Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu

Eerder heb ik al eens geblogd over de mogelijkheden met betrekking tot optreden tegen onrechtmatige publicaties. Anno 2018 is het onderwerp nog altijd even actueel en zijn de belangen misschien wel nóg groter. Enkel in de afgelopen week heeft Sylvie Meis haar voormalig beste vriendin, Sabia Boulahrouz, aangeklaagd wegens onrechtmatige uitingen en heeft strafadvocaat Gerald Roethof zich beklaagd over de beperkingen die waren opgelegd in het kader van de spraakmakende zaak omtrent Nicky Verstappen. Volgens Roethof werd zijn cliënt (door de beperkingen) ‘als een monster neergezet’, omdat politie, justitie en de familie van Verstappen veel over de zaak naar buiten hebben gebracht, terwijl hij dat niet mocht. In deze zaken wordt weliswaar (nog) niet direct opgetreden tegen de vermeende onrechtmatige publicaties, maar zij weerspiegelen wel de actualiteit en het belang van dit onderwerp.

De rechtbank Midden-Nederland heeft recentelijk uitspraak gedaan in een zaak tegen een onrechtmatige publicatie. In de zaak vordert de eiser verbod en rectificatie van een uitzending van ‘opgelicht!’ (een programma van de AVROTROS). Tevens vordert hij schadevergoeding, omdat (volgens hem) zijn privacy is geschonden. Uit mijn vorige blog bleek dat de rechter alvorens het eventueel verbieden van een publicatie een afweging zal maken tussen het recht op eerbiediging van het privéleven (art. 8 EVRM) enerzijds en het recht op persvrijheid (art. 10 EVRM) anderzijds. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is er geen hiërarchie tussen de genoemde grondrechten. In elk concreet geval zal de afweging gemaakt moeten worden welk grondrecht dient te prevaleren, rekening houdende met alle omstandigheden van het geval. Wel is een niet-limitatieve lijst samen te stellen van relevante omstandigheden die voortvloeien uit de rechtspraak. Enkele van deze omstandigheden komen ook  in de voornoemde uitspraak aan bod.

In de zaak stelt de eiser allereerst dat de uitzending onrechtmatig is, omdat hij hierin (meermaals) wordt beschuldigd van oplichting. Volgens hem vinden deze beschuldigingen onvoldoende steun in het beschikbare feitenmateriaal. De rechtbank gaat hier echter niet in mee, omdat eiser zelf heeft aangeboden om nadere informatie te verstrekken, maar dit vervolgens heeft nagelaten. AVROTROS heeft nog laten weten deze informatie graag te willen ontvangen in het kader van wederhoor. De uitlatingen worden niet als onnodig grievend gekwalificeerd, omdat het voldoende steun vindt in de feiten. Bovendien geeft AVROTROS alleen de meningen van anderen weer, zonder daarmee haar eigen mening te verkondigen.

Vervolgens stelt de eiser dat de uitzending onrechtmatig is, omdat er heimelijke opnames zijn gemaakt. Ook hierin gaat de rechtbank niet mee. De heimelijk opgenomen beelden duren niet langer dan twee seconden. Bovendien komt de eiser, in de uitzending, uitgebreid in beeld tijdens een (vrijwillig) interview. Ten slotte voert de eiser aan dat zijn privacy is geschonden, omdat in de uitzending een foto van zijn dochters wordt getoond. De rechtbank gaat hier wederom niet in mee. De foto werd (in de uitzending) getoond om inzicht te geven in de handelspraktijk van de eiser. Eiser had de foto immers toegestuurd naar een van zijn relaties om in te spelen op zijn gevoel. Met het zenden van de foto hoopte de eiser namelijk dat zijn relatie sneller over zou gaan tot betaling van een geldbedrag. Daar komt bij dat de gezichten van de dochters in de uitzending werden afgeschermd, waardoor zij niet snel zullen worden herkend. Met inachtneming van al deze omstandigheden, heeft de rechtbank geoordeeld dat het recht op vrije meningsuiting van AVROTROS zwaarder weegt dan het recht van de eiser op bescherming van zijn eer en goede naam, alsook zijn privacy.

Samenvattend

De vordering werd door de eiser ingesteld na de publicatie. Tegen een onrechtmatige publicatie kan echter ook vóór de publicatie in rechte worden opgetreden. Dan moet je uiteraard wel op de hoogte zijn van de aanstaande publicatie en de (te verwachten) inhoud. De slagingskans is steeds afhankelijk van de specifieke omstandigheden, waarbij aldus geen hiërarchie bestaat tussen de artikelen 8 en 10 EVRM. Derhalve zal de rechter iedere keer opnieuw een afweging moeten maken, waarbij hij rekening houdt met de omstandigheden van het geval. In de onderhavige zaak viel deze afweging aldus uit in het voordeel van het programma opgelicht! van AVROTROS.

Teun Pouw (advocaat IE/IT-recht en BMM-merkengemachtigde)

In 2013 heb ik meegeschreven aan een artikel “Juridische aspecten van patiëntportalen” dat gepubliceerd is in de Automatiseringsgids. Op dat moment waren er ruim 40 patiëntportalen in de lucht. De verwachting was destijds dat dit aantal de komende jaren snel zou toenemen. Uit recente cijfers van Nictiz blijkt dat inmiddels twee op de drie ziekenhuizen beschikt over een patiëntportaal. Wat zijn nu de juridische aandachtspunten van het gebruik van een patiëntportaal? Hieronder worden ze nogmaals op een rij gezet.

Het juridisch kader rondom medische gegevens is complex. Wilt u meer weten? Neem dan contact op met onze specialisten!

Natascha van Duuren, advocaat IT, IE & Privacy

Het behoeft geen betoog dat in de zorg op grote schaal privacygevoelige persoonsgegevens worden verwerkt. Deze gegevens worden ook per e-mail verzonden. Aan het gebruik van e-mail in de zorg worden in de nabije toekomst eisen gesteld. Het gebruik van conventionele mail zonder passende technische en organisatorische maatregelen zal dan niet meer toegestaan zijn.

De NEN gaat een veldnorm ontwikkelen voor veilige e-mail in de zorg. Zo valt te lezen in het tijdschrift Zorgvisie.

Conventionele e-mail zonder passende technische en organisatorische maatregelen voldoet volgens de NEN niet aan de eisen die voortvloeien uit de AVG. Dat is de reden dat op 10 oktober 2018 het project Veilige mail wordt gestart door het Informatieberaad Zorg.

Uit de norm zullen concrete eisen voortvloeien waar e-mailsystemen aan moeten voldoen. Dit onder meer om de beschikbaarheid, integriteit en vertrouwelijkheid van mails te kunnen garanderen. Volgens het artikel in Zorgvisie zal in de veldnorm ook aandacht worden besteed aan de gebruikersvriendelijkheid. Hierdoor wordt gestimuleerd dat het systeem ook daadwerkelijk zal worden gebruikt.

Op welke termijn gebruik van de conventionele mail niet meer toegestaan is, is nog niet bekend. Wij houden u op de hoogte.

Natascha van Duuren, advocaat IT, IE & Privacy

Het Europees Comité voor gegevensbescherming heeft tijdens haar eerste sessie op 25 mei 2018 twee nieuwe richtlijnen aangenomen. Een van die richtlijnen gaat over de doorgifte van persoonsgegevens vanuit de Europese Unie naar landen daarbuiten. Met behulp van de richtlijnen kan beter worden beoordeeld of een doorgifte is toegestaan in een ‘specifieke situatie’ zoals bedoeld in artikel 49 AVG.

De AVG kent een streng regime voor de doorgifte van persoonsgegevens vanuit de EU naar landen daarbuiten. Daarmee heeft de Europese wetgever willen voorkomen dat de effectiviteit van de rechtsbescherming die de AVG aan Europese burgers biedt, eenvoudig zou kunnen worden omzeild door persoonsgegevens buiten de Europese Unie op te slaan en te verwerken.

Dit regime kent een ‘getrapte’ systematiek. Biedt een derde land naar het oordeel van de Europese Commissie een passend beschermingsniveau, dan mogen persoonsgegevens zonder meer worden doorgegeven aan die landen. Zo niet, dan zijn passende waarborgen nodig. Een overeenkomst tussen overheidsinstanties kan een passende waarborg zijn, maar ook bijvoorbeeld de door de Europese Commissie vastgestelde standaardcontractbepalingen kunnen dit zijn. Is ook geen sprake van passende waarborgen, dan komt men uit bij de specifieke situaties van artikel 49 AVG.

Nu is artikel 49 AVG een vrij onduidelijk geschreven artikel. Richtlijnen voor de uitleg daarvan zijn dus zeer welkom.

Het Comité bevestigt in de richtlijnen allereerst deze getrapte systematiek. Artikel 49, zo maakt het Comité duidelijk, is echt bedoeld als een uitzondering op de regel dat voor doorgifte van persoonsgegevens aan derde landen een passend beschermingsniveau of passende waarborgen nodig zijn. De specifieke uitzonderingen moeten daarom restrictief worden uitgelegd.

Voorts verheldert het Comité dat een doorgifte die noodzakelijk is voor de uitvoering van een overeenkomst (sub b en c) of voor een rechtsvordering (sub e), alleen is toegestaan voor zover die doorgifte ‘incidenteel’ is. Dat staat weliswaar niet met zoveel woorden in artikel 49 AVG, maar volgt volgens het Comité wel uit een van de rechtsoverwegingen bij de AVG.

Tot slot benadrukt het Comité dat de uitzondering genoemd in de tweede alinea van lid 1 een laatste redmiddel is, dat pas in beeld mag komen nadat alle andere specifieke situaties de revue zijn gepasseerd en ontoereikend zijn gebleken. De verwerkingsverantwoordelijke moet dan ook kunnen aantonen dat hij geprobeerd heeft om de doorgifte te baseren op een van de hoofdregels of op een van de andere specifieke uitzonderingen van art. 49 AVG. Pas als dat allemaal niet lukt, mag de doorgifte eventueel op deze restgrond worden gebaseerd.

Jeroen van Helden, advocaat IT, IE & Privacy

Mag een foto die zonder beperkingen en met toestemming van de rechthebbende op een website vrij toegankelijk was, worden overgenomen op een andere website? Over die vraag heeft het Europese Hof van Justitie zich onlangs in de ‘Cordoba-zaak’ uitgelaten.

Mededeling aan het publiek

In beginsel is voor het online plaatsen van auteursrechtelijk beschermde content toestemming van de rechthebbende vereist. Indien het zonder toestemming plaatsen van beschermde content een zogeheten ‘mededeling aan het publiek’ betreft, kan er sprake zijn van auteursrechtinbreuk. Daarbij is het van belang of er een ‘nieuw’ publiek wordt bereikt.

Publiceren van werkstuk met foto op schoolwebsite

In deze zaak had een fotograaf toestemming gegeven om zijn foto van de Spaanse stad Cordoba op een reiswebsite te publiceren. Een middelbare scholier downloadde deze foto en nam het op in een werkstuk (met verwijzing naar de reiswebsite). De school plaatste het werkstuk (inclusief de foto) vervolgens op haar website. De fotograaf maakte daar bezwaar tegen en stelde dat hij alleen toestemming had gegeven voor de reiswebsite, zodat het uploaden van zijn foto op de schoolwebsite inbreuk op zijn auteursrecht maakt.

Overnemen foto niet toegestaan

Volgens het HvJ is hier sprake van een mededeling aan een nieuw publiek. Dit, omdat de fotograaf enkel de internetgebruikers van de reiswebsite in aanmerking nam toen hij toestemming verleende en niet de gebruikers van de schoolwebsite, of andere internetgebruikers. Met het plaatsen van de foto op de schoolwebsite is volgens het HvJ dus een nieuw publiek bereikt.

Hyperlinken toegestaan, overnemen content niet

Het HvJ is in deze zaak uitdrukkelijk tot een andere conclusie gekomen dan in de eerdere Svensson en Bestwater arresten. Daarin is geoordeeld dat hyperlinken (of embedded linken) naar een website waar de content oorspronkelijk rechtmatig beschikbaar is gesteld, geen mededeling aan een nieuw publiek betreft (en dus is toegestaan). Het HvJ overwoog dat de content op die website al met toestemming voor het algemene internetpubliek vrij beschikbaar was.

Volgens het HvJ wijkt hyperlinken af van het overnemen van content op een andere website. Het hof geeft daarbij onder andere aan dat het overnemen van content, anders dan hyperlinks, niet bijdraagt tot de goede werking van het internet. Ook acht het HvJ het van belang dat anders dan bij het gebruik van een hyperlink, de content op de nieuwe website beschikbaar blijft indien de rechthebbende besluit om de content van de oorspronkelijke website te verwijderen. Dit verklaart naar mijn idee echter niet waarom in het kader van hyperlinken het algemene internetpubliek als doelgroep van de oorspronkelijke mededeling werd beschouwd en bij het overnemen van content dat vrij beschikbaar was, enkel de gebruikers van de oorspronkelijke website.

Hoe dit ook zij, het HvJ maakt een duidelijk onderscheid tussen hyperlinken naar content (wel toegestaan) en het overnemen van content (niet toegestaan).

Richella Soetens, advocaat IT, IE & Privacy

 

Eerder schreef ik een blog over het werkgeversauteursrecht. Het betreft een regeling die is neergelegd in artikel 7 van de Auteurswet. Op basis van dit artikel wordt de werkgever als auteursrechthebbende aangemerkt voor “werken” die in zijn dienst zijn gemaakt. Voor het ontstaan van werkgeversauteursrecht is alleen een dienstbetrekking echter nog niet voldoende. Wil het auteursrecht overgaan naar de werkgever dan moet het maken van een werk passen in de functieomschrijving van de werknemer. Hierbij is bijvoorbeeld ook van belang of het werk tot stand is gebracht gedurende werktijd of in eigen tijd. De specifieke omstandigheden kunnen meebrengen dat de werknemer toch als auteursrechthebbende wordt aangemerkt.

Een medewerker van de Rijksuniversiteit Groningen deed een beroep op deze uitzondering in een zaak bij de rechtbank Overijssel. Hij had zich gedurende een aantal maanden, (deels) in eigen tijd, bezig gehouden met het reviseren van twee syllabi. In dit kader was echter ook van belang dat dit met toestemming en in overleg met de universiteit gebeurde. De universiteit had ook invloed op de eindredactie en dus over de vorm waarin het werk tot stand diende te komen. De syllabi zouden voorts op kosten van de universiteit worden gedrukt en verspreid onder de studenten. Over de rechten op het werk was verder niets gebleken en de (inmiddels oud-)werknemer ving dan ook bot voor zijn auteursrechtclaims. In de woorden van de rechtbank:

4.6. Deze feiten en omstandigheden leiden ertoe dat de werkzaamheden waren gericht op onderwijsdoeleinden van de RUG en niet hebben plaatsgevonden voor privédoeleinden. De RUG heeft gebruik gemaakt van de diensten van [eiser] en [eiser] heeft daarin toegestemd. Daarmee lagen de werkzaamheden aan de syllabi in het verlengde van de aanstelling en de opdracht die [eiser] als werknemer heeft gekregen en worden deze aangemerkt als verricht in het kader van en ten behoeve van zijn dienstbetrekking. De vervaardiging heeft daarmee gestrekt ter vervulling van de dienstbetrekking (vgl. HR 19 januari 1951, NJ 1952, 37).

4.7. Dat [eiser] de werkzaamheden in zijn eigen tijd en op zijn eigen personal computer heeft verricht doet daaraan niet af. Dit staat niet aan de toepasselijkheid van artikel 7 Aw in de weg nu hiervoor is overwogen dat de grondslag van de werkzaamheden kan worden gevonden in de dienstbetrekking en hebben gestrekt ter vervulling daarvan. De omstandigheid dat [eiser] na de bewerking van de syllabi in een arbeidsconflict met de RUG verzeild is geraakt heeft niet geleid niet tot een wijziging in de aard en kwalificatie van de werkzaamheden.

Voor de werknemer dus een dure les. Hij had duidelijke afspraken moeten maken ten aanzien van de auteursrechten voordat hij de werkzaamheden ging verrichten. Ook de universiteit had hier uiteraard verstandig aangedaan. Voor haar blijkt artikel 7 Auteurswet echter een voldoende vangnet, uiteraard tenzij de werknemer met succes hoger beroep in zou stellen.

Met de inwerkingtreding van de AVG is niet alleen een nieuwe verordening in werking getreden, maar is de Europese Unie ook een nieuw orgaan rijker. Vanaf 25 mei 2018 vervangt het Europees Comité voor gegevensbescherming de Artikel 29-werkgroep.

Het Comité heeft als algemene taak om bij te dragen aan een consistente toepassing van de AVG binnen de Europese Unie. Net als de Artikel 29-werkgroep deed, zal het Comité opinies en richtsnoeren publiceren met uitleg over de toepassing van de AVG. Ook zal het Comité de Europese Commissie vanuit een onafhankelijke rol adviseren bij zaken aangaande de AVG en aanverwante privacy kwesties.

Nieuw is de bevoegdheid van het Comité om bindende besluiten te nemen. Het Comité krijgt de bevoegdheid om geschillen tussen de toezichthouders bindend te beslechten. Dat kan bijvoorbeeld nodig zijn als twee of meer toezichthouders het niet eens kunnen worden over de vraag wie van hen de leidende toezichthoudende autoriteit is.

Het Comité bestaat uit de voorzitter van de Europese toezichthouder en de voorzitters van de nationale toezichthoudende autoriteiten. Aleid Wolfsen zal als voorzitter van de Autoriteit Persoonsgegevens zitting nemen in het Comité.

Tijdens haar eerste bijeenkomst op 25 mei 2018 heeft het Comité direct zestien AVG-gerelateerde richtsnoeren en andere documenten van de Artikel 29-werkgroep bekrachtigd. Hiermee geeft het Comité aan dat dat zij de inhoud van deze documenten onderschrijft. Ook heeft het Comité direct twee nieuwe richtlijnen gepubliceerd. Daarover meer in een volgend blog.

De Europese Unie dreigt de Privacy Shield-overeenkomst met de Verenigde Staten stop te zetten als het land zich niet snel aan de afspraken houdt. Wat is er aan de hand?

Op grond van de AVG is het verboden om persoonsgegevens vanuit de EU naar landen buiten de EU te verplaatsen. Op dat verbod bestaan een aantal uitzonderingen. Tussen de EU en de VS is de Privacy Shield-overeenkomst gesloten. Daarin staan afspraken over de bescherming van persoonsgegevens. Amerikaanse bedrijven kunnen zich vrijwillig aansluiten bij het Privacy Shield. Als zij dat doen, dan mogen persoonsgegevens vanuit de EU naar die bedrijven worden verstuurd. Honderden Amerikaanse bedrijven hebben dat inmiddels gedaan.

De Privacy Shield-regeling houdt onder meer in dat het Amerikaanse ministerie van Economische Zaken een ombudsman moet aanstellen die klachten van Europese burgers in behandeling neemt. Tot op heden is dat echter nog niet gebeurd. Daarnaast bestaan er algemene zorgen over de handhaving van het instrument, mede in het licht van het Facebook-Cambridge Analytica schandaal, twee bedrijven die Privacy Shield-gecertificeerd zijn/waren. Ook bestaan er zorgen over de Amerikaanse CLOUD Act, een wet die mogelijk conflicteert met de AVG.

Begin juli nam het Europees Parlement al een resolutie aan waarin werd gedreigd met opschorting van het Privacy Shield. In een brief aan de Amerikaanse minister van Economische Zaken laat EU-commissaris Vera Jourova (Justitie en Consumentenrechten) nu weten dat de VS tot uiterlijk oktober heeft om de ombudsman aan te stellen, zo meldt de Financial Times.

Mocht het Privacy Shield worden stopgezet, dan leidt dat mogelijk tot een chaotische situatie. Veel van de gecertificeerde bedrijven leunen nu uitsluitend op het Privacy Shield om persoonsgegevens naar de VS over te brengen. Bij opschorting van het Privacy Shield zullen zij die overdracht halsoverkop op een andere uitzondering moeten kunnen baseren. Bijvoorbeeld door gebruik te maken van de door de Europese Commissie vastgestelde modelcontractbepalingen.

Jeroen van Helden, advocaat IT, IE & Privacy

Rijnstreek Business heeft een speciaal themanummer uitgebracht rond de AVG. Hierin heeft Advocaat/Partner en specialist op het gebied van Privacyrecht Natascha van Duuren een artikel geschreven over de AVG, en welke gevolgen dit heeft met name voor het MKB.

Wilt u het hele artikel lezen? Klik dan hier.

Natascha van Duuren adviseert bij De Clercq nationale en internationale cliënten over kwesties met betrekking tot IT en privacy. Dankzij haar analytische vermogen, projectmatige aanpak en grote toewijding is ze al jaren de vaste sparringpartner van diverse grote bedrijven en instellingen. In 2013 werd Natascha door Global Law Experts uitgeroepen tot IT-Lawyer Of The Year. Sinds 2014 is zij  Managing Partner van De Clercq. Daarnaast is zij voorzitter van de Special Interest Group IT-Recht van het Ngi-NGN.

Rolls Royce hecht uiteraard groot belang aan haar merken, onder andere haar RR-monogram. In een eerdere oppositieprocedure onderstreepte Rolls-Royce het wereldwijde gebruik en de bekendheid van het RR monogram. Voorts gaf de merkhouder aan dat het monogram, ten tijde van de procedure in 2000, al zo’n 90 jaar gebruikt werd. In die oppositieprocedure stond Rolls-Royce tegenover Triple R Industry. U raadt het al, voor het merk van de tegenpartij werden de R driedubbel afgebeeld. Het Bureau oordeelde echter dat de merken als verschillend kunnen worden beschouwd en dat geen sprake was van verwarring.[1]

Anno 2018 geeft het monogram opnieuw niet de doorslag waar Rolls-Royce op had gehoopt. Op 13 juni j.l. stond Rolls Royce bij de Rechtbank Den Haag tegenover het merk REBEL&RICH. Ze zijn beiden houdsters van een Beneluxwoord-/beeldmerk waarbij er een dubbele R zichtbaar is. Voorts richten ze zich op dezelfde waren, te weten sieraden. Rolls-Royce stelde dat er daardoor een grote mate van overeenstemming is tussen de merken. Hierdoor zou er gevaar zijn voor verwarring.

Juridisch kader

De houder van een ouder merk heeft het recht om het gebruik van een teken te verbieden wanneer het teken en het merk zodanig overeenstemmen, dat daardoor bij het in aanmerking komende publiek van de desbetreffende waren of diensten directe of indirecte verwarring kan ontstaan. In de vaste jurisprudentie is bepaald dat ‘het gevaar voor verwarring bij het publiek globaal moet worden beoordeeld, met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval’. Ook gaat het hierbij om de ‘totaalindruk’ die het bij de ‘gemiddelde consument’ achterlaat. Als laatste is er geoordeeld dat ‘het gevaar voor verwarring toeneemt naarmate het onderscheidend vermogen groter is’. Dit onderscheidend vermogen zal eerder aanwezig worden geacht wanneer het een bekend merk betreft.

De rechtbank oordeelde in onderhavige zaak dat niet de dubbele R maar de woordelementen REBEL&RICH als het meest dominante en onderscheidende onderdeel in de totaalindruk kan worden beschouwd. Deze woorden geven, aldus de rechtbank, ‘het REBEL&RICH -merk een andere visuele totaalindruk dan de enkele overlappende letters’. De uitgeschreven woorden nemen namelijk een groter deel van het merk in beslag. Daarnaast vallen de woordelementen meer op door de gekozen kleur. De overeenstemming tussen de merken wordt daarom gering geacht. Als laatste zal de gemiddelde consument aldus de rechter begrijpen ‘dat de RR-en in de ring, de beginletters vormen van de voluit geschreven bestanddelen van de naam ‘REBEL&RICH’’. De mate van overeenstemming tussen de merken wordt door de rechtbank aldus te gericht geacht en de vorderingen van Rolls Royce worden afgewezen. Dat het monogram al meer dan 100 jaar in gebruik is, doet daar niets aan af.[2]

Teun Pouw en Sophia Senteur

Advocaat IE-recht en masterstudent IE

[1] EUIPO Decision No. 2185/2000, Rolls-Royce Plc vs. Triple R Industry Co., Ltd., 29 september 2000.

[2] Rechtbank Den Haag 13 juni 2018, IEF 17777; IEFbe 2612; ECLI:NL:RBDHA:2018:6962 (Rolls-Royce c.s. tegen REBEL&RICH c.s.)