen.

Bovendien heeft het incassobureau ten onrechte een derdenrekening op haar briefpapier vermeld. Een derdenrekening is een aparte bankrekening die via een stichting is afgescheiden van het vermogen van een vennootschap. Als het slecht gaat met de vennootschap, staan bedragen op de derdenrekening veilig en kunnen schuldeisers van de vennootschap zich daar niet op verhalen. Deze derdenrekening bleek het incassobureau niet te hebben, zodat het autobedrijf in de waan werd gelaten dat de geïncasseerde gelden waren afgescheiden van het vermogen van het incassobureau.

De slotsom is dat de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. De bestuurder wordt naast het incassobureau veroordeeld tot betaling van de schade van het autobedrijf.

Heeft u vragen? Neem contact op met Tim de Vries, advocaat ondernemingsrecht.

In een eerdere blog is al uiteengezet wie, of meer specifiek welke aandeelhouder, bevoegd is tot het indienen van een enquêteverzoek. Indien de betreffende vennootschap een geplaatst kapitaal heeft van maximaal 22,5 miljoen is onder andere de houder van aandelen of certificaten van aandelen die samen ten minste 10% van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen, bevoegd een verzoek tot een dergelijk onderzoek in te dienen. Bij een vennootschap met een geplaatst kapitaal van meer dan 22,5 miljoen, ligt deze grens op 1%.

De Ondernemingskamer wijst dit verzoek toe indien sprake is van gegronde redenen om aan een juist beleid en een juiste gang van zaken te twijfelen. Eerder lichtte ik toe dat een verzoek tot enquête – ondanks de aanwezigheid van gegronde redenen – nog steeds kan worden afgewezen.

Indien daadwerkelijk wanbeleid wordt vastgesteld, staat het de Ondernemingskamer vrij voorzieningen te treffen. Een van de voorzieningen die de Ondernemingskamer kan treffen, is de tijdelijke “overdracht van aandelen ten titel van beheer”. Met deze maatregel wordt direct ingegrepen in de verhouding tussen de aandeelhouders. Om die reden wordt deze maatregel bijvoorbeeld toegepast in gevallen waar sprake is van een 50/50 verhouding, zodat de besluitvorming stagneert. Er is dan zogezegd sprake van een patstelling.

Onlangs heeft de Ondernemingskamer zich in een arrest van 30 april 2019 (ECLI:NL:GHAMS:2019:1535) uitgelaten over de bevoegdheden die dan toekomen aan de tijdelijk beheerder van de aandelen. Tussen partijen was in geschil of de beheerder ook daadwerkelijk eigenaar was geworden van de aandelen (met andere woorden: of de aandelen in goederenrechtelijke zin naar het vermogen van de beheerder waren overgegaan).

In dit arrest oordeelt de Ondernemingskamer dat de aandelen die ten titel van beheer zijn overgedragen, geen eigendom van de beheerder zijn geworden. Alleen de vennootschapsrechtelijke rechten gaan van de aandeelhouder over naar de beheerder. Hierbij moet worden gedacht aan bijvoorbeeld het vergaderrecht en het stemrecht. De andere rechten die aan de aandelen zijn gekoppeld, zoals bijvoorbeeld het recht op dividend of bepaalde voorkeursrechten) blijven bij de aandeelhouder zelf. De beheerder is dan ook niet bevoegd over de aandelen te beschikken en eventuele schuldeisers van de beheerder kunnen zich niet op de aandelen verhalen.

Heeft u vragen naar aanleiding van dit onderwerp? Neem dan contact op met Eveline Bakker