Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu

Wanneer je de naam ‘BIG MAC’ hoort dan is de link al snel gelegd met McDonald’s. De iconische hamburger staat al sinds 1996 geregistreerd in het merkenregister van de EU met McDonald’s als eigenaar. Aan deze alleenheerschappij is nu een eind gemaakt. Vorige week oordeelde het Bureau voor Intellectuele Eigendom van de Europese Unie (EUIPO) dat McDonald’s niet langer het alleenrecht heeft op het merk ‘BIG MAC’. De aanval op McDonald’s komt van de veel kleinere Ierse concurrent Supermac’s.

Supermac’s

Supermac’s is een Ierse familie restaurantketen, die tot op heden alleen is gevestigd in Ierland. De naam Supermac’s is ontstaan uit een oude bijnaam van de eigenaar Pat McDonagh. De Ieren zijn van plan om hun restaurantketen uit te breiden op de Europese markt. McDonald’s ziet dit plan echter niet zitten. De naam ‘Supermac’s’ komt volgens de Amerikanen te veel overeen met het woordmerk ‘BIG MAC’ en kan daardoor voor verwarring zorgen bij de consument.

McDonald’s werkt op deze manier de uitbreiding van de Ierse restaurantketen tegen. De Ieren zijn niet van plan om zich zomaar over te geven aan de fastfoodgigant. Zij eisen dat het woordmerk ‘BIG MAC’ wordt ingetrokken. Als onderbouwing voeren zij aan dat McDonald’s gedurende een periode van vijf jaar (2012-2017) niet daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt van het merk voor de waren en diensten waarvoor het is ingeschreven. Op grond van het EU recht kunnen zij op deze grond de intrekking van het woordmerk ‘BIG MAC’ eisen.

Verweer McDonald’s

Tegen dit beroep verweerde McDonald’s zich met een aantal bewijsstukken die moesten aantonen dat gedurende die vijf jaar wel degelijk gebruik is gemaakt van het merk. Als bewijs levert zij onder meer bewijs aan waaruit volgt dat het woord ‘BIG MAC’ terugkomt in veel reclames, evenals de verpakking van de burger, webpagina’s, reclame folders en brochures. Daarnaast stelt zij dat het algemeen bekend is dat miljoenen producten onder de naam zijn verkocht in meerdere lidstaten van de EU. Hiertegen verweert Supermac’s zich door te stellen dat het bewijs niet relevant genoeg is om het daadwerkelijke gebruik van het merk aan te tonen in de relevante tijdsperiode.

Beoordeling EUIPO

In de afweging door de EUIPO over het daadwerkelijke gebruik van een merk moeten alle relevante feiten en omstandigheden worden behandeld. De bewijslast ligt hiervoor bij McDonald’s. De EUIPO geeft aan dat de methoden en middelen voor het verstrekken van relevante bewijsstukken onbeperkt zijn.

Ten aanzien van het bewijs stelt de EUIPO dat, hoewel sommige bewijsstukken refereren naar de relevante tijdsperiode, de omvang en mate van gebruik niet kunnen worden vastgesteld. Zo stelt de EUIPO dat het refereren naar de naam ‘BIG MAC’ op de website niet voldoende is om het daadwerkelijke gebruik aan te tonen. Hiervoor zijn meer gegevens nodig zoals een verwijzing naar de plek, tijd en mate van gebruik. Hoe die gegevens worden verstrekt is aan de partij zelf. Daarnaast stelt de EUIPO dat McDonald’s heeft nagelaten om informatie te verschaffen waaruit het aantal bezoekers van de website kan worden bepaald, evenals het aantal bestellingen dat is gemaakt.

Met betrekking tot de brochures en folders stelt de EUIPO dat niet kan worden vastgelegd op welke wijze de brochures zijn uitgedeeld, aan wie en of het heeft geleid tot een potentiële aankoop.

De EUIPO concludeert op grond van de bovengenoemde redenen dat het beroep op intrekking van het woordmerk ‘BIG MAC’ succesvol is. Het bewijs dat door McDonalds is aangeleverd is onvoldoende toereikend om het daadwerkelijke gebruik van het merk in de relevante tijdsperiode te kunnen aantonen. De Amerikanen zijn tekortgeschoten in het bieden van relevante en harde bewijsstukken.

Hoger beroep

Op grond van de uitspraak van de EUIPO mogen voortaan ook andere bedrijven het woord ‘BIG MAC’ gebruiken. Dankzij deze overwinning kan Supermac’s eindelijk overgaan tot uitbreiding van haar restaurantketen op de Europese markt. McDonald’s is echter vastberaden en gaat in hoger beroep. Het laatste woord over deze strijd is nog niet gezegd.

Teun Pouw
Advocaat IE-/IT-recht en BMM-merkengemachtigde

 

 

 

 

 

 

 

28 januari 2019 is het de Europese Dag van de Privacy. Het doel van deze dag is onder andere om bedrijven en organisaties aan te sporen de bescherming van persoonsgegevens te verbeteren.

Zoals u waarschijnlijk weet, moeten organisaties sinds 25 mei 2018 voldoen aan de nieuwe privacy verordening (AVG). De AVG brengt verschillende verplichtingen met zich mee voor organisaties die persoonsgegevens verwerken, zoals het aanleggen en bijhouden van een verwerkingsregister, het aangaan van verwerkersovereenkomsten, het informeren van betrokkenen over de verwerking van hun gegevens (via een privacy verklaring), het voeren van een goed informatiebeveiligingsbeleid en het eventueel aanstellen van een Functionaris Gegevensbescherming.

Vraagt u zich af of de AVG op uw organisatie van toepassing is, of u voldoende aan de verplichtingen voldoet, of u persoonsgegevens aan andere partijen mag verstrekken, of met wie u een verwerkersovereenkomst dient te sluiten?

In het kader van de Europese Dag van de Privacy organiseren wij een privacy chatsessie. Deze vindt plaats op maandag 28 januari van 10.00 tot 11.00. Richella Soetens (gespecialiseerd in onder andere het privacyrecht) is graag bereid deze en al uw overige privacy gerelateerde vragen te beantwoorden.

Deelname aan deze chatsessie is vrijblijvend en kosteloos. Bent u geïnteresseerd? Neem dan eens een kijkje op onze pagina!

De Autoriteit Persoonsgegevens heeft kenbaar gemaakt dat zij bij verschillende zorginstellingen, waaronder bloedbanken en IVF-klinieken, het privacybeleid heeft opgevraagd. Het opstellen van een privacybeleid is niet voor alle organisaties verplicht. Wanneer bestaat deze wettelijke verplichting nu wél en waar moet een privacybeleid aan voldoen? In deze kennisblog wordt nader op deze vragen ingegaan.

Als u in de AVG zoekt naar de term “privacybeleid” zult u die niet tegenkomen. In de AVG wordt gesproken over “gegevensbeschermingsbeleid”. Het opstellen van een gegevensbeschermingsbeleid is op grond van artikel 24 lid 2 AVG verplicht “wanneer zulks in verhouding staat tot de verwerkersactiviteiten”. “Wanneer zulks in verhouding staat” is volgens de toelichting op de wet is dit afhankelijk van de aard, de omvang en het doel van de gegevensverwerking. Zorginstellingen zijn in beginsel verplicht een privacybeleid op te stellen.

Welke eisen worden nu aan een privacybeleid gesteld? De wet zelf bevat geen opsomming van eisen waaraan het privacybeleid moet voldoen. Uit artikel 24 lid 1 AVG valt af te leiden dat het privacybeleid moet kunnen aantonen dat u persoonsgegevens verwerkt conform de wet. Wat betekent dit nu concreet? Dit betekent dat u in het beleid in ieder geval de volgende informatie dient op te nemen:

Indien zorginstellingen geen privacybeleid hebben dat voldoet aan bovengenoemde eisen, dan overtreden zij de wet en riskeren zij een boete. Bent u verantwoordelijk voor privacy bij een zorginstellingen en heeft u nog geen privacybeleid dan wel heeft u vragen over de inhoud van het privacybeleid, neem dat contact op met Natascha van Duuren, partner IT, IE & privacy, n.vanduuren@declercq.com of 06-54983766. Wilt u op de hoogte worden gehouden van alle ontwikkelingen op het gebied van zorg? Meld u dan hier aan voor de De Clercq Zorg Nieuwsbrief.

Minister Bruins heeft in een brief aan de Tweede Kamer laten weten dat hij zorginstellingen stapsgewijs gaat verplichten om op een eenduidige manier digitale gegevens met elkaar uit te wisselen. Goede en tijdige informatie-uitwisseling met de patiënt en tussen zorgaanbieders is volgens hem nodig voor een goede kwaliteit van zorg. Lees hier de hele brief. Uiterlijk 1 april 2019 zal de minister een plan van aanpak naar de Tweede Kamer sturen.

Zorgproces voor zorgproces zal worden gedigitaliseerd. Met digitalisering bedoelt de minister dat de uitwisseling van informatie tussen zorgverleners die bij dat zorgproces betrokken zijn digitaal verloopt. Hij geeft daarbij zelf aan dit “veel werk” is. De zorg is immers groot en divers en bovendien spreken alle beroepsgroepen hun eigen taal.

In het plan van aanpak zal een roadmap worden opgenomen met daarin zorgprocessen waarin prioriteit is verleend. De NICTIZ heeft inmiddels een eerste prioritering aangebracht, te weten:

Het is niet alleen voor zorgaanbieders betrokken bij vorenbedoelde zorgprocessen van belang om op de hoogte te blijven van de ontwikkelingen, maar ook voor ICT-leveranciers. Zo zullen ICT-aanbieders in de zorg ervoor moeten zorgen dat hun systemen  open en toegankelijk zijn en uitwisselbaarheid van gegevens mogelijk maakt.

De Clercq heeft een zorgteam dat alle ontwikkelingen op de voet volgt, onder meer op het gebied van ICT en privacy. Wilt u op de hoogte blijven? Meld u dan aan voor onze De Clercq Zorg Nieuwsbrief. Voor meer informatie over gegevensuitwisseling in de zorg, neem contact op met Natascha van Duuren, n.vanduuren@declercq.com of 06-54983766.

De nieuwe voorjaarscollectie voor kinderen van HEMA bevatte in 2018 onder andere het hiernaast afgebeelde kinderondergoed. Het betreft een grijze onderbroek en een grijs hemdje met daarop meerdere krokodillen afgebeeld. Daarnaast verkoopt HEMA ook een blauw hemdje met daarop één afbeelding van een wat grotere krokodil.

Lacoste meent dat HEMA met het op de markt brengen van voornoemde artikelen inbreuk maakt op haar merkrecht, te weten het bekende krokodil-beeldmerk van Lacoste.  De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag is het daarmee niet eens[1].

Het marktonderzoek van Lacoste

Lacoste voert onder andere aan dat zij een marktonderzoek heeft laten verrichten door een externe partij. In dit marktonderzoek zijn op vier verschillende plaatsen in Nederland willekeurige voorbijgangers op straat ondervraagd. De respondenten kregen foto’s in A4 formaat te zien van de verschillende HEMA artikelen en kregen de vraag aan welk merk de kledingstukken hen deed denken en waarom. De percentages lopen uiteen maar globaal lijkt ongeveer de helft van de ondervraagden het Lacoste merk te herkennen in de door HEMA afgebeelde krokodil.

De voorzieningenrechter acht het noodzakelijk beide producten los van elkaar te beoordelen en splitst deze uit in “het grijze setje” en “het blauwe hemdje”.

Het grijze setje

Ten aanzien van het eerste product stelt de rechter dat de reptielen zodanig zijn aangebracht dat het oog niet wordt getrokken naar individuele reptielen maar naar de “zee aan dieren” als geheel. Tevens is het niet vreemd om ondergoed voor jonge kinderen te decoreren met afbeeldingen van dieren. De krokodillen moeten dus niet als merkgebruik worden gezien maar enkel als versiering.

Ten aanzien van het marktonderzoek merkt de rechter op dat dit niet is uitgevoerd onder het relevante publiek. De vragen zouden moeten worden gesteld aan (groot)ouders met kinderen in de relevante leeftijdscategorie, niet aan iedere willekeurige voorbijganger. Ook zijn de vragen naar het oordeel van de rechter te sturend waardoor veel mensen automatisch uitkomen op Lacoste in hun beantwoording.

De rechter oordeelt dan ook ten aanzien van het “het grijze setje” dat geen sprake is van merkinbreuk. Bovendien is het niet evident dat HEMA heeft willen profiteren van het Lacoste-merk.

Het blauwe hemdje

Juist omdat het bij het blauwe hemdje om één wat groter afgebeelde krokodil gaat, is de rechter van mening dat een deel van het publiek een verband zal leggen met de bekende Lacoste merken. Maar een enkele herkenning is niet voldoende. Het criterium luidt dat sprake moet zijn van een teken dat gelijk is aan of overeenstemt met het merk én dat gebruikt wordt voor dezelfde waren of diensten. Alleen dan kan gevaar voor verwarring bestaan.

De rechter meent dat hoewel de totaalindruk van beide krokodillen wel degelijk ongeveer gelijk is, het relevante publiek in redelijkheid niet kan menen dat het HEMA-hemdje afkomstig is van Lacoste. Er is dus geen sprake van verwarringsgevaar. Dit is helemaal het geval nu HEMA überhaupt geen producten van andere merken verkoopt. Ook van verwarring na de aankoop kan volgens de rechter geen sprake zijn, aangezien ondergoed voor derden veelal niet zichtbaar is. Ook deze vordering wordt dus door de rechter afgewezen.

Overigens is de HEMA afgelopen jaren vaker gestuit op IE-kwesties. Zo stond het bedrijf al eens tegenover Ilja Gort[2] inzake een wijnetiket en tegenover Levi Strauss[3] inzake stiksels van zakken op spijkerbroeken. Dit laat maar weer eens zien dat marketing- en productie-/designafdelingen er goed aan doen steeds samen op te trekken.

Teun Pouw
Advocaat IT-/IE-recht en BMM-merkengemachtigde

Over de bewaartermijn van loggegevens in de zorg bestaat veel onduidelijkheid. Moeten deze gegevens net zo lang bewaard blijven als het medisch dossier zelf (thans doorgaans 15 jaar) of kan voor loggegevens een kortere bewaartermijn worden aangehouden? De loggegevens zelf bevatten geen medische gegevens, maar zeggen enkel iets over wie wanneer inzage heeft gehad in het medisch dossier. Dagblad Trouw berichtte gisteren dat zorginstellingen het over deze kwestie niet eens kunnen worden. De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) zullen daarom de knoop doorhakken.

In art. 5 lid 2 van het Besluit elektronische gegevensverwerking door zorgaanbieders is opgenomen dat vertegenwoordigende organisaties van zorgaanbieders en patiënten in overleg met de AP de bewaartermijn voor logging zullen vaststellen. Volgens dit artikel moeten zij dit bekendmaken in de Staatscourant binnen 6 maanden na de inwerkingtreding van het besluit. Doen zij dat niet binnen die termijn, dan zal de minister van VWS een bewaartermijn vaststellen.

Het besluit is op 1 januari 2018 in werking getreden. De bewaartermijn voor logging zou inmiddels dus bekend moeten zijn. Dit is echter niet het geval. Uit het bericht in Trouw valt op te maken dat de zorgaanbieders het hierover niet eens kunnen worden. Nu is het dus de beurt aan VWS en de AP.

Overigens is het de vraag of VWS en de AP er wel in zullen slagen het over deze kwestie snel eens te worden. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot wijziging van de regeling over de geneeskundige behandelingsovereenkomst, spreekt de regering bijvoorbeeld de voorkeur uit voor een bewaartermijn van vijf jaar:

“Voor de data die bij ‘logging’ worden opgeslagen wordt voorgesteld om een kortere bewaartermijn te hanteren dan de voorgestelde 20 jaar voor het medisch dossier. Een langere bewaartermijn wordt niet proportioneel geacht gezien de enorme hoeveelheid data die bij ‘logging’ worden opgeslagen. Daarbij speelt mee dat data die bij de ‘logging’ wordt opgeslagen, ook minder relevant zijn voor bijvoorbeeld het onderbouwen van een vordering tot schadevergoeding naar aanleiding van een vermeende medische fout. Een bewaartermijn van ongeveer vijf jaar voor logginggegevens is daarom passender.”

In het advies dat de AP eerder gaf over datzelfde wetsvoorstel, opteert de AP juist voor een bewaartermijn gelijk aan de bewaartermijn voor het medisch dossier:

“De keuze voor een kortere bewaartermijn voor logginggegevens wordt (…) gemotiveerd door te wijzen op de enorme hoeveelheid data die bij logging worden opgeslagen en door te stellen dat dergelijke data ook minder relevant zullen zijn voor het onderbouwen van een vordering tot schadevergoeding naar aanleiding van een vermeende fout. De AP merkt op dat de relevantie van (bewaring van) logginggegevens toch primair is gelegen in de mogelijkheid om te controleren of de raadpleging, toevoeging of wijziging van gegevens in het medisch dossier beperkt is gebleven tot degenen die daartoe –vanwege hun rol/functie in de uitvoering van de behandelingsovereenkomst met de patiënt –bevoegd zijn. De AP adviseert om dat belang (controle rechtmatigheid toegang tot medisch dossier) centraal te stellen en leidend te laten zijn bij de bepaling van de bewaartermijn voor die logginggegeven en daarbij niet ook allerlei andere, secundaire overwegingen op de voorgrond te plaatsen. Een en ander impliceert dat de bewaartermijn voor het medisch dossier ook maatgevend is voor de logginggegevens, tenzij er zwaarwegende argumenten aanwezig zijn om daarvan af te wijken.”

Kortom, het is spannend wat het nu gaat worden. Volgens het artikel in Trouw wil de minister in de eerste helft van 2019 duidelijkheid bieden.

Lees hier ook een eerder blog over logging in de zorg.

Vorige week is door Natascha van Duuren en Victor de Pous tijdens KNVI Smart Humanity 2018 in het Eye Filmmuseum Amsterdam het eerste exemplaar van het boek “Multidisciplinaire aspecten van blockchain” uitgereikt aan de voorzitters van het KNVI.

Deze unieke bundel pakt het complexe thema “Blockchain” multidisciplinair op. Samen met interne deskundigen (uit Special Interest Groups en afdelingen) heeft de Special Interest Group IT-Recht zowel de maatschappelijke, technische als juridische kant van blockchain belicht. Dit was geen sinecure, want het onderwerp blockchain is abstract, technisch complex en bovendien volop in ontwikkeling. Tegelijkertijd moeten de gevolgen zich nog uitkristalliseren.

Wat dit boek bijzonder maakt en onderscheidt van andere publicaties over blockchain, is de multidisciplinaire – maatschappelijke, technische en juridische – benadering. Blockchain is bij uitstek een onderwerp dat een dergelijke, brede benaderingswijze vereist. Niet alleen liggen er talloze vraagstukken en uitdagingen op het gebied van techniek, maatschappij en wet- en regelgeving. Ook vragen kennis-, vaardigheids- en gedragscompetenties (digitale skills) een gerichte aanpak om blockchain-technologie een reële kans te bieden bij het vervullen van de baanbrekende rol, die velen voor ogen hebben.

Met deze bundel kunnen degenen die al met blockchain bezig zijn of overwegen de technologie voor hun organisatie in te zetten, hun voordeel doen. Daarnaast biedt het werk achtergronden en aanknopingspunten voor politici, die met beleidsvragen in dit domein worden geconfronteerd.

Deze bijzondere bundel over een fascinerende en uiterst actuele technologie is vanaf nu te bestellen via info@delex.nl.

Natascha van Duuren is advocaat/partner IT, IE & Privacy. Daarnaast is zij voorzitter van de Special Interest Group (SIG) IT-recht van het KNVI. Zij publiceert onder andere via ons kennisblog, en wordt als expert op het gebied van IT- en Privacyrecht regelmatig gevraagd als spreker voor lezingen en congressen. Heeft u vragen over dit onderwerp? Neem dan direct contact op!

Een onderwijsinstelling kondigde een aanbesteding aan voor het beheer en onderhoud van een datacentrum, alsmede voor werkplekondersteuning.

Na beoordeling van de inschrijvingen, geeft de onderwijsinstelling aan voornemens te zijn om te gunnen aan de zittende inschrijver ITS IT-services. Een van de verliezende inschrijvers, Actacom Nederland, is het hiermee oneens. Ook een vrijwillige herbeoordeling door de onderwijsinstelling stelt Actacom niet tevreden en zij start een procedure.

‘goed’ vs ‘zeer goed’?

Actacom meent namelijk dat de beoordelingscommissie haar taak niet op de voorschreven wijze heeft verricht. Het aanvechten van de inhoudelijke beoordeling heeft vaak weinig effect, zo legt ook de Haagse voorzieningenrechter in deze zaak uit (klik):

“Aan de aangewezen beoordelingscommissie, waarvan de deskundigheid in beginsel moet worden aangenomen, moet dienaangaande de nodige vrijheid worden gegund, mede waar van een rechter niet kan worden verlangd dat deze specifieke deskundigheid bezit op het gebied van het onderwerp van de opdracht. In beginsel is het derhalve niet aan de voorzieningenrechter om kwalificaties als ‘voldoende’, ‘ruim voldoende’, goed’ of ‘zeer goed’ aan onderdelen van de inschrijving te verbinden. Slechts wanneer sprake is van een onbegrijpelijke beoordeling, dan wel procedurele of inhoudelijke onjuistheden/onduidelijkheden, die zouden kunnen meebrengen dat de gunningsbeslissing niet deugt, is plaats voor ingrijpen door de rechter.”

Een overweging die in de jurisprudentie op veel plekken kan worden teruggevonden.

Samenstelling beoordelingsteam

Verder was Actacom het er niet mee eens dat de herbeoordeling had plaatsgevonden door een gewijzigd beoordelingsteam. De rechter volgde dit standpunt niet. Herbeoordeling had plaatsgevonden door hetzelfde team, echter voorzien van adviseurs. Nu deze adviseurs geen punten hebben toegekend, is niet in strijd met het aanbestedingsdocument gehandeld. Ook dit argument mocht dus niet baten en daarmee kon de opdracht definitief worden gegund aan ITS IT-services.

Menno de Wijs, advocaat aanbestedingsrecht

De Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) bevat een aantal verplichtingen voor organisaties die belast zijn met grootschalige verwerking van bijzondere persoonsgegevens en dit als kerntaak hebben. Deze organisaties moeten verplicht een functionaris voor gegevensbescherming (FG) aanstellen en in bepaalde gevallen een zogeheten Data Protection Impact Assessment (DPIA) doen. In de zorg hebben organisaties vrijwel altijd als kerntaak het verwerken van bijzondere persoonsgegevens omdat zij medische gegevens verwerken.

Eerdere uitleg voor deel van de zorgsector

Zoals ook in deel 4 van de reeks ‘Privacy in de zorg’ besproken, heeft de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) in mei 2018 al uitleg gegeven over het begrip ‘grootschalig’ voor een deel van de zorgsector. Zo verduidelijkte de AP dat voor ziekenhuizen, zorggroepen, huisartsenposten en apotheken (behalve als er sprake is van een solistisch werkende zorgverlener) de verwerking van bijzondere gegevens altijd grootschalig is. De verwerking van persoonsgegevens door huisartsenpraktijken en instellingen voor medisch specialistische zorg, niet zijnde ziekenhuizen, was volgens de AP enkel grootschalig in het geval het gaat om meer dan 10.000 patiënten én de gegevens van deze patiënten in één informatiesysteem staan. Op overige zorgaanbieders achtte de AP het criterium van minimaal 10.000 patiënten niet van toepassing. Deze organisaties moesten zelf (aan de hand van 4 factoren) beoordelen of de gegevensverwerking grootschalig is en beargumenteren of zij al niet dan verplicht zijn een FG aan te stellen en een DPIA uit te voeren.

Nadere duiding voor alle zorgaanbieders

De AP heeft nu ook verduidelijking willen bieden voor deze laatste groep overige zorgaanbieders en is met een nadere (eenduidigere) uitleg van het begrip ‘grootschalig’ gekomen.

Ten aanzien van ziekenhuizen, huisartsenposten en zorggroepen geldt nog steeds dat de verwerking van bijzondere persoonsgegevens volgens de AP altijd grootschalig is, ongeacht het aantal patiënten.

Voor alle overige zorgaanbieders geldt nu – anders dan het eerdere standpunt – het criterium van minimaal 10.000 patiënten. De AP acht een verwerking grootschalig als de zorgaanbieder meer dan 10.000 patiënten heeft ingeschreven óf als er gemiddeld meer dan 10.000 patiënten per jaar worden behandeld én de gegevens van deze patiënten in één informatiesysteem staan.

Wat betreft apotheken meldt de AP nog expliciet dat verwerking van persoonsgegevens door apothekers al gauw als grootschalig wordt gezien omdat apotheken gemiddeld genomen veel patiënten bedienen en met veel andere zorgaanbieders gegevens uitwisselen in het kader van de behandeling. Daarom zou het volgens de AP goed zijn als apotheken een FG hebben. Anders dan de eerdere uitleg waarin verwerking van bijzondere gegevens door apotheken altijd grootschalig werd geacht, ziet de AP het nu – net als bij andere zorgaanbieders – niet als grootschalig als er minder dan 10.000 betrokkenen in het systeem van de apotheek zijn ingeschreven.

Aanstellen FG

Duidelijk is nu dus dat iedere zorgaanbieder een FG dient te hebben indien er meer dan 10.000 patiënten ingeschreven staan of per jaar worden behandeld. Bij een kleinere omvang is er weliswaar volgens de AP geen sprake van grootschalige verwerking van persoonsgegevens, maar adviseert zij wel vrijwillig een FG aan te stellen.

Dit laat overigens onverlet dat een zorgaanbieder die verantwoordelijke is voor een “elektronisch uitwisselingssysteem” verplicht is een FG aan te stellen. Deze verplichting vloeit (al) voort uit het “Besluit elektronische gegevensverwerking door zorgaanbieders”. Dit besluit geldt per 1 januari 2018.

Richella Soetens, advocaat IT, IE & Privacy

Intro

Meneer Philips die een armaturenwinkel wil beginnen, Calvin Klein die sieraden wil gaan verkopen en mevrouw Michelin die wieldoppen wil gaan produceren. Het idee om (eigen) namen als merken te gebruiken is zeer gebruikelijk, maar mag dit ook als er al een eerder bekend merk is met dezelfde naam? Het Hof van Justitie van de Europese Unie (“HvJ EU”) heeft recent antwoord op deze vraag gegeven.

In 2008 en 2009 heeft meneer Kenzo Tsujimoto verschillende verzoeken ingediend bij het EUIPO om zijn woordmerk KENZO ESTATE als merk in te schrijven. Tegen deze inschrijving heeft kledingmerk Kenzo, houder van het woordmerk KENZO, oppositie ingesteld. Uiteindelijk is deze zaak op het bord van het HvJ EU gekomen. Het Hof heeft geoordeeld dat de houder van het merk KENZO het gebruik van het merk KENZO ESTATE niet hoeft te tolereren. Beide merken kunnen derhalve niet naast elkaar bestaan[1].

Inhoud

Het HvJ EU sluit in haar arrest aan bij de conclusie van de Advocaat Generaal [2] die al eerder zijn visie op de zaak heeft gegeven. In deze conclusie stelt de AG dat het feit dat de classificaties van beide inschrijvingen niet overeenstemmen niet van belang is nu het om een bekend merk gaat.  Ook heeft KENZO voldoende aangetoond dat er sprake is van schade aan haar oudere merk nu KENZO ESTATE mee zou gaan liften op het succes van haar bekende merk.

De bal lag nu bij Kenzo Tsujimoto. Hij diende te bewijzen dat hij niettemin een geldige reden heeft om KENZO ESTATE te laten inschrijven. Wanneer een dergelijke geldige reden is bewezen, wordt de houder van het bekende merk, in dit geval KENZO, verplicht het gebruik van het daarmee overeenstemmende merk te dulden. Kenzo Tsjujimoto voert als geldige reden aan dat “Kenzo” zijn voornaam is en dat hij dus gerechtigd is deze als merk in te schrijven.

Het Hof verwerpt dit argument en volgt de conclusie van de A-G. Het aangevraagde merk zal hoogst waarschijnlijk voordeel trekken uit het oudere merk. Het gebruik van enkel de voornaam van Kenzo binnen het merk KENZO ESTATE volstaat niet als gebruik met geldige reden. Immers, zo redeneert de A-G: “een dergelijk gebruik automatisch kenschetsen als een gebruik met geldige reden, zou betekenen dat ieder ouder merk dat een naam omvat zijn wezenlijke functie zou verliezen”.

Tot slot past het Hof een belangenweging toe die uitvalt in het voordeel van het eerdere en bekende merk KENZO.

Ten slotte

Net als voor meneer Tsujimoto zal het ook voor de fictieve personages in de openingszinnen hierboven lastig worden om hun merk geregistreerd te krijgen. Immers zullen ook zij zich niet met succes kunnen beroepen op het feit dat hun naam zorgt voor een “geldige reden”. Bij het kiezen van een merknaam doet u er verstandig aan goed te laten onderzoeken of een dergelijke naam niet al door een andere partij in gebruik is. Wij kunnen u hierbij helpen.

Teun Pouw
Advocaat IE-/IT-recht en BMM-merkengemachtigde

[1] http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=202343&pageIndex=0&doclang=NL&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=1307921

[2] http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=197539&doclang=NL